Wet van 5 november 2014 tot het wijzigen van een aantal wetten met het oog op de inwerkingtreding van de Jeugdwet (Invoeringswet Jeugdwet)
This provision is a long transitional and amendment section about the Youth Act: it sets who may grant subsidies, who must file or send documents, when courts may authorise out-of-home placement, and how certain data and responsibilities are transferred.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 21 Nov 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
This provision is a long transitional and amendment section about the Youth Act: it sets who may grant subsidies, who must file or send documents, when courts may authorise out-of-home placement, and how certain data and responsibilities are transferred. Some listed bodies may depart from articles 7.2.2 to 7.2.4 for as long as needed in urgent cases; in that situation article 7.2.5 does not apply. The provision also sets commencement rules for article 1.7 and the remaining articles of the Act.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 5 november 2014 tot het wijzigen van een aantal wetten met het oog op de inwerkingtreding van de Jeugdwet (Invoeringswet Jeugdwet)
Showing 2 of 2
- document.segment-1 Verify source ↗
Wet van 5 november 2014 tot het wijzigen van een aantal wetten met het oog op de inwerkingtreding van de Jeugdwet (Invoeringswet Jeugdwet) — segment 1
AI-assisted research summary: This provision is a long transitional and amendment section about the Youth Act: it sets who may grant subsidies, who must file or send documents, when courts may authorise out-of-home placement, and how certain data and responsibilities are transferred.
Staatsblad Wet van 5 november 2014 tot het wijzigen van een aantal wetten met het oog op de inwerkingtreding van de Jeugdwet (Invoeringswet Jeugdwet) Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: WIJZIGING VAN DIVERSE WETTEN A artikel 2.3, eerste lid, voor zover in het besluit wordt bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is, als bedoeld in artikel 6.1.2, vijfde lid artikel 3.5, eerste lid de artikelen 6.1.5, 6.1.6, tweede en derde lid, 6.1.12, vijfde lid, 6.3.1 tot en met 6.3.5, 6.3.7 en 6.4.1 B 7. Tegen een besluit op grond van artikel 2.3 van de Jeugdwet kan beroep worden ingesteld bij de kinderrechter binnen wiens rechtsgebied de betrokken gemeente is gelegen. C artikel 2.3 en paragraaf 8.1. 1. Tot 1 januari 2018 kan de zorgautoriteit subsidies verstrekken voor de voortzetting van projecten die tot doel hebben om de zorginfrastructuur te ontwikkelen of uit te breiden ten aanzien van zorg waarop aanspraak bestaat op grond van een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet, aanspraken op grond van deze wet, maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet en die wordt geleverd aan cliënten die niet in een instelling verblijven. 2. Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden slechts verstrekt voor projecten waarvan de zorgautoriteit voor 1 juli 2013 heeft vastgesteld dat zij in aanmerking komen voor een vergoeding als bedoeld in haar Beleidsregel CA-300-578 (Stcrt. 8 juli 2013, nr. 18614) inzake de zorginfrastructuur. 3. Bij ministeriële regeling wordt bepaald aan wie de subsidies kunnen worden verstrekt, worden regels omtrent de hoogte van de subsidies gesteld en kunnen nadere voorschriften worden gesteld waaronder de subsidies worden verstrekt. 4. In aanvulling op artikel 90, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekering, komen de subsidies, bedoeld in het eerste lid, ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. 1. Tot de intrekking van deze wet maar uiterlijk tot 1 januari 2018 kan de zorgautoriteit: een bijdrage in de kapitaallasten verstrekken aan bij ministeriële regeling aan te wijzen rechtspersonen die voor 1 januari 2012 zorg of diensten, niet zijnde zorg of diensten in het kader van de geestelijke gezondheidszorg, leverden die op grond van deze wet verzekerd waren en ten aanzien waarvan de zorgautoriteit voor laatstgenoemde datum heeft vastgesteld dat zij dan wel hun rechtsopvolgers in aanmerking komen voor een vergoeding van kapitaallasten als bedoeld in haar Beleidsregel CA-300-473 (Stcrt. 11 juli 2011, nr. 12384) inzake kapitaallasten, een bijdrage voor vaste activa verstrekken aan bij ministeriële regeling aan te wijzen rechtspersonen die voor 1 januari 2012 zorg of diensten, niet zijnde zorg of diensten in het kader van de geestelijke gezondheidszorg, leverden die op grond van deze wet verzekerd waren en waaraan de zorgautoriteit voor laatstgenoemde datum op grond van de Beleidsregel CA-300-493 (Stcrt. 16 augustus 2011, nr. 14267) een vergoeding heeft toegekend, dan wel aan hun rechtsopvolgers. 2. Tot de intrekking van deze wet maar uiterlijk tot 1 januari 2018 kan de zorgautoriteit: een bijdrage in de kapitaallasten verstrekken aan bij ministeriële regeling aan te wijzen rechtspersonen die voor 1 januari 2008 zorg of diensten in het kader van de geestelijke gezondheidszorg leverden die op grond van deze wet verzekerd waren en waaraan de zorgautoriteit voor laatstgenoemde datum op grond van de Beleidsregel CA-300-473 (Stcrt. 11 juli 2011, nr. 12384) inzake kapitaallasten een budget kapitaallasten heeft toegekend, dan wel aan hun rechtsopvolgers, een bijdrage voor vaste activa verstrekken aan bij ministeriële regeling aan te wijzen rechtspersonen die voor 1 januari 2008 zorg of diensten in het kader van de geestelijke gezondheidszorg leverden die op grond van deze wet verzekerd waren en ten aanzien waarvan de zorgautoriteit voor laatstgenoemde datum heeft vastgesteld dat zij dan wel hun rechtsopvolgers in aanmerking komen voor een vergoeding als bedoeld in haar Beleidsregel CA-300-493 (Stcrt. 16 augustus 2011, nr. 14267) inzake compensatie vaste activa AWBZ en GGZ in verband met invoering normatieve huisvestingscomponent. 