Besluit van 18 juli 1996, houdende regels betreffende de verstrekking van geldelijke steun voor projecten ten behoeve van waardevolle cultuurlandschappen (Besluit projectbijdragen waardevolle cultuurlandschappen)
The Minister must publish the annual grant budget and may grant contributions for approved projects in valuable cultural landscapes. Applicants must file on time, follow approval conditions, and finish projects by 2001.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 12 Jul 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Besluit van 18 juli 1996, houdende regels betreffende de verstrekking van geldelijke steun voor projecten ten behoeve van waardevolle cultuurlandschappen (Besluit projectbijdragen waardevolle cultuurlandschappen)
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Besluit van 18 juli 1996, houdende regels betreffende de verstrekking van geldelijke steun voor projecten ten behoeve van waardevolle cultuurlandschappen (Besluit projectbijdragen waardevolle cultuurlandschappen)
AI-assisted research summary: The Minister must publish the annual grant budget and may grant contributions for approved projects in valuable cultural landscapes. Applicants must file on time, follow approval conditions, and finish projects by 2001.
Staatsblad Besluit van 18 juli 1996, houdende regels betreffende de verstrekking van geldelijke steun voor projecten ten behoeve van waardevolle cultuurlandschappen (Besluit projectbijdragen waardevolle cultuurlandschappen) Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 30 maart 1995, No. J. 954110, Directie Juridische Zaken; Gelet op artikel 89 van de Grondwet en artikel 185, eerste lid, van de Provinciewet; De Raad van State gehoord (advies van 31 juli 1995, No. W11.95.0173.); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 5 juli 1996, No. J. 962147, Directie Juridische Zaken; ALGEMEEN In dit besluit wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij; b. waardevol cultuurlandschap: gebied dat als zodanig door het Rijk is aangewezen in het Structuurschema Groene Ruimte (Kamerstukken II, 1993–1994, 22 880, nr. 39) en dat als zodanig wordt begrensd in een gebiedsperspectief; c. gebiedsperspectief: gebiedsperspectief voor een waardevol cultuurlandschap als bedoeld in paragraaf 3.1 van het Structuurschema Groene Ruimte; d. landbouwbedrijf: geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of gedeelten daarvan en daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van de landbouw; e. bos: terrein, waarop de meldings- en herplantplicht, bedoeld in de artikelen 2 en 3 Boswet, van toepassing is; f. regiodirecteur: regiodirecteur van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in wiens werkgebied het waardevol cultuurlandschap waarop de aanvraag betrekking heeft, geheel of grotendeels is gelegen. Onder natuur- en landschapswaarden wordt mede verstaan cultuurhistorische en aardkundige waarden. Onze Minister maakt jaarlijks in de Staatscourant het totale bedrag bekend dat hij voor het komende kalenderjaar ter beschikking stelt voor de bijdragen op grond van dit besluit. Onze Minister zal op aanvraag een bijdrage verlenen in de kosten van projecten ten behoeve van een waardevol cultuurlandschap die zijn opgenomen in een op een gebiedsperspectief gebaseerd jaarprogramma en zijn goedgekeurd door Onze Minister. 2. Een project wordt goedgekeurd onder de voorwaarde dat in het jaar volgend op het jaar waarin het project is goedgekeurd, een aanvang wordt gemaakt met de uitvoering daarvan. 3. Wijzigingen in projecten waarvoor de bijdrage is verleend, onderscheidenlijk uitbreiding van het jaarprogramma met andere projecten waarvoor de bijdrage wordt aangevraagd, behoeven vooraf de goedkeuring van Onze Minister. De artikelen 8, 9, tweede lid, 10 en 11 zijn van overeenkomstige toepassing. 