Wet van 2 oktober 2024, houdende wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Verzamelwet VWS 2023)
This text contains rules that restrict certain sales and activities in hospitality premises, with narrow exceptions, plus separate rules on supervision, confidentiality, licensing, and health-care reimbursement administration.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 18 Oct 2024
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 2 oktober 2024, houdende wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Verzamelwet VWS 2023)
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Wet van 2 oktober 2024, houdende wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Verzamelwet VWS 2023)
AI-assisted research summary: This text contains rules that restrict certain sales and activities in hospitality premises, with narrow exceptions, plus separate rules on supervision, confidentiality, licensing, and health-care reimbursement administration.
Staatsblad Wet van 2 oktober 2024, houdende wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Verzamelwet VWS 2023) Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: A B 2. Het is verboden een horecalokaliteit of een terras tevens in gebruik te hebben voor het uitoefenen van de kleinhandel of zelfbedieningsgroothandel of het uitoefenen van een van de in het derde lid genoemde activiteiten, dan wel toe te laten dat daarin zodanige handel wordt of zodanige activiteiten worden uitgeoefend, tenzij het betreft: de verkoop van etenswaren die voor consumptie gereed zijn; of oorpluggen, -dopjes of -stopjes die in de gehoorgang kunnen worden geplaatst ter bescherming van het gehoor. C 2. Het in het eerste lid bedoelde verbod op de uitoefening van de kleinhandel is niet van toepassing op de kleinhandel in: condooms en damesverband; oorpluggen, -dopjes of -stopjes die in de gehoorgang kunnen worden geplaatst ter bescherming van het gehoor. Ca 3. In afwijking van het eerste lid zijn met het toezicht op naleving van het verbod, bedoeld in de artikelen 14, tweede lid, en 15, eerste lid, voor zover het tabaksproducten en aanverwante producten in de zin van de Tabaks- en rookwarenwet betreft, de op grond van artikel 13 van die Wet aangewezen ambtenaren of andere personen belast. D E 1. Indien de tot een inrichting behorende lokaliteiten die op 30 september 1967 in gebruik waren voor de verstrekking van alcoholhoudende drank in de uitoefening van het horecabedrijf of slijtersbedrijf, toen wel voldeden aan de ingevolge de Drankwet (Stb. 1931, 476) met betrekking tot hun afmetingen geldende eisen maar niet in overeenstemming zijn met de eisen, ter zake van de afmetingen van lokaliteiten voor die uitoefening gesteld krachtens artikel 10 van de onderhavige wet, worden zij nochtans geacht aan de ingevolge dat artikel voor de uitoefening van dat bedrijf geldende afmetingseisen te voldoen. 2. Het eerste lid geldt niet: indien één of meer van de in dat lid bedoelde lokaliteiten van de inrichting inmiddels in enig opzicht zijn verkleind of een verandering in hun bestemming hebben ondergaan; indien de uitoefening van het betrokken bedrijf in de inrichting na 30 september 1967 gedurende een jaar anders dan wegens overmacht ononderbroken gestaakt is geweest. 3. Het tweede lid, onder a, is niet van toepassing: met betrekking tot verkleiningen, strekkende tot aanpassing van de inrichting aan ingevolge artikel 10 geldende, andere dan de in het eerste lid bedoelde eisen; met betrekking tot wijzigingen ten aanzien waarvan Onze Minister, van oordeel zijnde dat daartegen uit het oogpunt van sociale hygiëne geen overwegende bezwaren bestaan, op aanvraag van de ondernemer die bepaling buiten toepassing heeft verklaard. 