Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht
This provision sets rules for coordinated handling of related administrative decisions, including a coordinating authority, joint preparation, transmission, publication, and appeal handling.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 17 Mar 2021
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht
AI-assisted research summary: This provision sets rules for coordinated handling of related administrative decisions, including a coordinating authority, joint preparation, transmission, publication, and appeal handling.
Staatsblad Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: WIJZIGING VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT A INFORMATIE OVER SAMENHANGENDE BESLUITEN 1. Indien er sprake is van besluiten die nodig zijn om een bepaalde activiteit te mogen verrichten of besluiten die strekken tot het vaststellen van een financiële aanspraak met het oog op die activiteit, bevordert het bestuursorgaan dat een aanvrager in kennis wordt gesteld van andere op aanvraag te nemen besluiten waarvan het bestuursorgaan redelijkerwijs kan aannemen dat deze nodig zijn voor de door de aanvrager te verrichten activiteit. 2. Bij de kennisgeving wordt per besluit in ieder geval vermeld: naam en adres van het bestuursorgaan, bevoegd tot het nemen van het besluit; krachtens welk wettelijk voorschrift het besluit wordt genomen. B COÖRDINATIE VAN SAMENHANGENDE BESLUITEN Deze afdeling is van toepassing op besluiten ten aanzien waarvan dat is bepaald: bij wettelijk voorschrift; of bij besluit van de tot het nemen van die besluiten bevoegde bestuursorganen (coördinatiebesluit). 1. Bij of krachtens het wettelijk voorschrift, bedoeld in artikel 3:20, onderdeel a, of in het coördinatiebesluit wordt een coördinerend bestuursorgaan aangewezen. 2. Indien het in een coördinatiebesluit als coördinerend bestuursorgaan aan te wijzen bestuursorgaan niet bevoegd is tot het nemen van een of meer van de te coördineren besluiten, behoeft de aanwijzing de instemming van dat bestuursorgaan. 3. Indien redelijkerwijs niet valt te verwachten dat toepassing van deze afdeling op een besluit de voortgang van de besluitvorming over de te coördineren besluiten in betekenende mate zal versnellen of dat aan deze toepassing anderszins aanmerkelijke voordelen zijn verbonden, kan het coördinerend bestuursorgaan besluiten deze afdeling ten aanzien van dat besluit niet, niet verder of later toe te passen. 1. Het coördinerend bestuursorgaan bevordert een doelmatige en samenhangende voorbereiding van besluiten, waarbij de bestuursorganen bij de beoordeling van de aanvragen in ieder geval rekening houden met de onderlinge samenhang tussen de aanvragen en tussen de te nemen besluiten. 2. De bevoegde bestuursorganen verlenen de medewerking die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. 1. De besluiten worden zoveel mogelijk gelijktijdig aangevraagd bij het coördinerend bestuursorgaan, met dien verstande dat de laatste aanvraag niet later wordt ingediend dan zes weken na ontvangst van de eerste aanvraag. Het coördinerend bestuursorgaan kan bepalen dat voor het indienen van de aanvragen een andere termijn geldt. 2. Het coördinerend bestuursorgaan zendt terstond na ontvangst van de aanvragen een afschrift daarvan aan de bevoegde bestuursorganen. 3. Indien een aanvraag later dan de termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend, wordt die aanvraag niet betrokken bij de gecoördineerde voorbereiding van de andere besluiten, tenzij het coördinerend bestuursorgaan anders bepaalt. 4. Bij wettelijk voorschrift kan worden bepaald dat de aanvraag om een besluit niet wordt behandeld indien niet tevens de aanvraag om een ander besluit is ingediend. 5. Het coördinerend bestuursorgaan is mede bevoegd tot het indienen van een aanvraag bij het bevoegde bestuursorgaan, indien het besluit waarop de aanvraag betrekking heeft, strekt tot uitvoering van een besluit dat door het coördinerend bestuursorgaan is genomen. De aanvraag kan mede namens een van de andere betrokken bestuursorganen worden ingediend. Onverminderd artikel 3:23, vierde lid, vangt de termijn voor het nemen van de besluiten, bedoeld in artikel 3:23, eerste lid, aan met ingang van de dag waarop de laatste aanvraag is ontvangen. 