4. Indien in een jaar meer projecten worden goedgekeurd dan waarvoor een bijdrage beschikbaar is, wordt het in artikel 2 bedoelde bedrag zo veel mogelijk gelijkmatig over de verschillende waardevolle cultuurlandschappen verdeeld. Voor goedkeuring komen slechts in aanmerking projecten die strekken tot: a. ontwikkeling van duurzame land- of bosbouw in overeenstemming met het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden en met de recreatieve aantrekkelijkheid van het betreffende gebied; b. behoud, herstel of ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden door versterking van de beheersfunctie van landbouwbedrijven en het beheer van bossen voor natuur en landschap, dan wel door vergroting van de inpasbaarheid van natuur- en landschapsbeheer, onderscheidenlijk van de mogelijkheden voor inkomensvorming uit natuur- en landschapsbeheer, op die bedrijven; c. vergroting van de toegankelijkheid en van de belevings- en gebruiksmogelijkheden van natuur en landschap voor recreanten in overeenstemming met het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden in het betreffende gebied; d. vergroting van de toegankelijkheid en van de belevings- en gebruiksmogelijkheden van landbouwgronden of bossen voor recreanten; e. ontwikkeling van recreatief-toeristische produkten op landbouwbedrijven en in bossen of tot de vergroting van de mogelijkheden voor inkomensvorming uit die produkten; f. verbetering van de ruimtelijke afstemming tussen de gebiedsfuncties door zonering van gebruiksfuncties of door andere inrichtingsmaatregelen of g. vermindering van de milieubelasting of van de verdroging ter bescherming van de specifieke waarden van natuur en landschap in het betreffende gebied. Voor goedkeuring komen niet in aanmerking projecten: a. die geen of in onvoldoende mate een bijdrage leveren aan het rijksbeleid zoals dat in het Structuurschema Groene Ruimte ten aanzien van waardevolle cultuurlandschappen is verwoord; b. met de uitvoering waarvan reeds een aanvang is gemaakt, voordat Onze Minister daaraan goedkeuring heeft verleend, of c. die niet uiterlijk in het jaar 2001 kunnen zijn uitgevoerd. Voor een bijdrage op grond van dit besluit komen niet in aanmerking: a. de kosten waarin uit anderen hoofde door onze Minister of door het bestuur van de Stichting Ontwikkelings- en Saneringsfonds voor de Landbouw een bijdrage kan worden verleend; b. exploitatiekosten, kosten van regulier beheer en onderhoud daaronder begrepen; c. kosten verbonden aan het voorbereiden of opstellen van een gebiedsperspectief, onderscheidenlijk een jaarprogramma als bedoeld in artikel 3; d. kosten verbonden aan het verwerven, onderscheidenlijk het compenseren van waardeverlies, van grond of gebouwen, tenzij die kosten noodzakelijk zijn voor het aanbrengen van voorzieningen of voor inrichtingsactiviteiten ten behoeve van een waardevol cultuurlandschap; e. overige kosten als gevolg van kapitaalsverliezen en kosten als gevolg van inkomensverliezen; f. kosten verbonden aan de inzet van overheidspersoneel, tenzij de te verrichten werkzaamheden niet behoren tot de normale werkzaamheden van een overheid en niet op andere wijze kan worden voorzien in de uitvoering van de werkzaamheden; g. accountantskosten, tenzij deze voor rekening komen van een rechtspersoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, en uitsluitend voorzover die rechtspersoon buiten de subsidie op grond van dit besluit geen eigen inkomsten heeft; en h. de door de aanvrager van de bijdrage verrekenbare BTW. De bijdrage, bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt verleend tot een door Onze Minister jaarlijks vast te stellen maximum bedrag per waardevol cultuurlandschap voor de realisering van door hem goedgekeurde projecten. Onze Minister houdt bij