3. De bijdragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen slechts worden verstrekt aan rechtspersonen die onmiddellijk voorafgaande aan 1 januari 2015 verblijf met daarmee gepaard gaande zorg als bedoeld in deze wet verleenden en de desbetreffende zorg vanaf die datum in opdracht van een of meer colleges van burgemeester en wethouders als maatwerkvoorziening als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of als jeugdhulp als bedoeld in de Jeugdwet verlenen. 4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de hoogte en de berekening van de bijdragen en worden nadere voorschriften gesteld waaronder de bijdragen worden verstrekt. 5. In aanvulling op artikel 90, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekering komen de bijdragen, bedoeld in dit het eerste en tweede lid, ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. A B inspectie, bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, van de Jeugdwet; gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;. C Hetgeen bij en krachtens de artikelen 4.1.1, tweede lid, eerste volzin, juncto 4.1.5, eerste lid, van de Jeugdwet is bepaald ten aanzien van jeugdhulpaanbieders, is voor wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling van overeenkomstige toepassing op particuliere inrichtingen. D E F G H I J A B C D E F Onder pleegkind wordt in dit verband verstaan: een minderjarige die bij anderen dan zijn ouders, voogd of bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad wordt verzorgd en opgevoed, met dien verstande, dat daaronder niet is begrepen: een minderjarige, op wiens verzorging en opvoeding krachtens de bepalingen van een andere wet toezicht wordt uitgeoefend door anderen dan zijn ouders of voogd; een minderjarige, die verzorgd en opgevoed wordt in een inrichting, welke, wat betreft de verzorging en opvoeding van de daarin verblijvende minderjarigen, aan toezicht krachtens de bepalingen van een andere wet is onderworpen. G H 1. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. 2. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of op verzoek van het openbaar ministerie. De raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie legt bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, het besluit van het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet over. 3. De kinderrechter kan in afwijking van het tweede lid een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen zonder dat het college van burgemeester en wethouders een daartoe strekkend besluit heeft genomen, indien het belang van het kind dit vergt. 4. Voor opneming en verblijf als bedoeld in artikel 6.1.2, eerste lid, of 6.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet is geen machtiging als bedoeld in het eerste lid vereist, doch een machtiging als bedoeld in genoemde artikelleden. Deze machtiging geldt voor de toepassing van de artikelen 258, derde lid, 268, tweede lid, 269, eerste lid, onder d, en 327, eerste lid, onder g, als een machtiging als bedoeld in het eerste lid. I 2. De gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet die een verzoek indient of wordt opgeroepen, zendt bij het verzoekschrift of onverwijld na de oproep, het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet en een verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling aan de kinderrechter. J K L M 2. Hetzelfde geldt, indien met toepassing van paragraaf 8.2 van de Jeugdwet een ouderbijdrage is vastgesteld. Jeugdwet. Jeugdwet. A B bestuursleden, leden van een raad van toezicht, medewerkers of personeelsleden van een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, bij de uitvoering van de jeugdreclassering, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; personen die werkzaam zijn bij of deel uitmaken van een instantie die toezicht houdt op de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende of vrijheidsbeperkende straffen of maatregelen of op de uitvoering van de jeugdreclassering, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; een pleegkind dat blijkens de basisregistratie personen op hetzelfde adres woont als de werknemer en dat hij als pleegouder als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet verzorgt;. A B C Onze Minister geeft jaarlijks voor 1 september, nadat hij daarover met het Bureau heeft overlegd, het bedrag van de subsidie aan dat in het daarop volgende kalenderjaar aan het Bureau zal worden verstrekt en neemt dit bedrag op in het voorstel van wet tot vaststelling van de begroting van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. D E indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; A 6. Hetgeen bij en krachtens de artikelen 4.1.1, tweede lid, eerste volzin, juncto 4.1.5, eerste lid, van de Jeugdwet is bepaald ten aanzien van jeugdhulpaanbieders, is voor wat betreft de verantwoordelijkheidstoedeling van overeenkomstige toepassing op Halt-bureaus. B ONDERTOEZICHTSTELLING EN (VOORLOPIGE) VOOGDIJ MINDERJARIGE VREEMDELINGEN 1. Onze Minister kan aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 254, tweede lid, en aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, subsidie verstrekken ten behoeve van de kosten van de uitoefening van de in die bepalingen en in artikel 241, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde taken, bijzondere door Onze Minister aan te geven kosten daaronder begrepen. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het verlenen van deze subsidie. A B C D A B C D E F G H iedere calamiteit die bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 4.1.1, tweede en derde lid, heeft plaatsgevonden, en geweld bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 4.1.1, tweede en derde lid. I 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de taken en bevoegdheden van vertrouwenspersonen en de verplichtingen van het AMHK. J K L M 1. Het AMHK is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens ten behoeve van de goede vervulling van de taken, bedoeld in 4.1.1, tweede en derde lid. Het AMHK is de verantwoordelijke voor deze verwerking. 