1. Indien op de voorbereiding van een van de besluiten afdeling 3.4 van toepassing is, is die afdeling van toepassing op alle besluiten, met inachtneming van het volgende: de ingevolge de artikelen 3:11, 3:14 en 3:44, eerste lid, onderdeel a, vereiste terinzageleggingen geschiedt in ieder geval ten kantore van het coördinerend bestuursorgaan; het coördinerend bestuursorgaan draagt er zorg voor dat de gelegenheid tot het mondeling naar voren brengen van zienswijzen wordt gegeven met betrekking tot alle ontwerpbesluiten gezamenlijk; zienswijzen worden bij het coördinerend bestuursorgaan naar voren gebracht; indien over een ontwerpbesluit zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder geldt dit eveneens met betrekking tot de andere ontwerpbesluiten; indien een ontwerpbesluit strekt tot uitvoering van een ander besluit dat geen onderdeel uitmaakt van de coördinatie, kunnen zienswijzen geen betrekking hebben op dat andere besluit; het in de gelegenheid stellen te reageren op naar voren gebrachte zienswijzen geschiedt door het coördinerend bestuursorgaan; de ingevolge die afdeling en afdeling 3.6 vereiste mededelingen, kennisgevingen en toezendingen geschieden door het coördinerend bestuursorgaan; in afwijking van artikel 3:18 worden de besluiten genomen binnen een door het coördinerend bestuursorgaan te bepalen termijn, doch uiterlijk binnen de termijn die geldt voor het besluit met de langste beslistermijn; mededelingen en kennisgevingen worden tevens gedaan in de Staatscourant en voorts langs elektronische weg; de dag van terinzagelegging van de besluiten door het coördinerend bestuursorgaan is bepalend voor de aanvang van de beroepstermijn ingevolge artikel 6:8, vierde lid. 2. Indien afdeling 3.4 niet van toepassing is, geschiedt de voorbereiding met toepassing of overeenkomstige toepassing van de onderdelen b tot en met h van het eerste lid. 1. De bevoegde bestuursorganen zenden de door hen genomen besluiten zo spoedig mogelijk toe aan het coördinerend bestuursorgaan. 2. Het coördinerend bestuursorgaan maakt de besluiten gelijktijdig bekend en legt deze, indien tevens terinzagelegging wettelijk is voorgeschreven op grond van afdeling 3.4, gelijktijdig ter inzage. 1. Indien tegen een van de besluiten bezwaar kan worden gemaakt of administratief beroep kan worden ingesteld, geschiedt dit in afwijking van artikel 6:4 door het indienen van het bezwaar- of beroepschrift bij het coördinerend bestuursorgaan. Het coördinerend bestuursorgaan zendt terstond na ontvangst van het bezwaar- of beroepschrift een afschrift daarvan aan het bevoegde bestuursorgaan. 2. Het coördinerend bestuursorgaan draagt er zorg voor dat de gelegenheid tot het gebruik maken van het recht te worden gehoord wordt gegeven met betrekking tot alle bestreden besluiten gezamenlijk. 3. De bevoegde bestuursorganen zenden de door hen genomen beslissingen op het bezwaar of beroep zo spoedig mogelijk toe aan het coördinerend bestuursorgaan. Het coördinerend bestuursorgaan maakt de beslissingen gelijktijdig bekend en doet de ingevolge artikel 7:12, derde lid, of artikel 7:26, vierde lid, vereiste mededelingen. 4. Een beslissing op een verzoek in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, bedoeld in artikel 7:1a, vierde lid, wordt genomen door het coördinerend bestuursorgaan. Onverminderd artikel 7:1a, tweede lid, wijst het coördinerend bestuursorgaan het verzoek in ieder geval af indien tegen een van de andere besluiten een bezwaarschrift is ingediend waarin eenzelfde verzoek ontbreekt. Voor de mogelijkheid van beroep bij de bestuursrechter worden besluiten die zijn voorbereid met toepassing van deze afdeling aangemerkt als één besluit. 1. Tenzij het tweede lid van toepassing is, staat tegen besluiten die zijn voorbereid met toepassing van deze afdeling beroep open bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waar het coördinerend bestuursorgaan zijn zetel heeft. 2. Tegen besluiten die zijn voorbereid met toepassing van deze afdeling staat beroep open bij: de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien tegen een of meer van de besluiten beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling; het College van Beroep voor het bedrijfsleven, indien tegen een of meer van de besluiten beroep kan worden ingesteld bij het College en onderdeel a niet van toepassing is; de Centrale Raad van Beroep, indien tegen een of meer van de besluiten beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep en de onderdelen a en b niet van toepassing zijn. 3. Indien inzake één van de besluiten die met toepassing van deze afdeling gecoördineerd zijn voorbereid hoger beroep kan worden ingesteld bij: de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, staat inzake alle besluiten hoger beroep open bij de Afdeling; het College van Beroep voor het bedrijfsleven en onderdeel a niet van toepassing is, staat inzake alle besluiten hoger beroep open bij het College; de Centrale Raad van Beroep en de onderdelen a en b niet van toepassing zijn, staat inzake alle besluiten hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep. 4. De ingevolge het eerste lid bevoegde rechtbank of de ingevolge het tweede of derde lid bevoegde bestuursrechter kan de behandeling van de beroepen dan wel hoger beroepen verwijzen naar een rechtbank onderscheidenlijk een andere bestuursrechter die voor de behandeling ervan meer geschikt wordt geacht. Artikel 8:13, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. C 3. Het bestuursorgaan onder verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is, is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het eerste