4. In een met toepassing van het eerste lid verleende vergunning wordt mede vermeld op welke lokaliteiten die toepassing betrekking heeft. A B A het op 30 maart 1961 te New York tot stand gekomen Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, met bijlagen (Trb. 1963, 81); B C 2. Onze Minister kan bereidingen aanwijzen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, waarop het eerste lid geheel of ten dele niet van toepassing is. 4. Onder omzetten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel D, wordt alleen het omzetten langs scheikundige weg verstaan. Daaronder wordt niet het omzetten verstaan van alkaloïden in hun zouten. D E F G H 3. De volgende verboden zijn niet van toepassing op hen die aantonen dat zij deze middelen in de bevonden hoeveelheid nodig hebben voor de uitoefening van de geneeskunde, tandheelkunde of diergeneeskunde of voor eigen geneeskundig gebruik of volgens wettelijk voorschrift in voorraad moeten hebben en langs wettige weg verkregen hebben: artikel 3, eerste lid, onderdeel B, voor zover het betreft het vervoeren; artikel 3, eerste lid, onderdeel C, voor zover het betreft de in dat lid, onderdelen a, c, d, e en f genoemde middelen; artikel 3a, eerste lid, onderdeel C; artikel 4, eerste lid, onderdeel B, voor zover het betreft de in dat lid, onderdelen a en b genoemde middelen. 4. De volgende verboden zijn niet van toepassing op hen die aantonen dat zij deze middelen vervoeren in opdracht van een daartoe bevoegde: artikel 3, eerste lid, onderdeel B, voor zover het betreft het vervoeren; artikel 3, eerste lid, onderdeel C, voor zover het betreft het bezitten en aanwezig hebben; artikel 3a, eerste lid, onderdeel B, voor zover het betreft het vervoeren; artikel 3a, eerste lid, onderdeel C, voor zover het betreft het bezitten en aanwezig hebben; artikel 4, eerste lid, onderdeel B, met betrekking tot de in dat lid, onderdelen a en b, bedoelde middelen en voor zover het betreft het bezitten en aanwezig hebben. I J K L M N O P Q 4. De gebruiker, huurder of eigenaar van een voertuig, vaartuig of luchtvaartuig, gebouw, erf of besloten terrein, waar een of meer van de in de artikelen 3, 3a en 4, eerste lid, bedoelde middelen aanwezig worden bevonden, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of een geldboete van de derde categorie, dan wel met beide straffen, indien niet blijkt dat die aanwezigheid aldaar geoorloofd is. Degene is niet strafbaar, indien blijkt dat diegene alle nodige maatregelen heeft genomen om de ongeoorloofde aanwezigheid van de middelen te voorkomen. R S T U Voor de toepassing van de artikelen 11a tot en met 11c worden onder voorwerpen mede verstaan voer- en vaartuigen en stoffen. V 2. Op feiten die vallen onder een strafbepaling van deze wet, zijn de strafbepalingen niet van toepassing die voorkomen in wetten die gaan over de invoerrechten en accijnzen. A een verkoop op afstand aan consumenten waarbij: de consument zich op het tijdstip waarop hij het product bij een detaillist bestelt in Nederland bevindt en die detaillist in een andere staat van de Europese Economische Ruimte of een derde land gevestigd is; of de consument zich op het tijdstip waarop hij het product bij een detaillist bestelt in een andere staat van de Europese Economische Ruimte of een derde land bevindt en die detaillist is gevestigd in Nederland, met dien verstande dat een detaillist wordt aangemerkt als te zijn gevestigd in Nederland: in het geval van een natuurlijk persoon: indien de zetel van zijn bedrijf zich in Nederland bevindt; in andere gevallen: indien de statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging, met inbegrip van een filiaal, agentschap of enige andere vestiging, van de detaillist zich in Nederland bevindt; B Ba C 8. Een vertrouwenspersoon is tot geheimhouding verplicht van hetgeen in de uitvoering van zijn taak aan hem is toevertrouwd, tenzij enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht, uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit of de persoon die hij in het kader van het eerste lid ondersteunt toestemming geeft om vertrouwelijke informatie te delen. 