Wet van 26 mei 2021 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Verzamelwet IenW 2020)
This provision keeps certain old rules in force for specified railway and environmental matters, requires a railway undertaking to meet Channel Tunnel security requirements and report yearly to the Minister, and gives the Minister powers over certification, verification, designation, and supervision.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 18 Jun 2021
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 26 mei 2021 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Verzamelwet IenW 2020)
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Wet van 26 mei 2021 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Verzamelwet IenW 2020)
AI-assisted research summary: This provision keeps certain old rules in force for specified railway and environmental matters, requires a railway undertaking to meet Channel Tunnel security requirements and report yearly to the Minister, and gives the Minister powers over certification, verification, designation, and supervision.
Staatsblad Wet van 26 mei 2021 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Verzamelwet IenW 2020) Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: de geluidproductieplafonds die onder de werking van artikel 4.44 of 4.45 van de Invoeringswet Omgevingswet vallen. (overgangsrecht spoorwegen Wet geluidhinder) Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op de onderstaande besluiten op grond van hoofdstuk VII van de Wet geluidhinder, totdat deze onherroepelijk zijn: het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van bestaande, in aanbouw zijnde en geprojecteerde woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen ten behoeve van een besluit waarvoor een aanvraag is ingediend of waarvan een ontwerp ter inzage is gelegd voor dat tijdstip, het beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning, waarvoor voor dat tijdstip de aanvraag is ingediend. A 3. In een geval als bedoeld in artikel 4.64, eerste lid, of 4.65, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft, voor zover het gaat om onteigening als bedoeld in artikel 5.14, eerste lid, van de Waterwet, het oude recht van toepassing tot de activiteit, genoemd in de omgevingsvergunning, ten uitvoer is gelegd. B A B (regels kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving) 1. Regels als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die van kracht zijn, gelden als regels als bedoeld in artikel 18.20, derde lid, van de Omgevingswet. 2. Regels als bedoeld in artikel 5.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die zijn vastgesteld door de gemeenteraad en van kracht zijn, gelden als regels als bedoeld in artikel 18.23, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. C 3. De leden worden benoemd voor een tijdvak van maximaal vier jaar en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van maximaal vier jaar herbenoembaar. In het geval van bijzondere omstandigheden binnen de organisatie van de Autoriteit kan een lid van de Autoriteit bij afloop van de tweede benoemingstermijn terstond opnieuw worden benoemd voor een tijdvak van maximaal twee jaar. A beoordelingsinstantie als bedoeld in artikel 3, onderdeel 14, van uitvoeringsverordening (EU) 402/2013; uitvoeringsverordening (EU) 402/2013 van de Commissie van 30 april 2013 betreffende de gemeenschappelijke veiligheidsmethode voor risico-evaluatie en -beoordeling en tot intrekking van Verordening (EG) 352/2009 (PbEU 2013, L 121). B C 1. Indien voor een subsysteem een EG-keuringsverklaring is opgesteld op basis van de TSI’s en, naargelang het geval, overeenkomstig de nationale voorschriften, wordt dat subsysteem geacht te voldoen aan de essentiële eisen. 2. Een EG-keuringsverklaring als bedoeld in het eerste lid wordt opgesteld na toepassing van de daarvoor geldende keuringsprocedures en overeenkomstig de krachtens artikel 26e, onderdelen b, c en d, gestelde regels. 3. Het is verboden een EG-keuringsverklaring op te stellen voor een subsysteem dat niet voldoet aan de essentiële eisen. 4. Subsystemen die conform zijn met geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht conform te zijn met de essentiële eisen die door die normen of delen daarvan worden bestreken. 5. Onze Minister kan verzoeken om aanvullende verificaties te verrichten ten aanzien van een subsysteem dat is voorzien van een EG-keuringsverklaring, indien hij constateert dat het subsysteem niet voldoet aan de essentiële eisen. D E F 1. Een spoorwegonderneming die een passagiersvervoersdienst naar het Verenigd Koninkrijk exploiteert, voldoet aan de eisen die gelden voor de beveiliging van treinen die door de Kanaaltunnel rijden. 2. Een spoorwegonderneming informeert Onze Minister jaarlijks over de wijze waarop zij voldoet aan de eisen, bedoeld in het eerste lid. 3. Bij ministeriële regeling worden de eisen, bedoeld in het eerste lid, vastgesteld en kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop een spoorwegonderneming overeenkomstig het tweede lid Onze Minister informeert. G 1. Onze Minister besluit, op aanvraag, tot aanmelding bij het Europees Spoorwegbureau van een of meer beoordelingsinstanties die voldoen aan de in artikel 35, onder f, gestelde regels. 2. Een besluit tot aanmelding kan onder beperkingen geschieden. Aan een aanmelding kunnen voorschriften worden verbonden. 3. Een aangemelde beoordelingsinstantie is bevoegd om conformiteitsbeoordelingen uit te voeren ten aanzien van interoperabiliteitsonderdelen, subsystemen, spoorvoertuigen en andere producten, bestemd om deel uit te maken van het spoorwegsysteem, voor zover die conformiteitsbeoordelingen betrekking hebben op uitvoeringsverordening (EU) 402/2013. 4. Onze Minister kan bij ministeriële regeling de nationale accreditatie-instantie aanwijzen om de aanvragen, bedoeld in het eerste lid, te beoordelen en om controles uit te voeren op de aangemelde beoordelingsinstanties. 