de vaststelling van het maximum bedrag rekening met het bedrag, bedoeld in artikel 2, alsmede met de hoogte van eventuele bijdragen die in een voorafgaand jaar op grond van dit besluit ten behoeve van het betreffende waardevolle cultuurlandschap zijn verleend. Indien ten behoeve van een waardevol cultuurlandschap minder projecten worden goedgekeurd dan waarvoor op grond van het eerste lid een bijdrage beschikbaar is, wordt het restant van het in het eerste lid bedoelde bedrag zoveel mogelijk gelijkmatig over de overige waardevolle cultuurlandschappen verdeeld. Onverminderd het eerste en tweede lid, bedraagt de bijdrage: a. voor projecten op het terrein van analyse, voorlichting en bedrijfsdoorlichting ten hoogste vijfenzeventig procent van de subsidiabele kosten van die projecten; b. voor de overige projecten ten hoogste vijftig procent van de subsidiabele kosten van die projecten. Onverminderd artikel 5, aanhef en onderdeel a, mag de bijdrage vermeerderd met bijdragen uit 's Rijks kas die uit andere hoofde dan dit besluit met hetzelfde oogmerk worden aangewend, niet meer dan vijfenzeventig procent van het totaal van die kosten bedragen. In afwijking van het derde en vierde lid, bedraagt de bijdrage voor projecten die investeringen ten behoeve van landbouwbedrijven inhouden, ten hoogste dertig procent van de subsidiabele kosten van die projecten. De bijdrage mag, vermeerderd met bijdragen uit 's Rijks kas als bedoeld in het derde lid, niet meer dan voornoemd percentage van de subsidiabele kosten van die projecten bedragen. Een aanvraag om een bijdrage wordt ingediend door de provincie of een daartoe door de provincie in het gebiedsperspectief aangewezen rechtspersoon. Een laatste aanvraag kan worden ingediend vóór 1 oktober 2000. DE AANVRAAG, DE VERLENING, DE VASTSTELLING EN DE UITBETALING Een aanvraag om een bijdrage wordt gericht aan Onze Minister en ingediend bij de regiodirecteur. Een aanvraag om een bijdrage wordt vóór 1 oktober voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft, ingediend. De aanvraag gaat vergezeld van: a. een jaarprogramma als bedoeld in artikel 3, bevattende een beschrijving van projecten onder vermelding van het te verwachten resultaat; b. een begroting van de met de in het jaarprogramma opgenomen projecten gemoeide kosten; c. een document waarin de financieringswijze van de in het jaarprogramma opgenomen projecten is aangegeven; d. een kasraming per project, waarin de fasering in de uitvoering van het betreffende project is aangegeven. De in het tweede lid, onderdelen b tot en met d, bedoelde bescheiden hebben slechts betrekking op de projecten waarvoor een bijdrage op grond van dit besluit wordt aangevraagd. Onze Minister geeft een beschikking op de aanvraag. Een beschikking tot verlening van de bijdrage bevat: a. een omschrijving van de projecten waaraan Onze Minister goedkeuring verleent; b. per project een vermelding van het bedrag waarop de bijdrage ten hoogste kan worden vastgesteld. Voorzover de bijdrage wordt verleend ten laste van de begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt zij verleend onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld. Aan de beschikking kunnen voorschriften worden verbonden. Onze Minister kan op verzoek voorschotten verlenen tot een totaal van ten hoogste tachtig procent van het in de beschikking tot verlening van de bijdrage vermelde maximumbedrag aan de hand van de stand van de werkzaamheden. Vóór 15 september van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft, dient de aanvrager aan wie de bijdrage is verleend, een aanvraag tot vaststelling van de bijdrage, het jaarverslag en de jaarrekening over bedoeld kalenderjaar in. Het jaarverslag bevat een overzicht van de in het afgelopen jaar verrichte werkzaamheden en getroffen maatregelen