2. Het AMHK is bevoegd zonder toestemming van degene die het betreft persoonsgegevens, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid, huiselijk geweld of kindermishandeling, te verwerken van personen die betrokken zijn bij huiselijk geweld of kindermishandeling, indien uit een melding redelijkerwijs een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling kan worden afgeleid en de verwerking noodzakelijk is te achten voor de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 4.1.1, tweede lid. N O P Q R S T 8. Het eerste tot en met zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een persoon die in het buitenland woont of verblijft en die in geval van behoefte aan zorg hetzij krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, hetzij met toepassing van een verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel met toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid aanspraak heeft op zorg als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onderdelen a, b, d of e, of vergoeding van de kosten daarvan, met dien verstande dat: voor de overeenkomstige toepassing van het eerste, derde en vierde lid in plaats van «verzekerde» telkens wordt gelezen: persoon; voor de overeenkomstige toepassing van het eerste tot en met vierde lid in plaats van «het college van de gemeente waarvan hij ingezetene is» telkens wordt gelezen: het Zorginstituut Nederland; en voor de overeenkomstige toepassing van het vijfde en zesde lid in plaats van «het college» telkens wordt gelezen: het Zorginstituut Nederland. 9. De vergoedingen en uitkeringen, bedoeld in het zesde en zevende lid, komen ten laste van het Algemene Fonds Bijzondere Ziektekosten. U Artikel 2.3.5, zesde lid, geldt in 2015 niet voor daar bedoelde cliënten: die thuis wonen en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel of een woningaanpassing hebben aangevraagd; die zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd. Gecertificeerde instellingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. De in Nederland gevestigde rechtspersoonlijkheid bezittende jeugdhulpaanbieders, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, behoudens de instellingen die tevens zijn toegelaten op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen. De rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid, bedoeld in artikel 2.6, tweede lid, van de Jeugdwet die de vertrouwenspersoon, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, beschikbaar stellen, behoudens de instellingen die tevens zijn toegelaten op grond van artikel 5 van de Wet toelating zorginstellingen. het CAK, bedoeld in artikel 48 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten A B C D WIJZIGING VAN DE JEUGDWET A de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van deze wet: is bepaald dat de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, waarvan de verlening was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, noodzakelijk is; vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar is bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, of is bepaald dat na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is; machtiging, bedoeld in artikel 6.1.2;. ingeval de jeugdige de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt: de woonplaats van de jeugdige, bedoeld in artikel 10 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. B C D E F de jeugdhulp inzet die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of die noodzakelijk is in verband met de tenuitvoerlegging van een machtiging tot uithuisplaatsing als bedoeld in artikel 265b van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de jeugdhulp inzet die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. G 3. Hetgeen in artikel 4.1.6, eerste, tweede, derde lid en vijfde lid, is bepaald ten aanzien van de jeugdhulpaanbieder is van overeenkomstige toepassing op het college, voor zover het betreft personen die onder verantwoordelijkheid van het college werkzaamheden verrichten met betrekking tot de toeleiding naar, advisering over, de bepaling en het inzetten van de aangewezen voorziening. H I J de vergoeding die is verschuldigd in verband met de kosten voor de behandeling van een aanvraag van een certificaat of voorlopig certificaat;. de controle door de certificerende instelling van de gecertificeerde instellingen, en de vergoeding die de gecertificeerde instelling is verschuldigd in verband met de kosten voor de controle door de certificerende instelling. K L M N Na 6. Titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op klachten als bedoeld in dit artikel. O P Q 3. Deze paragraaf is niet van toepassing op een gecertificeerde instelling die tevens een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aanvaarde rechtspersoon is als bedoeld in de artikelen 254, tweede lid, en 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. R S Sa 3. Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verslag en kan worden bepaald dat het eerste lid, dan wel onderdelen van het tweede lid, niet van toepassing zijn op jeugdhulpaanbieders als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel 2°. T de pleegouder beschikt over een verklaring van geen bezwaar die is afgegeven door de raad voor de kinderbescherming, waaruit blijkt dat er geen bezwarende feiten en omstandigheden zijn voor de plaatsing van een jeugdige. Deze voorwaarde is van overeenkomstige toepassing op alle personen van twaalf jaar en ouder die als inwonenden op het adres van de pleegouder staan ingeschreven. De verklaring is vereist voorafgaand aan de plaatsing van een eerste jeugdige, bij een wisseling van pleegzorgaanbieder, bij de komst van nieuwe inwonenden en indien de pleegouder gedurende twee jaren geen pleegouder is geweest. U V W X Xa 9. De rechter geeft slechts toepassing aan het eerste lid, indien de jeugdige zich bereid heeft verklaard tot naleving van de voorwaarden of redelijkerwijs is aan te nemen dat de voorwaarden zullen worden nageleefd. Xb Y 1. Een verzoek gericht op het verkrijgen van een machtiging, een spoedmachtiging of een voorwaardelijke machtiging wordt ingediend door het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. 