9. Een vertrouwenspersoon kan zich op grond van zijn geheimhoudingsplicht verschonen van het geven van getuigenis of het beantwoorden van vragen in een klachtprocedure of een rechterlijke procedure. A 5. In afwijking van het eerste lid kunnen bij ministeriële regeling regels gesteld worden over het geheel of gedeeltelijk niet openbaar maken van de jaarverantwoording door zorgaanbieders die op twee opeenvolgende balansdata, zonder onderbreking nadien op twee opeenvolgende balansdata, hebben voldaan aan ten minste twee van de in artikel 395a, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek genoemde vereisten. De artikelen 395a, tweede lid, en 398, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing. 6. Bij ministeriële regeling, bedoeld in het vijfde lid, worden regels gesteld over: de wijze en het tijdstip waarop de niet-openbare jaarverantwoording wordt overgelegd aan Onze Minister; en het verstrekken van de niet-openbare jaarverantwoording aan door Onze Minister aan te wijzen organisaties. B A 2. In afwijking van artikel 17, tweede lid, van Verordening (EU) 2017/745 is herverwerking en gebruik van hulpmiddelen voor eenmalig gebruik in een zorginstelling toegestaan onder de voorwaarden van artikel 17, derde lid, van Verordening (EU) 2017/745. 3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op hulpmiddelen voor eenmalig gebruik die op verzoek van een zorginstelling door een externe herverwerker worden herverwerkt, mits het herverwerkte hulpmiddel in zijn geheel wordt terugbezorgd aan die zorginstelling en de externe herverwerker voldoet aan de vereisten in artikel 17, derde lid, onderdelen a en b, van Verordening (EU) 2017/745. B C 5. Van de toepassing van artikel 59, eerste lid, van Verordening (EU) 2017/745, of artikel 54, eerste lid, van Verordening (EU) 2017/746, doet de ingevolge het vierde lid aangewezen autoriteit, zo spoedig mogelijk mededeling in de Staatscourant. D van toepassing op medische hulpmiddelen als bedoeld in artikel 120, vierde lid, van Verordening (EU) 2017/745, en op medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek als bedoeld in artikel 110, vierde lid, van Verordening (EU) 2017/746; 13. Het vierde en twaalfde lid zijn niet van toepassing op een regeling als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, voor zover die strekt tot wijziging van de bedragen, bedoeld in dat onderdeel, overeenkomstig de ontwikkeling van de consumentenprijsindex sinds de vorige wijziging van de bedragen en de organisatie mededeling doet van de wijziging van de bedragen op de eigen website en de bedragen op de website plaatst. 6. Onze Minister beslist niet eerder tot toekenning, weigering of intrekking van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, dan nadat een bij Onze Minister aan te wijzen commissie is gehoord. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over de uitvoering van de werkzaamheden van de commissie. A B C D Een instelling die op het moment van inwerkingtreding van artikel VIIIa, onderdeel A, van de Verzamelwet VWS 2023, ingevolge dit artikel voor het eerst over een toelatingsvergunning als bedoeld in artikel 4, eerste lid, moet beschikken, verkrijgt van rechtswege een toelatingsvergunning. A de bijdragen, bedoeld in artikel 68b, vijfde lid. de vergoedingen, bedoeld in artikel 68b, eerste lid. B 1. Een persoon die met toepassing van een verordening van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte dan wel toepassing van een verdrag met het Verenigd Koninkrijk met terugwerkende kracht van langer dan vier maanden verzekeringsplichtig wordt ingevolge deze wet, kan bij het CAK een vergoeding aanvragen voor kosten van zorg. 2. Voor vergoeding komen uitsluitend in aanmerking de kosten van zorg die een persoon als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen in de periode gelegen tussen de ingangsdatum van de verzekeringsplicht voor deze wet en het moment waarop hij van het CAK een kennisgeving heeft ontvangen van de verplichting om een zorgverzekering af te sluiten of, als dat eerder is, het moment waarop hij krachtens een zorgverzekering verzekerd is. 3. Kosten van zorg die is aangevangen in en ontvangen na de periode, bedoeld in het tweede lid, worden toegerekend aan de periode waarin de zorg is aangevangen, indien de kosten door de zorgaanbieder in één bedrag in rekening zijn gebracht. 4. Het CAK beslist op de aanvraag van de vergoeding. 5. Een persoon waaraan de vergoeding is verleend, is voor zover deze in de periode, bedoeld in het tweede lid, achttien jaar of ouder was, een bijdrage verschuldigd, die voor de toepassing van de Wet op de zorgtoeslag geheel of gedeeltelijk als premie voor een zorgverzekering wordt beschouwd. 6. Het CAK stelt de bijdrage ambtshalve vast en zendt een afschrift van de beschikking aan de Belastingdienst/Toeslagen. 