Besluit van 26 juni 2001 tot wijziging van het Dierproevenbesluit
Verify source ↗ This provision sets qualification requirements for the person who determines how an animal experiment is carried out, and it requires anesthesia for actions involving serious injuries that can cause severe pain.
Staatsblad Besluit van 26 juni 2001 tot wijziging van het Dierproevenbesluit Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 22 mei 2001, kenmerk GZB/VVB 2181086; Gelet op Gelet op de artikelen 9 en 13, tweede lid, van de Wet op de dierproeven; De Raad van State gehoord (advies van 1 juni 2001, No. W13.01.0237/III); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 19 juni 2001, GZB/VVB 2189830. Het Dierproevenbesluit wordt gewijzigd als volgt: Artikel 2, eerste lid, komt te luiden: De wijze van uitvoering van een dierproef dient te zijn bepaald door een persoon die in Nederland een doctoraal examen met goed gevolg heeft afgelegd in een biologische, biomedische of zoötechnische studierichting met ten minste 500 studiebelastingsuren (sbu's) biologische basisvakken. Hiervan dienen de vakken anatomie/zoölogie en dierfysiologie ieder ten minste 200 sbu's te omvatten. Na artikel 4 wordt een artikel 4a ingevoegd, luidende: Als handelingen waarbij in alle gevallen verdoving moet plaatsvinden, worden aangewezen die handelingen waarbij sprake is van ernstige verwondingen die hevige pijn kunnen veroorzaken. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Stb. 1985, 336, gewijzigd bij besluit van 5 november 1996, Stb. 566. Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt. NOTA VAN TOELICHTING Artikel 2 van het Dierproevenbesluit vermeldt de opleidingseisen waaraan de personen die de wijze van uitvoering van dierproeven bepalen, moeten voldoen. De aanduiding in het eerste lid van de studierichtingen is door de ontwikkelingen in het hoger onderwijs achterhaald. In artikel I, onder A, wordt artikel 2, eerste lid, aangepast aan de huidige stand van zaken. Zoals te lezen valt, dienen van de (minimaal) 500 studiebelastingsuren ten minste 200 uren te zijn besteed aan anatomie/zoölogie en 200 uren aan dierfysiologie. De overige (minimaal) 100 uren worden ingevuld met een of meer andere biologische vakken, zoals genetica, microbiologie of ethologie. De Wet op de dierproeven is gewijzigd bij wet van 12 september 1996, Staatsblad 500. Die wijziging diende hoofdzakelijk ter implementatie van de Richtlijn nr. 86/609/EEG van de Raad van 24 november 1986 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten betreffende de bescherming van dieren die voor experimentele en andere wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PbEG 358). In de wet is toen in artikel 13 een bepaling opgenomen, inhoudende dat bij algemene maatregel van bestuur categorieën van handelingen kunnen worden aangewezen waarbij in alle gevallen verdoving moet plaatsvinden. Tot nu toe is het niet mogelijk gebleken concrete categorieën aan te wijzen; uit de praktijk blijkt dat de mate van ongerief ook binnen categorieën van handelingen kan verschillen naar gelang de omstandigheden van de proef. Om niettemin uitvoering te geven aan artikel 13, tweede lid, laatste volzin, van de wet, en daarmee aan artikel 8, tweede lid, laatste volzin, van de richtlijn, worden in het Dierproevenbesluit thans als handelingen waarbij altijd verdoving plaatsvindt, die handelingen aangewezen waarbij sprake is van ernstige verwondingen die hevige pijn kunnen veroorzaken. Het wordt aan de verantwoordelijkheid van de vergunninghouder overgelaten te bepalen wanneer zulks het geval is. Op grond van artikel 10a, tweede lid, van de wet valt de naleving van dit voorschrift ook binnen de toetsing door de dierexperimentencommissie.