2. In afwijking van het eerste lid wordt het verzoek, indien het betrekking heeft op een minderjarige die een kinderbeschermingsmaatregel heeft opgelegd gekregen of ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel wordt verzocht, ingediend door de raad voor de kinderbescherming of door de officier van justitie. Ingeval een gecertificeerde instelling de kinderbeschermingsmaatregel uitvoert, kan ook deze instelling het verzoek doen. Z 1. Het college, de raad voor de kinderbescherming, de gecertificeerde instelling, dan wel de officier van justitie legt bij een verzoek als bedoeld in artikel 6.1.8, eerste en tweede lid, een afschrift van het besluit, bedoeld in artikel 6.1.2, vijfde lid, alsmede van de verklaring, bedoeld in artikel 6.1.2, zesde lid, over. AA BB CC DD EE FF 8. Titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op klachten als bedoeld in dit artikel. GG HH II JJ het burgerservicenummer is verkregen uit de basisregistratie personen. KK KKa Ten behoeve van de verantwoordelijkheid, bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.4, tweede lid, kan Onze Minister van Veiligheid en Justitie aan een door het college aangewezen ambtenaar of aan een door het college aangewezen en onder zijn verantwoordelijkheid werkzame functionaris het burgerservicenummer verstrekken van een jeugdige ten aanzien van wie in het kader van een strafrechtelijke beslissing is bepaald dat hij in aanmerking komt voor een vorm van jeugdhulp of jeugdreclassering. LL MM NN OO PP QQ 3. Indien het college een beslissing aangaande een persoonsgebonden budget met toepassing van het eerste lid, onderdeel a, heeft herzien dan wel ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget invorderen. RR 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de Sociale verzekeringsbank de taak, bedoeld in het eerste lid, uitvoert. RRa SS SSa 2. Het college doet onverwijld schriftelijk mededeling aan het bestuursorgaan dat door Onze Ministers met de vaststelling en de inning is belast van de aanvang, de wijziging en de beëindiging van jeugdhulp waarvoor een ouderbijdrage is verschuldigd. Deze mededeling bevat de gegevens die nodig zijn voor de vaststelling van de bijdrage. Onze Ministers kunnen regels stellen over de wijze waarop deze mededeling wordt gedaan. 3. Het bestuursorgaan dat met de vaststelling en de inning is belast kan de ouderbijdrage invorderen bij dwangbevel. Voor de toepassing van deze wet kan het bestuursorgaan executoriaal beslag onder derden leggen door van het dwangbevel in afschrift mededeling te doen aan de derde-beslagene. Artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing. 4. De bijdrageplichtige kan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel in verzet komen bij de rechtbank. Het verzet vangt aan met een dagvaarding door de bijdrageplichtige als eiser aan degene die het dwangbevel heeft uitgevaardigd als gedaagde. Het verzet schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel voor zover deze door het verzet wordt bestreden. Het verzet kan niet zijn gegrond op de stelling dat de mededeling dat de ouderbijdrage is opgelegd of de aanmaning ter zake niet is ontvangen. Bovendien kan het verzet niet zijn gegrond op de stelling dat de ouderbijdrage ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld. TT TTa UU VV 6. Indien een organisatie van beoefenaren van een beroep op het terrein van de jeugdhulp, van de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, de advies- en meldpunten huiselijk geweld en kindermishandeling, de raad voor de kinderbescherming, inrichtingen als bedoeld in artikel 1 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of Halt-bureaus als bedoeld in artikel 48f van de Wet Justitie-subsidies een systeem van tuchtrecht heeft georganiseerd, kunnen Onze Ministers de ingevolge artikel 9.2 met het toezicht belaste ambtenaren bevoegd verklaren in het kader van dat systeem een tuchtklacht in te dienen. WW XX YY ZZ ZZa 1. In dit artikel wordt verstaan onder: een buiten Nederland woonachtige persoon die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt en die hetzij op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 5, eerste lid, onder b, dan wel vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten verzekerd is en op die dag aanspraak heeft op een vergoeding ter zake van de kosten van zorg waarop op die dag aanspraak bestond op grond van artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, hetzij bij het Zorginstituut staat geregistreerd als een in het buitenland wonend persoon die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan zorg recht heeft op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland; zorg als bedoeld in de artikelen 10.1 en 10.2 waarvan de aanspraak op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de Zorgverzekeringswet ten gevolge van de inwerkingtreding van artikel 11.7 wet komt te vervallen en die na inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet als jeugdhulp kan worden aangemerkt; Zorginstituut Nederland, bedoeld in artikel 58 van de Zorgverzekeringswet. 2. Personen en instellingen die ter zake van de zorg een vordering hebben op een jeugdige die aanspraak heeft op gehele of gedeeltelijke vergoeding van de kosten van die zorg, dan wel de betreffende jeugdige, zenden de nota ter vergoeding aan het Zorginstituut. 