5. De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is niet van toepassing op beoordelingsinstanties die op grond van het eerste lid zijn aangemeld. H de eisen die gesteld worden aan een beoordelingsinstantie als bedoeld in artikel 33a. I J K L M Een onderhoudscertificaat als bedoeld in artikel 46 respectievelijk een erkenning als bedoeld in artikel 48 van de Spoorwegwet, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet houdende implementatie van het vierde spoorwegpakket, berust met ingang van de dag waarop die wet in werking treedt op artikel 36 respectievelijk artikel 37. A 3. De leden van de directie worden benoemd voor een tijdvak van maximaal vier jaar en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van maximaal vier jaar herbenoembaar. In het geval van bijzondere omstandigheden binnen de organisatie van de Dienst Wegverkeer kan een lid van de directie bij afloop van de tweede benoemingstermijn terstond opnieuw worden benoemd voor een tijdvak van maximaal twee jaar. B 4. De leden van de directie worden benoemd voor een tijdvak van maximaal vier jaar en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van maximaal vier jaar herbenoembaar. In het geval van bijzondere omstandigheden binnen de organisatie van het CBR kan een lid van de directie bij afloop van de tweede benoemingstermijn terstond opnieuw worden benoemd voor een tijdvak van maximaal twee jaar. C 1. De in artikel 108, eerste lid, onderdelen g en i, onder 2°, genoemde termijn van 185 dagen wordt ten behoeve van houders van een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, anders dan in een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, die in Nederland woonachtig zijn, verlengd tot en met 30 september 2021, indien de genoemde termijn van 185 dagen verstrijkt of is verstreken in de periode tussen 15 december 2020 en 19 augustus 2021. 2. De in artikel 108, eerste lid, onderdeel h, genoemde termijnen worden ten behoeve van houders van een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, die in Nederland woonachtig zijn, verlengd tot en met 30 september 2021, indien de in dat onderdeel bedoelde termijn verstrijkt of is verstreken in de periode tussen 15 december 2020 en 19 augustus 2021. 3. De in het eerste en tweede lid bedoelde verlenging geldt op voorwaarde dat het desbetreffende rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de categorie waarmee wordt gereden geldig is dan wel in de periode tussen 15 december 2020 en 19 augustus 2021 zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur. 4. Dit artikel vervalt met ingang van 1 oktober 2021. A 4. Tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald, zijn bestuurders op een lokale spoorweg vrijgesteld van de uitvoeringsmaatregelen bij richtlijn 2007/59/EG. B A 7. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan een certificaat geheel of gedeeltelijk opschorten of intrekken overeenkomstig hetgeen bij of krachtens de basisverordening is bepaald. B C 3. De leden van het bestuur worden benoemd voor een tijdvak van maximaal vier jaar en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van maximaal vier jaar herbenoembaar. In het geval van bijzondere omstandigheden binnen de organisatie van de LVNL kan een lid van het bestuur bij afloop van de tweede benoemingstermijn terstond opnieuw worden benoemd voor een tijdvak van maximaal twee jaar. D 4. De kosten die samenhangen met het in behandeling nemen van de aanvraag en de afgifte van de in het tweede lid bedoelde ontheffing of een wijziging daarvan, worden ten laste gebracht aan de aanvrager. 5. De bedragen ter vergoeding van de kosten, bedoeld in het vierde lid, worden bij ministeriële regeling vastgesteld. E De leden van de directie worden benoemd voor een tijdvak van maximaal vier jaar en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van maximaal vier jaar herbenoembaar. In het geval van bijzondere omstandigheden binnen de organisatie van de ACNL kan een lid van de directie bij afloop van de tweede benoemingstermijn terstond opnieuw worden benoemd voor een tijdvak van maximaal twee jaar. F Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt regels over de uitoefening van het toezicht op ACNL door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat. A verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de EU-milieukeur (PbEU L 2010, 27);. B EU-milieukeur 1. Onze Minister wijst een instantie aan als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de EG-verordening EU-milieukeur. 2. Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden. 1. Onze Minister kan subsidie verstrekken aan de instantie voor de taken die voortvloeien uit de EG-verordening EU-milieukeur. 2. Op deze subsidieverstrekking is afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De instantie, bedoeld in artikel 2.51, eerste lid, voert haar taken uit overeenkomstig het door haar vastgestelde reglement. Het is verboden in strijd te handelen met de volgende bepalingen van EG-verordening EU-milieukeur: de artikelen 9, tweede, zesde, negende en dertiende lid, en 10, eerste lid. C D Onze Minister kan een of meer instanties aanwijzen, die de conformiteitsbeoordeling verrichten. E F de EG-verordening EU-milieukeur. G A B 4. De leden van de directie worden benoemd voor een tijdvak van maximaal vier jaar en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van maximaal vier jaar herbenoembaar. In het geval van bijzondere omstandigheden binnen de organisatie van de NIWO kan een lid van de directie bij afloop van de tweede benoemingstermijn terstond opnieuw worden benoemd voor een tijdvak van maximaal twee jaar. Op personen die krachtens de in artikelen III, VI, VIII, onderdelen C en E, en artikel XII genoemde artikelen zijn benoemd of herbenoemd voor het moment van inwerkingtreding van de artikelen III, VI, VIII onderdelen C en E, en artikel XII zijn de in de artikelen III, VI, VIII, onderdelen C en E, en artikel XII genoemde artikelen van toepassing zoals zij luidden voor dit moment van inwerkingtreding. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Deze wet wordt aangehaald als: Verzamelwet IenW 2020. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 35 664
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 26 mei 2021 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Verzamelwet IenW 2020)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in