7. Het CAK: is bevoegd de vergoeding te verrekenen met de bijdrage; kan de bijdrage bij dwangbevel invorderen. 8. Het CAK: gebruikt voor de uitvoering van dit artikel het burgerservicenummer van personen als bedoeld in het eerste lid; is bevoegd tot het verwerken van persoonsgegevens, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in artikel 9 van de Algemene verordening gegevensbescherming, van de personen, bedoeld in het eerste lid, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van dit artikel. 9. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over: de aanvraag van de vergoeding en de besluitvorming daarover, met inbegrip van beslistermijnen; de kosten van zorg die voor vergoeding in aanmerking komen; de voorwaarden waaronder de vergoeding kan worden verleend; de verplichtingen die aan de vergoeding kunnen worden verbonden; de hoogte van de vergoeding en de wijze van betaling daarvan; de hoogte van de bijdrage en de besluitvorming daarover; het deel van de bijdrage dat als premie voor de zorgverzekering wordt beschouwd; de verwerking van de persoonsgegevens, bedoeld in het achtste lid. 10. De zorgverzekering, afgesloten door een persoon als bedoeld in het eerste lid, werkt, zo nodig in afwijking van artikel 925, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, terug indien zij ingaat binnen vier maanden na ontvangst van de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, tot en met de dag waarop die kennisgeving is ontvangen. C 5. De verstrekking aan Onze Minister op grond van artikel 88, eerste lid, of het eerste lid betreft, voor zover het gaat om persoonsgegevens als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming, waaronder gegevens over gezondheid als bedoeld in artikel 4, onderdeel 15 van die verordening, gegevens die noodzakelijk zijn voor de bepaling van de criteria, bedoeld in artikel 32, derde lid, of van het criterium, bedoeld in artikel 32, vierde lid, onderdeel b, of de statistische onderbouwing van de aan de criteria krachtens artikel 32, vierde lid, onderdeel c, gekoppelde bijdragen. A B A B A B A de persoon, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Zorgverzekeringswet, de persoon die een bijdrage als bedoeld in artikel 68b, vijfde lid, van de Zorgverzekeringswet verschuldigd is, of de persoon, bedoeld in artikel 69 van de Zorgverzekeringswet, steeds vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin hij achttien jaar wordt, met uitzondering van de verzekerde, bedoeld in artikel 24, eerste of derde lid, van die wet; B C 3. De aanspraak op een zorgtoeslag van een verzekerde met een partner die een persoon is als bedoeld in artikel 69 van de Zorgverzekeringswet, wordt berekend met toepassing van artikel 2, eerste lid, tweede zin, waarbij de standaardpremie, bedoeld in het eerste lid, in acht wordt genomen. D 3. De persoon, bedoeld in artikel 68b, vijfde lid, van de Zorgverzekeringswet, wordt geacht, zo nodig in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, tijdig een aanvraag als bedoeld in laatstgenoemd artikel te hebben gedaan voor de berekeningsjaren in de periode gelegen tussen de ingangsdatum van de verzekeringsplicht voor de Zorgverzekeringswet en het moment waarop hij van het CAK een kennisgeving heeft ontvangen van de verplichting om een zorgverzekering af te sluiten. 4. Voor de toepassing van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt in het geval, bedoeld in het derde lid, de aanvraag geacht te zijn gedaan op het moment waarop de Belastingdienst/Toeslagen van het CAK een afschrift heeft ontvangen van de beschikking, bedoeld in artikel 68b, zesde lid, van de Zorgverzekeringswet. 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. Indien artikel IIIA na 1 januari 2024 in werking treedt, werkt dat artikel terug tot en met 1 januari 2024. Deze wet wordt aangehaald als: Verzamelwet VWS 2023. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 36 357
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 2 oktober 2024, houdende wijziging van een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Verzamelwet VWS 2023)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in