3. Het Zorginstituut kan een rechtspersoon mandaat en volmacht verlenen om namens hem besluiten te nemen of werkzaamheden te verrichten die verband houden met het verlenen van vergoedingen als bedoeld in het tweede lid. 4. De vergoedingen, bedoeld in het tweede lid, komen ten laste van het Zorgverzekeringsfonds en het Algemene Fonds Bijzondere Ziektekosten. ZZb 6. Indien de verschuldigdheid van een ouderbijdrage onderdeel uitmaakt van de rechten en verplichtingen als bedoeld in het tweede lid, verstrekt het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen aan het bestuursorgaan dat met de vaststelling en de inning van de ouderbijdrage is belast, ten behoeve van de goede uitvoering van de taak van dat bestuursorgaan, alsmede aan de gemeente waar de jeugdige als bedoeld in deze wet zijn woonplaats heeft en op wie het indicatiebesluit als bedoeld in het tweede lid betrekking heeft, een afschrift van de in artikel 12, derde volzin, van de Wet op de jeugdzorg bedoelde formulieren. AAA AAAa 1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, die is ingediend voor de inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet, wordt in de stand van behandeling waarin deze zich bevindt door de stichting, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg, zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet, uiterlijk op de dag voor de inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet overgedragen aan het college van de gemeente waarbinnen de jeugdige zijn woonplaats heeft, teneinde het college in de gelegenheid te stellen op grond van deze wet over de aanvraag een beslissing te nemen. 2. Een aanvraag van een jeugdige, die tevens verzekerde is in de zin van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten voor zorg waarvan de aanspraak op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten ten gevolge van de inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet komt te vervallen en die na inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet als jeugdhulp kan worden aangemerkt waarvoor het college is gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen, die is ingediend voor de inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet, wordt binnen twee weken na de inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet in de stand waarin het zich bevindt, door het daartoe bevoegde indicatieorgaan, de stichting, bedoeld in artikel 9b, eerste en vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, dan wel door de door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen persoon als bedoeld in artikel 53 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, overgedragen aan het college van de gemeente waarbinnen de jeugdige zijn woonplaats heeft, teneinde het college in de gelegenheid te stellen op grond van deze wet over de aanvraag een beslissing te nemen. 3. Een aanvraag van een jeugdige, die tevens verzekerde is in de zin van Zorgverzekeringswet voor zorg waarvan de aanspraak op grond van de Zorgverzekeringswet ten gevolge van de inwerkingtreding van deze wet komt te vervallen en die na inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet als jeugdhulp kan worden aangemerkt waarvoor het college is gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen, die is ingediend voor de inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet, wordt binnen twee weken na de inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet in de stand waarin het zich bevindt, door de stichting, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg, zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, overgedragen aan het college van de gemeente waarbinnen de jeugdige zijn woonplaats heeft, teneinde het college in de gelegenheid te stellen op grond van deze wet over de aanvraag een beslissing te nemen. 4. Het in het tweede lid bedoelde bevoegde indicatieorgaan of stichting dan wel de door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen persoon, alsmede de in het derde lid bedoelde stichting, zenden binnen twee weken na de dag waarop artikel 11.7 van deze wet in werking treedt aan het college de persoonsgegevens van de verzekerde, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak, bedoeld in het tweede en derde lid. 5. Het college is bevoegd tot het verwerken van de persoonsgegevens die overeenkomstig het vierde lid aan hem zijn verstrekt, voor zover dat noodzakelijk is om op de aanvraag te beslissen. BBB 1. In dit artikel en in de artikelen 10.7 en 10.11 wordt verstaan onder bureau jeugdzorg: stichting die een bureau jeugdzorg onder de Wet op de jeugdzorg in stand hield, zoals die wet luidde tot de inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid. 2. Voogdij en voorlopige voogdij, uitgeoefend door een bureau jeugdzorg of gemandateerd aan een instelling met een landelijk bereik die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, is gecertificeerd, berust met ingang van dat tijdstip bij die gecertificeerde instelling. 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot ondertoezichtstelling, voorlopige ondertoezichtstelling en jeugdreclassering. 1. Voogdij of voorlopige voogdij, uitgeoefend door een bureau jeugdzorg of gemandateerd aan een instelling met een landelijk bereik die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, niet is gecertificeerd, blijft met ingang van dat tijdstip, doch voor ten hoogste een jaar nadien, uitgeoefend worden door dat bureau jeugdzorg of door die gemandateerde instelling met een landelijk bereik. 2. Ondertoezichtstelling en voorlopige ondertoezichtstelling, opgedragen aan een bureau jeugdzorg of gemandateerd aan een instelling met een landelijk bereik die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, niet is gecertificeerd, blijft met ingang van dat tijdstip en totdat de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling of een ondertoezichtstelling heeft uitgesproken, uitgevoerd worden door dat bureau jeugdzorg of door die gemandateerde instelling met een landelijk bereik. 3. Jeugdreclassering, uitgeoefend door een bureau jeugdzorg of gemandateerd aan een instelling met een landelijk bereik die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, niet is gecertificeerd, blijft met ingang van dat tijdstip, doch voor ten hoogste een jaar nadien, uitgeoefend worden door dat bureau jeugdzorg of door die gemandateerde instelling met een landelijk bereik. 1. Voogdij, voorlopige voogdij of tijdelijke voogdij, uitgeoefend door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, als een gecertificeerde instelling wordt aangemerkt, berust met ingang van dat tijdstip bij die gecertificeerde instelling. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de taken van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. 1. Voogdij, voorlopige voogdij of tijdelijke voogdij uitgeoefend door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, niet als een gecertificeerde instelling wordt aangemerkt, blijft met ingang van dat tijdstip, doch voor ten hoogste een jaar nadien opgedragen aan de rechtspersoon. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de taken van de in artikel 254, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtspersoon. In afwijking van artikel 3.2, tweede lid, kan een gemandateerde instelling met een landelijk bereik ook jeugdhulp aanbieden voor ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid. In het kalenderjaar waarin artikel 11.7, eerste lid, in werking treedt, besteden de colleges van de bij regeling van Onze Ministers aangewezen gemeenten bij het in die regeling aangewezen bureau jeugdzorg of zijn rechtsopvolger minimaal tachtig procent van het budget dat door de provincie in 2014 is verstrekt aan dat bureau jeugdzorg met het oog op de uitvoering van zijn wettelijke taken. 1. Het bestuursorgaan dat op grond van artikel 8.2.3, eerste lid, van deze wet met de vaststelling en inning van ouderbijdragen is belast, stelt een persoon aan die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.7 van deze wet als ambtenaar in de zin van artikel 1 van de Ambtenarenwet bij het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen, bedoeld in artikel 73 van de Wet op de jeugdzorg, in dienst is en die is belast met het vaststellen en innen van ouderbijdragen en in verband met die inwerkingtreding naar het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 8.2.3, overgaat. 2. Op een persoon als bedoeld in het eerste lid, zijn de rechtspositieregels die gelden voor de ambtenaren die zijn aangesteld bij ministeries, van overeenkomstige toepassing. De in die regels neergelegde bevoegdheden, met uitzondering van de aan Ons dan wel de aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties toegekende bevoegdheden tot het stellen van regels worden uitgeoefend door het bestuursorgaan dat op grond van artikel 8.2.3, eerste lid, van deze wet met de vaststelling en inning van ouderbijdragen is belast. Voor zover in die regels is bepaald dat bevoegdheden worden uitgeoefend met medebetrokkenheid van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, worden deze bevoegdheden uitgeoefend met medebetrokkenheid van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. CCC DDD 3. Deze wet is niet van toepassing op een zorgaanbieder voor zover deze jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet aanbiedt. EEE FFF Het derde lid wordt vervangen door: Indien de veroordeelde onder toezicht is gesteld ingevolge artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die met dit toezicht is belast, opdracht geven op de naleving van de voorwaarden toe te zien en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. I de jeugdhulpaanbieder, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, in zoverre hij handelt overeenkomstig de Jeugdwet. GGG 1. De Wet op de jeugdzorg wordt ingetrokken, met dien verstande dat: zij van toepassing blijft op de financiële verantwoording, vaststelling, uitbetaling van op grond van die wet verleende subsidies en uitkeringen en op de vaststelling en inning op grond van die wet van de ouderbijdragen, en hoofdstuk VII van de Wet op de jeugdzorg van toepassing blijft op het verstrekken en verwerken van gegevens die betrekking hebben op het laatste kalenderjaar voor die intrekking. Indien het een besluit betreft dat is genomen door een stichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg, treedt het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft in de plaats van die stichting. HHH 1. Indien een gecertificeerde instelling geheel of ten dele is gevormd uit een stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, gaan de verplichtingen die ingevolge de Archiefwet 1995 en de artikelen 55 en 56 van de Wet op de jeugdzorg op die stichting rusten over op de gecertificeerde instelling, behoudens het bepaalde in het vijfde lid. Onder stichting wordt in dit artikel mede verstaan een gemandateerde instelling met een landelijk bereik. 2. Indien een of meer gecertificeerde instellingen zijn gevormd uit een of meer stichtingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, treffen zij gezamenlijk een regeling ten aanzien van de in het eerste lid bedoelde verplichtingen onderscheidenlijk een voorziening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Archiefwet 1995. 3. Een regeling of voorziening als in het tweede lid bedoeld strekt ertoe dat alle verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, worden belegd. 4. Indien uit een stichting geen gecertificeerde instelling wordt gevormd, treft de stichting een regeling onderscheidenlijk voorziening met een of meer gecertificeerde instellingen of gemeenten, behoudens het bepaalde in het vijfde lid. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 5. Indien een taak of bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 5 tot en met artikel 11 van de Wet op de jeugdzorg die werd uitgevoerd door een stichting, wordt uitgevoerd door een ander dan een gecertificeerde instelling, gaan de met die taak of bevoegdheid samenhangende verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, over op die ander. 6. De in het vijfde lid bedoelde verplichtingen gaan in ieder geval over voor zover het betreft bescheiden met betrekking tot: een cliënt ten behoeve van wie de stichting na 1 januari 2013 een besluit heeft genomen waarbij is vastgesteld dat die cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg; een cliënt die een aanvraag voor zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg heeft ingediend waarover op de datum van inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, van deze wet nog geen besluit is genomen; de taken als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg, uitgevoerd na 1 januari 2013, voor zover deze bescheiden zijn te herleiden tot een te identificeren jeugdige of zijn ouders. 