en de resultaten daarvan, mede in relatie tot de aanvraag. De jaarrekening bevat ten minste: a. de baten en lasten volgens de begroting; b. een staat van de werkelijke baten en lasten en een toelichting daarop; c. een overzicht van de baten en lasten van het voorafgaande jaar; d. een specificatie van de per project uitgevoerde werkzaamheden en de daarmee verband houdende kosten alsmede van de eventuele opbrengsten en bijdragen. Het geven van inzicht geschiedt op zodanige wijze dat een verantwoord oordeel kan worden gevormd omtrent de grootte en samenstelling van het vermogen, alsmede van baten en lasten van de aanvrager aan wie de bijdrage is verleend. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. De accountant verklaart tevens schriftelijk omtrent de naleving van het bij of krachtens dit besluit bepaalde. In afwijking van het eerste tot en met vijfde lid, kan in het geval de aanvrager aan wie de bijdrage is verleend, een gemeente of provincie betreft, worden volstaan met het overleggen van de volgende bescheiden: a. de in artikel 197 van de Gemeentewet, onderscheidenlijk artikel 201 van de Provinciewet, bedoelde verslagen; b. een jaarverslag als bedoeld in het tweede lid. Onze Minister kan een protocol voorschrijven dat door de aanvrager aan wie de bijdrage is verleend, aan de accountant ter hand wordt gesteld, die controleert met inachtneming van het protocol. Uitgezonderd in het geval, bedoeld in het zesde lid, kan Onze Minister richtlijnen vaststellen ten aanzien van de wijze waarop het jaarverslag en de jaarrekening worden opgesteld. Na ontvangst van de stukken, bedoeld in artikel 12, geeft Onze Minister een beschikking tot vaststelling van de bijdrage, met inachtneming van hetgeen bij de beschikking op de aanvraag om de bijdrage of bij een beschikking houdende gedeeltelijke intrekking van die beschikking is bepaald. De beschikking tot vaststelling van de bijdrage vermeldt het bedrag van de bijdrage. Het bedrag wordt binnen vier weken na de vaststelling van de bijdrage betaald. INTREKKING, WIJZIGING EN TERUGVORDERING Zolang de bijdrage niet is vastgesteld kan Onze Minister de beschikking tot bijdrageverlening intrekken of ten nadele van de aanvrager aan wie de bijdrage is verleend, wijzigen, indien: a. de projecten waarvoor de bijdrage is verleend niet of niet geheel zijn uitgevoerd of zullen worden uitgevoerd; b. de aanvrager niet heeft voldaan aan de bijdrage verbonden verplichtingen; c. de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking tot bijdrageverlening zou hebben geleid; d. de verlening van de bijdrage anderszins onjuist was en de aanvrager dit wist of behoorde te weten, of e. met toepassing van artikel 10, derde lid, een beroep wordt gedaan op de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de bijdrage is verleend, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald. Zolang de bijdrage niet is vastgesteld kan Onze Minister de beschikking tot bijdrageverlening met inachtneming van een redelijke termijn intrekken of ten nadele van de aanvrager aan wie de bijdrage is verleend, wijzigen: a. voor zover de subsidieverlening onjuist is; b. voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten. Bij intrekking of wijziging op grond van het eerste lid, onderdeel b, vergoedt Onze Minister de schade die de aanvrager lijdt, doordat hij in vertrouwen op de bijdrage anders heeft gehandeld dan hij zonder bijdrage zou hebben gedaan. Onze Minister kan de beschikking tot vaststelling van de bijdrage intrekken of ten nadele van de aanvrager aan wie de bijdrage is verleend, wijzigen: a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan hij bij de vaststelling van de bijdrage redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de bijdrage lager dan overeenkomstig de verlening van de bijdrage