lid. 4. Indien de gevorderde medewerking strekt ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens een regeling die is genoemd in hoofdstuk 2, 3 of 4 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak of in de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht, wordt de last onder bestuursdwang voor de toepassing van de twee laatstgenoemde regelingen aangemerkt als een besluit, genomen op grond van de eerstbedoelde regeling. D 3. Indien de last onder dwangsom strekt ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens een regeling die is genoemd in hoofdstuk 2, 3 of 4 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak of in de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht, wordt de last onder dwangsom voor de toepassing van de twee laatstgenoemde regelingen aangemerkt als een besluit, genomen op grond van de eerstbedoelde regeling. E als bedoeld in artikel 3:20, onderdeel b, 3:21, derde lid, of 3:25, eerste lid, onderdeel h,. Ea F WIJZIGING VAN DE OMGEVINGSWET EN ENKELE BEPALINGEN VAN BIJZONDERE WETTEN A (bevoegdheid tot indeplaatstreding) 1. Als gedeputeerde staten als het coördinerend bestuursorgaan voor de besluiten ter uitvoering van een projectbesluit optreden, kunnen zij in plaats van het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan voorzien in het nemen van een besluit, als dat bestuursorgaan geen bestuursorgaan van het Rijk is en: dat bestuursorgaan een besluit niet of niet tijdig heeft genomen, of het besluit van dat bestuursorgaan de uitvoering van het projectbesluit belemmert. 2. Als Onze Minister die het aangaat als het coördinerend bestuursorgaan voor de besluiten ter uitvoering van een projectbesluit optreedt, kan hij in plaats van het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan voorzien in het nemen van een besluit, als: dat bestuursorgaan een besluit niet of niet tijdig heeft genomen, of het besluit van dat bestuursorgaan de uitvoering van het projectbesluit belemmert. 3. Bij de toepassing van het eerste of tweede lid treedt het besluit van het coördinerend bestuursorgaan in de plaats van het besluit dat het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan had moeten nemen of heeft genomen. 4. Als het oorspronkelijk bevoegde bestuursorgaan voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een besluit waarvoor toepassing is gegeven aan het eerste of tweede lid rechten heeft geheven, stort dat bestuursorgaan de ontvangen rechten in de kas van de provincie waartoe het coördinerend bestuursorgaan behoort respectievelijk in de kas van het Rijk. B 3. De artikelen 3:21, derde lid, en 3:23, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing op de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b. C D Coördinatie omgevingsplan en omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (coördinatie omgevingsplan en omgevingsvergunning) Als afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast op de voorbereiding van een omgevingsplan en de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning en de beslissing op die aanvraag wordt genomen gelijktijdig met of na de vaststelling van dat omgevingsplan, wordt bij de beslissing uitgegaan van de regels in dat omgevingsplan. E (herstelsanctie en rechtsopvolger) Het bestuursorgaan dat een besluit neemt tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom gericht op naleving van een bij of krachtens deze wet gestelde regel kan daarbij bepalen dat het besluit ook geldt voor de rechtsopvolgers van degene aan wie de last wordt opgelegd. In dat geval kan het bestuursorgaan het besluit tegen de rechtsopvolgers ten uitvoer leggen en de kosten van die tenuitvoerlegging of een verbeurde dwangsom bij die rechtsopvolgers invorderen. AANPASSING VAN BIJZONDERE NADEELCOMPENSATIEREGELINGEN AAN TITEL 4.5 VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT 1. Het in het derde lid aangewezen bestuursorgaan kan regels stellen, waarbij wordt bepaald dat een vergoeding kan worden toegekend indien de vaststelling vooraf of zich uit de toepassing van artikel 46, 49b of 49d of uit de toepassing van artikel 175 of 176 van de Gemeentewet bij een ongeval met een categorie B-object al dan niet schade voordoet, zou leiden tot onredelijke vertraging in de behandeling van de aanvraag van schadevergoeding op grond van artikel 4:126 van de Algemene wet bestuursrecht of tot kosten ten aanzien waarvan in redelijkheid niet kan worden gevergd dat de belanghebbende deze draagt. aA A 1. Op schade, veroorzaakt door besluiten of andere handelingen van de Belastingdienst/Toeslagen of van andere bestuursorganen voor zover genomen of verricht in het kader van aan de Belastingdienst opgedragen taken, is titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht eerst van toepassing: voor besluiten en andere handelingen ter uitvoering van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969: met ingang van twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A; voor overige