Wet van 28 maart 2013 tot wijziging van enkele socialezekerheidswetten in verband met vereenvoudiging van de uitvoering van deze wetten door de Sociale verzekeringsbank (Wet vereenvoudiging regelingen SVB)
Verify source ↗ AI-assisted research summary: This section sets benefit calculation rules, transition rules, and commencement timing for several social security provisions.
Staatsblad Wet van 28 maart 2013 tot wijziging van enkele socialezekerheidswetten in verband met vereenvoudiging van de uitvoering van deze wetten door de Sociale verzekeringsbank (Wet vereenvoudiging regelingen SVB) Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: WIJZIGING VAN DE ALGEMENE KINDERBIJSLAGWET WIJZIGING VAN DE ALGEMENE NABESTAANDENWET A B C 2. Indien de nabestaande recht heeft op uitkering op grond van artikel 14, eerste lid, onder a, wordt de bruto-nabestaandenuitkering op een zodanig bedrag vastgesteld, dat, nadat de over dat bedrag in te houden loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen voor een persoon jonger dan 65 jaar, rekening houdend met uitsluitend de algemene heffingskorting, bedoeld in artikel 22 van de Wet op de loonbelasting 1964, is afgetrokken, de netto-nabestaandenuitkering gelijk is aan 90% van het netto-minimumloon. D E 2. Indien wijziging van andere omstandigheden dan wijziging van het inkomen leidt tot een lagere uitkering, gaat die herziening in met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin die wijziging zich voordoet. Indien dit leidt tot een hogere uitkering, gaat die herziening in op de dag, bedoeld in het eerste lid. F G H een kind van 16 of 17 jaar dat als leerling of deelnemer staat ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 of een vervolgstudie volgt, tenzij ten aanzien van de verplichting tot inschrijving als leerling of deelnemer bij een school of instelling als bedoeld in de artikelen 2, eerste lid, en 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 een van de vrijstellingen van die verplichtingen op grond van de Leerplichtwet 1969 van toepassing is;. een kind van 18 jaar of ouder, doch jonger dan 21 jaar, dat als leerling of deelnemer staat ingeschreven bij een school of instelling als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 of een vervolgstudie volgt;. I J K L 2. De bruto-vakantie-uitkering over de nabestaandenuitkering, bedoeld in artikel 17, tweede lid, wordt zodanig vastgesteld, dat de netto-vakantie-uitkering over de nabestaandenuitkering gelijk is aan 90% van de netto-minimum-vakantiebijslag per maand. M N O P Q R S T U 2. De overlijdensuitkering is gelijk aan het bedrag van de nabestaandenuitkering over één maand, berekend naar de hoogte van die uitkering in de maand van overlijden van degene aan wie nabestaandenuitkering is toegekend. UA Bij de toepassing van de eerste zin blijven de artikelen 17, derde lid, en 25, tweede lid, buiten toepassing. V W WA X WIJZIGING VAN DE ALGEMENE OUDERDOMSWET A 2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de herleiding van gedeelten van kalenderjaren tot gehele kalenderjaren. B 2. In afwijking van het eerste lid ontstaat op of na 1 januari 2015 als gevolg van wijziging van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, geen recht meer op toeslag. C D E Artikel 7, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel III, onderdeel A, van de Wet vereenvoudiging regelingen SVB blijft na de inwerkingtreding van dat artikelonderdeel van toepassing op personen die op die dag op grond van artikel 7 recht hebben op ouderdomspensioen. WIJZIGING VAN DE TOESLAGENWET WIJZIGING VAN DE WET OP HET KINDGEBONDEN BUDGET A 4. Voor een kind dat 12 jaar of ouder is, maar jonger is dan 16 jaar bedraagt de verhoging van het kindgebonden budget € 226. 5. Voor een kind dat 16 of 17 jaar is, bedraagt de verhoging van het kindgebonden budget met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt € 290. AB B Overgangsbepaling aanspraak kindgebonden budget Artikel 2, eerste lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel A, onder 1, van de Wet vereenvoudiging regelingen SVB, blijft van toepassing op een ouder voor het kind voor wie de ouder op de datum van die inwerkingtreding op grond van artikel 7a van de Algemene kinderbijslagwet geen recht op kinderbijslag heeft. WIJZIGING VAN DE WET WERK EN ARBEIDSONDERSTEUNING JONGGEHANDICAPTEN A B WIJZIGING VAN DE WET WERK EN ARBEIDSONDERSTEUNING JONGGEHANDICAPTEN WIJZIGING VAN DE WET WERK EN BIJSTAND A B WIJZIGING VAN DE WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE WERKLOZE WERKNEMERS WIJZIGING VAN DE WET INKOMENSVOORZIENING OUDERE EN GEDEELTELIJK ARBEIDSONGESCHIKTE GEWEZEN ZELFSTANDIGEN WIJZIGING VAN DE ALGEMENE PENSIOENWET POLITIEKE AMBTSDRAGERS A B C D Indien een nabestaande recht heeft op nabestaandenuitkering op grond van artikel 14, eerste lid, onder a, van de Algemene nabestaandenwet, maar geen van de kinderen aan welke de nabestaande het recht op die nabestaandenuitkering ontleent recht heeft op pensioen, wordt uitsluitend uitgegaan van het bedrag van de nabestaandenuitkering, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet. E WIJZIGING VAN DE WET AANPASSING PENSIOENVOORZIENINGEN BIJSTANDKORPS A «algemene nabestaandenuitkering» en «algemene wezenuitkering»: uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet. B C 2. Indien aanspraak bestaat op een algemene nabestaandenuitkering op grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene nabestaandenwet, doch geen van de in evengenoemde bepaling bedoelde kinderen recht heeft op een wezenpensioen, wordt de beperking berekend naar de algemene nabestaandenuitkering die geldt voor degenen op wie artikel 17, tweede lid, van de Algemene nabestaandenwet toepassing vindt. D E F G WIJZIGING VAN DE SAMENLOOPREGELING INDONESISCHE PENSIOENEN 1960 A 3. «algemene nabestaandenuitkering» en «algemene wezenuitkering»: een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet. B C 2. Indien een weduwe recht heeft op een algemene nabestaandenuitkering op grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, van de Algemene nabestaandenwet, doch geen van de in even genoemde bepalingen bedoelde kinderen recht heeft op wezenonderstand, wordt de beperking berekend naar de algemene nabestaandenuitkering, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Algemene nabestaandenwet. D E F G H I J K L WIJZIGING VAN DE WET UITKERINGEN BURGER-OORLOGSSLACHTOFFERS 1940–1945 INWERKINGTREDING 1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, en kunnen terugwerken tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. Bij het vaststellen van het in het eerste lid genoemde tijdstip van inwerkingtreding van artikel II wordt in acht genomen dat dat artikel voor personen die voor de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst recht hebben op een halfwezenuitkering niet eerder in werking treedt dan zes maanden na die datum van uitgifte. CITEERTITEL Deze wet wordt aangehaald als: Wet vereenvoudiging regelingen SVB. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 33 318