7. Overdracht van bescheiden ingevolge dit artikel geschiedt in goede, geordende en toegankelijke staat. Hiervan maakt de overdragende partij een verklaring van vervreemding op. HHHa 1. Archiefbescheiden en de daarmee samenhangende verplichtingen, bedoeld in de Archiefwet 1995, met betrekking tot zorg waarvoor een aanvraag als bedoeld in artikel 10.4a, tweede lid, is ingediend bij een indicatieorgaan als bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en waarover op de datum van inwerkingtreding van artikel 11.7 nog geen besluit is genomen, worden door dat indicatieorgaan overgedragen aan het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft en dat gehouden is een voorziening op grond van deze wet te treffen. 2. Voor zover de archiefbescheiden, bedoeld in het eerste lid, zorg betreffen waarvoor op de datum van inwerkingtreding van artikel 11.7 een indicatiebesluit is afgegeven, is het indicatieorgaan, bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, zorgdrager als bedoeld in artikel 1 van de Archiefwet 1995 voor zover de archiefbescheiden niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats. 3. Het indicatieorgaan, bedoeld in het tweede lid, draagt na ontvangst van een daartoe strekkende kennisgeving door het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, de archiefbescheiden binnen vier weken over aan het college, voor rekening en risico van dat college, indien het zorg betreft waarvoor dat college is gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen en deze bescheiden daartoe noodzakelijk zijn, teneinde dit college in de gelegenheid te stellen deze te kopiëren. Het college geeft de archiefbescheiden binnen vier weken na ontvangst terug. HHHb 3. Ten behoeve van de uitvoering van het eerste lid en van artikel 2.6, eerste lid, onder a, sluiten de colleges ten behoeve van het jaar 2015 met door Onze Ministers aan te wijzen organisaties die een cruciale functie op het gebied van jeugdhulp vervullen en die voor de continuïteit van hun te leveren voorzieningen afhankelijk zijn van een groot aantal gemeenten, tijdig doch in ieder geval voor 1 november 2014 overeenkomsten waarin ter waarborging van de continuïteit van de verlening van jeugdhulp en het behoud van de daarvoor noodzakelijke infrastructuur afspraken zijn gemaakt over: het budget; de bevoorschotting, en de te hanteren tarieven. III WIJZIGINGEN IN VERBAND MET WETSVOORSTELLEN EN NOG NIET IN WERKING GETREDEN WETTEN A B A het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de leerling zijn woonplaats heeft als bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet. B A voogdij en voorlopige voogdij op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 255, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en voorlopige ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 257, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; B 3. Deze paragraaf is niet van toepassing op een gecertificeerde instelling die tevens een door Onze Minister van Veiligheid en Justitie aanvaarde rechtspersoon is als bedoeld in de artikelen 256, eerste lid, en 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. C D E 4. Derden die beroepshalve beschikken over inlichtingen inzake feiten en omstandigheden die de persoon van een onder toezicht gestelde minderjarige, diens verzorging en opvoeding of de persoon van een ouder of voogd betreffen, welke inlichtingen noodzakelijk kunnen worden geacht voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, verstrekken de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert, deze inlichtingen desgevraagd of uit eigen beweging, zonder toestemming van de betrokkenen en indien nodig met doorbreking van de plicht tot geheimhouding op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van hun ambt of beroep. 5. Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van het dossier, de wijze waarop de verwerking van gegevens door en de uitwisseling van gegevens tussen het college, de jeugdhulpaanbieders, de gecertificeerde instellingen en de raad voor de kinderbescherming plaatsvindt en de wijze waarop de verwerking en uitwisseling van gegevens als bedoeld in het vierde lid plaatsvinden. Daarbij kan worden bepaald welke maatregelen moeten worden getroffen om te waarborgen dat de uitwisseling van gegevens veilig en zorgvuldig plaatsvindt. F A B ONDERTOEZICHTSTELLING EN (VOORLOPIGE) VOOGDIJ MINDERJARIGE VREEMDELINGEN 1. Onze Minister kan aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 256, en aan een rechtspersoon als bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, subsidie verstrekken ten behoeve van de kosten van de uitoefening van de in die bepalingen en in artikel 241, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde taken, bijzondere door Onze Minister aan te geven kosten daaronder begrepen. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het verlenen van deze subsidie. C D 1. Voogdij, voorlopige voogdij of tijdelijke voogdij, uitgeoefend door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, als een gecertificeerde instelling wordt aangemerkt, berust met ingang van dat tijdstip bij die gecertificeerde instelling. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de taken van de rechtspersoon, bedoeld in artikel 256, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. 1. Voogdij, voorlopige voogdij of tijdelijke voogdij uitgeoefend door de rechtspersoon, bedoeld in artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 11.7, eerste lid, niet als een gecertificeerde instelling wordt aangemerkt, blijft met ingang van dat tijdstip, doch voor ten hoogste een jaar nadien opgedragen aan de rechtspersoon. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de taken van de in artikel 256, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde rechtspersoon. E A B C D E F G Ga Onder pleegkind wordt in dit verband verstaan: een minderjarige die bij anderen dan zijn ouders, voogd of bloed- en aanverwanten tot en met de derde graad wordt verzorgd en opgevoed, met dien verstande, dat daaronder niet is begrepen: een minderjarige, op wiens verzorging en opvoeding krachtens de bepalingen van een andere wet toezicht wordt uitgeoefend door anderen dan zijn ouders of voogd; een minderjarige, die verzorgd en opgevoed wordt in een inrichting, welke, wat betreft de verzorging en opvoeding van de daarin verblijvende minderjarigen, aan toezicht krachtens de bepalingen van een andere wet is onderworpen. H In deze afdeling wordt verstaan onder gecertificeerde instelling: gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. I J 3. Indien de raad niet tot indiening van een verzoek tot ondertoezichtstelling overgaat nadat hij een verzoek tot onderzoek als bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, van de Jeugdwet heeft ontvangen, deelt hij dit schriftelijk mee aan het college van burgemeester en wethouders dat het verzoek heeft gedaan. De burgemeester kan na ontvangst van die mededeling de raad voor de kinderbescherming verzoeken het oordeel van de kinderrechter te vragen of het noodzakelijk is de minderjarige onder toezicht te stellen van een gecertificeerde instelling. De raad voor de kinderbescherming die van de burgemeester zodanig verzoek ontvangt, vraagt binnen twee weken na de dagtekening van dat verzoek het oordeel van de kinderrechter of een ondertoezichtstelling van de minderjarige moet volgen. In dat geval kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling ambtshalve uitspreken. K L De kinderrechter kan de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling, op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, de raad voor de kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder. M N 1. Indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. 2. De machtiging kan eveneens worden verleend op verzoek van de raad voor de kinderbescherming of op verzoek van het openbaar ministerie. De raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie legt bij het verzoek, bedoeld in het eerste lid, het besluit van het college van burgemeester en wethouders, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet over. 3. De kinderrechter kan in afwijking van het tweede lid een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen zonder dat het college van burgemeester en wethouders een daartoe strekkend besluit heeft genomen, indien het belang van het kind dit vergt. 4. Voor opneming en verblijf als bedoeld in artikel 6.1.2, eerste lid, of 6.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet is geen machtiging als bedoeld in het eerste lid vereist, doch een machtiging als bedoeld in genoemde artikelleden. Deze machtiging geldt voor de toepassing van artikel 265a als een machtiging als bedoeld in het eerste lid. O P Q R S 2. Hetzelfde geldt, indien met toepassing van paragraaf 8.2 van de Jeugdwet een ouderbijdrage is vastgesteld. 1. In het eerste lid wordt »artikel 255, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek» vervangen door: de artikelen 255, eerste lid, en 260, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek; A Verwerking van persoonsgegevens 1. Het bestuursorgaan dat met de vaststelling en de inning van de ouderbijdrage, bedoeld in artikel 8.2.3, is belast is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de jeugdige en zijn ouders, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid die noodzakelijk zijn voor de vaststelling en de inning van een bijdrage, voor zover deze op rechtmatige wijze zijn verkregen en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taak ingevolge deze wet. 2. Het bestuursorgaan is de verantwoordelijke voor de verwerking, bedoeld in het eerste lid. 1. De Sociale verzekeringsbank is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens van de jeugdige en zijn ouders, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid die noodzakelijk zijn voor het verrichten van betalingen en het budgetbeheer, bedoeld in artikel 8.1.8, voor zover deze op rechtmatige wijze zijn verkregen en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van zijn taak ingevolge deze wet. 2. De Sociale verzekeringsbank is de verantwoordelijke voor de verwerking, bedoeld in het eerste lid. 1. Op het bestuursorgaan dat met de vaststelling en de inning van de ouderbijdrage, bedoeld in artikel 8.2.3, is belast en op de Sociale verzekeringsbank, zijn de artikelen 7.2.1 tot en met 7.2.5 van toepassing. 2. - document.segment-2 Verify source ↗
Wet van 5 november 2014 tot het wijzigen van een aantal wetten met het oog op de inwerkingtreding van de Jeugdwet (Invoeringswet Jeugdwet) — segment 2
AI-assisted research summary: Some listed bodies may depart from articles 7.2.2 to 7.2.4 for as long as needed in urgent cases; in that situation article 7.2.5 does not apply. The provision also sets commencement rules for article 1.7 and the remaining articles of the Act.
De in het eerste lid bedoelde instanties kunnen van de artikelen 7.2.2 tot en met 7.2.4 afwijken voor zolang dit noodzakelijk is met betrekking tot spoedeisende gevallen. In zodanig geval is artikel 7.2.5 niet van toepassing. Op het bestuursorgaan dat met de vaststelling en de inning van de ouderbijdrage, bedoeld in artikel 8.2.3, is belast en op de Sociale verzekeringsbank: zijn de artikelen 5.3.2 tot en met 5.3.5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 van overeenkomstige toepassing; is artikel 7.3.12 van toepassing. B OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 1.7 treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. De overige artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet Jeugdwet. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 33 983
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 5 november 2014 tot het wijzigen van een aantal wetten met het oog op de inwerkingtreding van de Jeugdwet (Invoeringswet Jeugdwet)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in