besluiten en andere handelingen: met ingang van vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A. 2. Op schade, veroorzaakt door besluiten of andere handelingen van de Belastingdienst/Toeslagen of van andere bestuursorganen voor zover genomen of verricht in het kader van aan de Belastingdienst opgedragen taken, met uitzondering van besluiten en andere handelingen ter uitvoering van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, is titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht eerst van toepassing met ingang van vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A. 3. Indien voor het verstrijken van de termijn, genoemd in het eerste lid, onder a of onder b, onderscheidenlijk tweede lid, een voorstel van wet is ingediend dat in het onderwerp van het eerste lid, onder a of onder b, onderscheidenlijk tweede lid, voorziet, is, in afwijking van het eerste onderscheidenlijk tweede lid, titel 4.5 onderscheidenlijk titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid, onder a of onder b, onderscheidenlijk het tweede lid bedoelde besluiten en andere handelingen eerst van toepassing op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. 4. Op schade waarop ingevolge dit artikel titel 4.5 of 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is, blijft, in afwijking van artikel IV, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 juli 2013. B WIJZIGINGEN IN VERBAND MET DE AANPASSING VAN ARTIKEL 5:20 AWB Algemene Zaken A 5. Onze Ministers zijn bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde personen. B Buitenlandse Zaken Justitie en Veiligheid 3. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden en taken. A 3. Het bestuur van de KNB is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde deskundigen. B 5. Het bestuur van de KNB is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van het in het eerste lid bedoelde vooronderzoek en de in het tweede lid bedoelde personen. A 3. Het College van Toezicht is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde taakuitoefening. B 4. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de ambtenaren van de inspectie. (last onder bestuursdwang) De bevoegde autoriteit is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet. Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 4. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat of het dagelijks bestuur van een waterschap zijn bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde personen. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de bestuursrechtelijke handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk III. Onderwijs, Cultuur en Wetenschap A B 3. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde ambtenaren. A B 3. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde personen. A 3. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde ambtenaren. B 4. Onze Minister is bevoegd tot toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van het toezicht, bedoeld in het eerste en tweede lid. A 3. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde taken. B A B Financiën 4. Onze Minister die het aangaat is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde functionarissen. A 3. De toezichthouder is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde taak. B 11. De toezichthouder is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het zesde lid bedoelde taak. C 3. De Nederlandsche Bank is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van een verificatie als bedoeld in het eerste lid. D 3. De toezichthouder is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de vordering van inlichtingen, bedoeld in het eerste lid. E 4. De Nederlandsche Bank is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde onderzoeken en inspecties en de in het tweede lid bedoelde bevoegdheid. F 3. De toezichthouder is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen. G H artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. I 2. De Nederlandsche Bank is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde voorbereiding en uitvoering van besluiten. A B A 3. De Autoriteit Financiële Markten is bevoegd tot toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de vordering, bedoeld in het eerste lid. B C D 3. De Autoriteit Financiële Markten is bevoegd tot toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde vordering en de in het tweede lid bedoelde personen. E 3. De Autoriteit Financiële Markten is bevoegd tot toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van het in het eerste lid bedoelde onderzoek. F 3. De Autoriteit Financiële Markten is bevoegd tot toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde vordering en de in het tweede lid bedoelde personen. A 4. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het derde lid bedoelde personen. B A 7. De Autoriteit Financiële Markten is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde nadere toelichting. B A 3. De Nederlandsche Bank is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen. B 4. De Nederlandsche Bank is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde inlichtingen en onderzoeken. C Last onder dwangsom en bestuurlijke boete 1. De Nederlandsche Bank kan een last onder dwangsom opleggen ter zake van: overtreding van bij of krachtens de hoofdstukken 2 tot en met 5 en 8 gestelde regels; het geen dan wel niet tijdig of onvolledig gevolg geven aan een krachtens artikel 47 gegeven aanwijzing. 2. De Nederlandsche Bank kan een bestuurlijke boete opleggen ter zake van: overtreding van bij of krachtens de hoofdstukken 2 tot en met 5 en 8 gestelde regels; overtreding van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht; het geen dan wel niet tijdig of onvolledig gevolg geven aan een krachtens artikel 47 gegeven aanwijzing. Defensie Infrastructuur en Waterstaat A B C Het bevoegd gezag is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ter handhaving van de artikelen 59, eerste lid, en 65, tweede lid, voor zover het betreft de verplichting tot het verlenen van medewerking aan een krachtens artikel 58, tweede en derde lid, aangewezen ambtenaar of een krachtens artikel 65 toegelaten persoon. D 3. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemeen wet bestuursrecht ter handhaving van het tweede lid. A 4. Onze Minister of het bestuur van een waterschap is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde personen. B 4. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde ambtenaren. A 4. Gedeputeerde staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur zijn bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de toepassing van het derde lid. B Economische Zaken en Klimaat A B A B A B 2. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde aangewezen ambtenaren die zijn belast met de uitvoering van paragraaf 3 van deze wet. Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit A 2. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in artikel 114, tweede lid, bedoelde ambtenaren. B A B 1. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in artikel 10, tweede lid, bedoelde ambtenaren en personen. Sociale Zaken en Werkgelegenheid A 3. De toezichthouder is bevoegd tot toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde vordering. B C 3. Onze Minister die het aangaat is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde ambtenaren. A 3. De toezichthouder is bevoegd tot toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde vordering. B C Volksgezondheid, Welzijn en Sport 3. Onze Minister die het aangaat is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde onderzoek. A B 4. Onze Minister is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemeen wet bestuursrecht ter uitvoering van het eerste lid. A B Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is bevoegd tot oplegging van een last onder dwangsom ter handhaving van het bepaalde in de artikelen 2 en 10, tweede lid. Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder dwangsom ter handhaving van de artikelen 3 en 4, eerste lid. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Onverminderd hoofdstuk 4 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven de artikelen 3:21 tot en met 3:29 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals deze luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 1, onderdeel B, van deze wet, van toepassing op: besluiten die zijn aangevraagd voor dat tijdstip; ambtshalve te nemen besluiten waarvan de beslistermijn is aangevangen vóór dat tijdstip; besluiten die zijn aangevraagd na dat tijdstip en ambtshalve besluiten waarvan de beslistermijn is aangevangen na dat tijdstip, indien: de eerste aanvraag, bedoeld in artikel 3:23, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is ingediend vóór dat tijdstip; de laatste aanvraag, bedoeld in artikel 3:23, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is ingediend na dat tijdstip doch binnen zes weken na ontvangst van de eerste aanvraag of, indien toepassing is gegeven aan artikel 3:23, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen de door het coördinerend bestuursorgaan gestelde termijn. 1. Een voor de datum van de inwerkingtreding van artikel 1, onderdeel C wegens overtreding van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht oplegde last onder bestuursdwang berust met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel 1, onderdeel C, mede op artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. 2. Een voor de datum van de inwerkingtreding van artikel 1, onderdeel C wegens overtreding van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht oplegde last onder dwangsom berust met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel 1, onderdeel C, mede op artikel 5:20, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 35 256
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 3 maart 2021 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in