zou zijn vastgesteld; b. indien de vaststelling van de bijdrage onjuist was en de aanvrager dit wist of behoorde te weten, of c. indien de aanvrager na de vaststelling van de bijdrage niet heeft voldaan aan de aan de bijdrage verbonden verplichtingen. De intrekking of wijziging werkt terug tot en met het tijdstip waarop de bijdrage is vastgesteld, tenzij bij de intrekking of wijziging anders is bepaald. De vaststelling van een bijdrage kan niet meer worden ingetrokken of ten nadele van de aanvrager worden gewijzigd indien vijf jaren zijn verstreken sedert de dag waarop zij is bekend gemaakt dan wel in het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, sedert de dag waarop de handeling in strijd met de verplichting is verricht of de dag waarop aan de verplichting had moeten zijn voldaan. Onverschuldigd betaalde bedragen en voorschotten kunnen worden teruggevorderd voorzover na de dag waarop de bijdrage is vastgesteld, dan wel een handeling als bedoeld in artikel 16, eerste lid, heeft plaatsgevonden, nog geen vijf jaren zijn verstreken. OVERIGE VOORSCHRIFTEN EN VERPLICHTINGEN De aanvrager aan wie de bijdrage is verleend, is verplicht: a. projecten overeenkomstig de goedkeuring van Onze Minister uit te voeren of uit te doen voeren uiterlijk in het jaar 2001; b. voorzover de aanvrager geen provincie of gemeente betreft, tijdig tevoren van het feit dat hij zal worden ontbonden, aan de regiodirecteur schriftelijk mededeling te doen. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit besluit zijn belast door Onze Minister aan te wijzen ambtenaren in dienst van het Rijk alsmede andere door Onze Minister aan te wijzen personen. De aanvrager aan wie de bijdrage is verleend, is verplicht de in het eerste lid bedoelde ambtenaren en andere personen, voorzover zij met het toezicht, bedoeld in dat lid, zijn belast: a. inzage te geven in alle tot hem behorende boeken en bescheiden die naar het oordeel van die personen in verband met de verlening van de bijdrage redelijkerwijs van betekenis worden geacht; b. toegang te verlenen tot alle plaatsen waar de in onderdeel a bedoelde stukken zich kunnen bevinden; c. voor het overige alle medewerking te geven en alle door hen gevraagde inlichtingen te verstrekken. Het tweede lid is niet van toepassing ingeval de aanvrager een gemeente of provincie betreft. Ingeval een rechtspersoon aan wie de bijdrage is verleend, wordt ontbonden, gaan de rechten en verplichtingen, voortvloeiend uit dit besluit, over op de provincie in wier werkgebied het waardevol cultuurlandschap geheel of grotendeels is gelegen. In afwijking van het eerste lid, kan Onze Minister toestaan dat de rechten en verplichtingen, voortvloeiend uit dit besluit, overgaan op de rechtsopvolger onder bijzondere titel, indien die rechtsopvolger rechtspersoon is en zich schriftelijk bereid heeft verklaard hiermee in te stemmen, alsmede gedeputeerde staten van de provincie, bedoeld in het eerste lid, hiermee hebben ingestemd. SLOTBEPALINGEN Drie jaar na inwerkingtreding en voorts iedere drie jaar wordt een verslag gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de bijdrage in de praktijk. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit projectbijdragen waardevolle cultuurlandschappen. Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 8 oktober 1996, nr. 194. NOTA VAN TOELICHTING Onderhavig besluit vloeit voort uit het Structuurschema Groene Ruimte (Kamerstukken II, 1993–1994, 22 880, nr. 39). Het besluit voorziet in een formele grondslag voor de verlening van bijdragen aan projecten ten behoeve van waardevolle cultuurlandschappen. Waardevolle cultuurlandschappen zijn gebieden met belangrijke natuur- en landschapswaarden en grote cultuurhistorische en aardkundige betekenis, die tevens recreatief-toeristisch aantrekkelijk zijn. De landbouw en soms ook de bosbouw spelen in deze gebieden als economische drager en als beheerder van de hiervoor genoemde waarden een belangrijke rol. De functies zijn vaak sterk verweven. Er is sprake van onderlinge beïnvloeding en afhankelijkheid, hetgeen kan leiden tot spanning tussen de functies, met name tussen landbouw, natuur en landschap. Op grond van de criteria, genoemd in onderdeel 3.1. van het Structuurschema Groene Ruimte (SGR), is een selectie van de waardevolle cultuurlandschappen gemaakt. De criteria uit het SGR hebben enerzijds betrekking op de hierboven genoemde kenmerken. Anderzijds is sprake van een koppeling met een aantal andere beleidscategorieën in het landelijk gebied, te weten: – gebieden met blauwe en/of groene koersaanduiding volgens de Koersbepaling Landelijke Gebieden, zoals aangegeven in de Vierde nota ruimtelijke ordening extra (Kamerstukken II, 1990–1991, 21 897, nr. 6); – gebieden behoud en herstel bestaande landschapskwaliteit, zoals aangegeven in het SGR; – recreatief-toeristische gebieden zoals aangegeven in het SGR; – ecologische hoofdstructuur, zoals aangegeven in het Natuurbeleidsplan (Kamerstukken II, 1989–1990, 21 149, nr. 3) en het SGR. De selectie heeft geleid tot aanwijzing in het SGR door het Rijk van de volgende gebieden: – Zuidwest-Friesland – Noord-Drenthe – Vecht-Regge – Noordoost-Twente – Graafschap – Winterswijk – Veluwe – Waterland – Zak van Zuid-Beveland – Midden-Brabant – Midden-Limburg De natuur- en landschapswaarden, de recreatieve ontwikkelingsmogelijkheden alsmede de omstandigheden en structuur ten aanzien van de landbouw zijn in de aangewezen gebieden zeer verschillend. Het zijn juist deze verschillen die de betreffende gebieden een eigen karakter geven. Voor een effectief beleid dat steunt op een breed draagvlak in de gebieden, is daarom maatwerk nodig, met aktieve deelname en inbreng van de betrokkenen en hun organisaties in de aangewezen gebieden en een goede onderlinge samenwerking. Maatwerk vraagt aandacht voor veel facetten. Het beleid is erop gericht om antwoorden te bieden op de problemen die in de aangewezen gebieden worden gesignaleerd. De oplossingen zullen uiteenlopend van aard zijn, niet alleen omdat rekening dient te worden gehouden met de van gebied tot gebied verschillende fysische omstandigheden, maar ook omdat de economische perspectieven van de aanwezige bedrijfstakken verschillen en sociaal-culturele factoren, zoals bijvoorbeeld verschillen in bedrijfsstijlen, een grote rol spelen. De sleutel voor succes van deze werkwijze ligt in de eerste plaats in handen van de overheden (met name van het Rijk en van de provincie). Zij dienen een beleidskader aan te reiken dat inzicht biedt in de doelstellingen en middelen van beleid en dat voldoende beleidsruimte en flexibiliteit bevat om de door de regio's gesignaleerde problemen op te lossen, onder meer door ondersteuning van projecten die voor een bijdrage in aanmerking komen op grond van dit besluit. In de tweede plaats dienen de betrokken overheden, bedrijfsleven, organisaties en bewoners in het betreffende gebied met inachtneming van het beleidskader de geboden beleidsruimte om te zetten in concrete maatregelen die bijdragen aan de beleidsdoelstellingen. De rijksoverheid geeft het beleidskader op hoofdlijnen aan. De hoofdlijnen worden gevormd door het SGR en de daaraan ten grondslag liggende sectornota's, zoals het Natuurbeleidsplan, de Nota Kiezen voor Recreatie (Kamerstukken II, 1992–1993, 22 990, nr. 2) en de Structuurnota Landbouw (Kamerstukken II, 1989–1990, 21 148, nrs. 2–3). Hiervoor zijn de doelstellingen van het rijksbeleid voor de waardevolle cultuurlandschappen, zoals vastgelegd in het SGR, weergegeven. De provincies werken dit algemene beleidskader uit in het gebiedsperspectief. Daarin worden