Besluit van 28 mei 1998, houdende tijdelijke verlaging van heffingsbedragen in de Wet voorraadvorming aardolieprodukten
Verify source ↗ AI-assisted research summary: The decree sets a temporary reduced storage levy for certain petroleum products at f 11.00 per 1,000 liters at 15°C.
Staatsblad Besluit van 28 mei 1998, houdende tijdelijke verlaging van heffingsbedragen in de Wet voorraadvorming aardolieprodukten Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 12 mei 1998, nr. 98032912 WJA/W; Gelet op artikel 13i, tweede lid, van de Wet voorraadvorming aardolieprodukten; De Raad van State gehoord (advies van 25 mei 1998, nr. W10.98.0196); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 27 mei 1998, nr. 98036265 WJA/W; In afwijking van hetgeen geldt ingevolge het koninklijk besluit van 5 juli 1993, houdende wijziging van heffingsbedragen in de Wet voorraadvorming aardolieprodukten (Stb. 378) bedraagt de heffing, bedoeld in artikel 13h van de Wet voorraadvorming aardolieprodukten voor de aardolieprodukten, bedoeld in artikel 13i, eerste lid, onder a, b en c, van die wet per 1000 liter bij 15 graden Celsius: f 11,00. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 juni 1998. Dit besluit vervalt met ingang van 1 november 2000. Stb. 1986, 675, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 6 november 1997, Stb. 510. Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State). NOTA VAN TOELICHTING In artikel 13h van de Wet voorraadvorming aardolieprodukten is een voorraadheffing voorzien ter dekking van de exploitatiekosten van de Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten (COVA). Bij besluit van 23 maart 1988, houdende verlaging van heffingbedragen in de Wet voorraadvorming aardolieprodukten (Stb. 125), is de heffing voor de aardolieproducten, bedoeld in artikel 13i, eerste lid, onder a, b en c, van de wet voor het eerst verlaagd tot f 1,60 per hectoliter. Bij besluit van 6 december 1988, houdende verlaging van heffingbedragen in de Wet voorraadvorming aardolieprodukten (Stb. 571), is deze heffing vervolgens gesteld op f 1,35 per hectoliter. Vervolgens is de heffing bij besluit van 5 november 1991, houdende tijdelijke verlaging van heffingsbedragen in de Wet voorraadvorming aardolieprodukten (Stb. 592), voor de periode van 1 januari 1992 tot 1 januari 1994 gesteld op f 1,00 per hectoliter. Bij besluit van 5 juli 1993, houdende wijziging van heffingsbedragen in de Wet voorraadvorming aardolieprodukten (Stb. 378), is deze tijdelijke verlaging voortijdig beëindigd. In verband met een daaraan voorafgaande wijziging van de berekeningsgrondslag (wet van 24 december 1992 tot wijziging van de Wet op de accijns in verband met de afschaffing van de fiscale grenzen (Stb. 711)) is de heffing in het laatstgenoemde besluit op f 13,50 per 1000 liter gesteld. Bij besluit van 9 mei 1996 (Stb. 273), houdende tijdelijke verlaging van heffingsbedragen in de Wet voorraadvorming aardolieprodukten, is de heffing voor de periode van 1 juni 1996 tot 1 juni 1998 verlaagd tot f 12,50 per 1000 liter. De voorraadheffing kan thans als gevolg van verwachte lagere kosten met f 1,50 per 1000 liter worden verlaagd ten opzichte van de situatie vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Deze ontwikkeling wordt met name veroorzaakt door lagere olieprijzen, lagere opslagprijzen en lagere rentekosten in verband met lagere rentepercentages. Dit besluit treedt met terugwerkende kracht in werking, omdat de omvang van de voorraadverplichting voor 1998 en de daaraan verbonden kosten niet tijdig bekend waren. Aangezien mutaties in de voorraadverplichting aanzienlijke gevolgen hebben voor de financiële positie van COVA, is de omvang van de voorraadverplichting mede bepalend voor de hoogte van de voorraadheffing. Bij de vaststelling van de Nederlandse voorraadplicht per 1 april 1998 werd duidelijk dat de voorraadverplichting van COVA voor 1998 ten opzichte van 1997 met circa 18% zou stijgen. De voorraadheffing kan desalniettemin worden verlaagd van f 12,50 per 1000 liter tot f 11,00 per 1000 liter vanwege de hierboven genoemde verlaging van de kosten die zijn verbonden aan het aanhouden van voorraden door COVA. Aangezien de voorraadheffing met ingang van 1 juni 1998 zou stijgen tot f 13,50 per 1000 liter vanwege het vervallen van het voornoemde besluit van 9 mei 1996 op die datum en hiervoor, zoals aangegeven, geen reden bestaat, is er voor gekozen dit besluit tot die datum te laten terugwerken.