mede op basis van provinciale beleidsplannen, zoals het streekplan, voor de betreffende gebieden de ontwikkelingsmogelijkheden en te ondernemen activiteiten geschetst. Het gebiedsperspectief kan tevens een functie vervullen voor andere vormen van gebiedsgericht beleid die op hetzelfde gebied betrekking hebben, zoals bijvoorbeeld projecten op het terrein van de ruimtelijke ordening en van het milieu. Daardoor kunnen de ontwikkelingen op de verschillende beleidsterreinen in de betreffende gebieden goed worden afgestemd. Naast het formuleren van het beleidskader op hoofdlijnen vervult de rijksoverheid een ondersteunende rol ten aanzien van de andere overheden, het bedrijfsleven, en de organisaties en de bewoners in de aangewezen gebieden. Initiatieven uit die gebieden kunnen worden ondersteund met kennis, een op het betreffende gebied toegesneden beleid, de inzet van bestaande instrumenten, bijvoorbeeld landinrichting en stimuleringsregelingen zoals het Besluit structuurverbetering landbouwbedrijven en de Complementaire regeling voor investeringen in landbouwbedrijven, en het beschikbaar stellen van geld voor de uitvoering van projecten ten behoeve van waardevolle cultuurlandschappen. Onderhavig besluit stelt regels ten aanzien van toekenning van bijdragen van rijkswege voor de betreffende gebieden. Gelet op het gebiedsgerichte karakter van het beleid voor de waardevolle cultuurlandschappen en de intentie om realisatie van de doelstellingen zo veel mogelijk te baseren op initiatieven vanuit de gebieden, is in dit besluit binnen het aangegeven beleidskader zoveel mogelijk ruimte gelaten voor gebiedsspecifieke invulling. Dit betekent concreet dat na instemming met het gebiedsperspectief vanuit het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in beginsel de bereidheid bestaat om met inachtneming van hetgeen in dit besluit is bepaald, projectvoorstellen die bijdragen aan de realisatie van het gebiedsperspectief te ondersteunen. De provincie dan wel een andere in het gebiedsperspectief aangewezen rechtspersoon dient er derhalve voor zorg te dragen dat de projectvoorstellen passen binnen het gebiedsperspectief. Uitgangspunt daarbij is in beginsel een gelijke verdeling van het totale van rijkswege beschikbare budget voor de waardevolle cultuurlandschappen over de periode van 1996 tot en met 2001. Dit uitgangspunt komt onder meer tot uitdrukking in artikel 3, vierde lid. In eerste instantie zullen voor de toekenning van de bijdrage echter de voor de waardevolle cultuurlandschappen ingediende projecten de basis vormen. De minister stelt jaarlijks de bijdrage ten behoeve van een waardevol cultuurlandschap op een maximum-bedrag vast voor de realisering van door hem goedgekeurde projecten (artikel 6, eerste lid). De situatie kan zich voordoen dat in een bepaald jaar het voor de goedgekeurde projecten ten behoeve van een waardevol cultuurlandschap begrote bedrag lager is dan het bedrag per waardevol cultuurlandschap bij een gelijke verdeling over de elf gebieden die als waardevol cultuurlandschap zijn aangewezen. In dat geval zal de minister het verschil tussen beide bedragen verdelen over de andere waardevolle cultuurlandschappen waarvoor het met de uitvoering van de goedgekeurde projecten gemoeide bedrag hoger ligt dan het bedrag bij een gelijke verdeelsleutel (artikel 6, tweede lid). In het jaar volgend op het jaar waarin zich bovenstaande situatie heeft voorgedaan, zal bij de vaststelling van de nieuwe verdeelsleutel de achterstand die ten aanzien van de besteding van de rijksmiddelen in een waardevol cultuurlandschap ten opzichte van andere waardevolle cultuurlandschappen is opgelopen, in aanmerking worden genomen. De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij zal hierover jaarlijks in overleg treden met de provinciebesturen. De afrekening vindt uiteindelijk plaats op basis van de totale subsidiabele kosten verbonden aan de hoeveelheid uitgevoerde werkzaamheden tot en met een van tevoren voor dat jaar door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij vastgesteld maximum. Aangezien de bijdragen op grond van onderhavig besluit onder meer aan provincies en gemeenten kunnen worden verstrekt, kan er in het kader van dit besluit sprake zijn van de verstrekking van specifieke uitkeringen. Artikel 185 van de Provinciewet schrijft voor dat specifieke uitkeringen bij of krachtens de wet worden geregeld. Als uitzondering hierop geldt dat specifieke uitkeringen die door de aard van het betrokken onderwerp een tijdelijk karakter hebben, bij algemene maatregelen van bestuur worden geregeld. Het onderwerp in het onderhavige besluit is het voor een korte periode verstrekken van bijdragen aan projecten ten behoeve van waardevolle cultuurlandschappen teneinde een veranderingsproces op gang te brengen, waarmee de perspectieven voor een duurzame ontwikkeling in die gebieden worden vergroot. Het onderwerp van het besluit heeft derhalve een tijdelijk karakter. Overeenkomstig het bepaalde in de Provinciewet ten aanzien van specifieke uitkeringen, heeft over de inhoud van dit besluit overleg plaatsgevonden met vertegenwoordigers van de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Financiën. Daarnaast zijn vertegenwoordigers van de provincies bij de voorbereiding van dit besluit betrokken. Tevens is het besluit krachtens artikel 93, derde lid, van het EG-Verdrag als steunmaatregel aangemeld bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen. Deze heeft bij besluit van 10 januari 1996 haar goedkeuring aan het besluit gehecht. In het SGR vraagt het Rijk de provincies om voor elk waardevol cultuurlandschap een gebiedsperspectief te (doen) opstellen. Het doel van een gebiedsperspectief is dat de betrokkenen in de regio een gemeenschappelijk toekomstbeeld voor het gebied schetsen. Het gebiedsperspectief dient als kader voor de uitvoering van activiteiten die zijn gericht op behoud en versterking van de gebiedsspecifieke kwaliteiten in samenhang met een duurzame land- en bosbouw en op vermindering van de spanningen tussen de gebiedsfuncties. In het SGR is aangegeven aan welke minimum-eisen een gebiedsperspectief moet voldoen. Het dient ten minste het volgende te bevatten: – een begrenzing van het gebied; – een visie op de gewenste ontwikkeling van het gebied voor de eerstkomende vijf à tien jaren; – een activiteitenplan; – een globale raming van de uitvoeringskosten in de eerstkomende vijf jaren. Voorts zal het gebiedsperspectief in overeenstemming moeten zijn met de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor waardevolle cultuurlandschappen zoals die in het SGR zijn verwoord. In het SGR is het voornemen opgenomen voor de uitvoering van het beleid voor waardevolle cultuurlandschappen voor de periode 1995 tot en met 1998 een budget beschikbaar te stellen van f 25 mln per jaar (Kamerstukken II, 1993–1994, 22 880, nr. 5, blz. 26 en nr. 6, blz. 2). Echter in het kader van het Regeerakkoord (Kamerstukken II, 1993–1994, 23 175, nr. 11) is besloten het totale bedrag uit te spreiden over acht jaar. De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij stelt het jaarlijks beschikbare budget vast. Het is uiteraard uiteindelijk de wetgever die het budget autoriseert dat voor de uitvoering van dat beleid in een gegeven jaar beschikbaar zal zijn. In 1994 en 1995 is reeds geld beschikbaar gesteld voor de waardevolle cultuurlandschappen. In het totaal is er derhalve gedurende acht jaar een budget beschikbaar voor waardevolle cultuurlandschappen. Voor de goede orde merk ik hierbij op, dat een deel van de beschikbare middelen zal worden aangewend voor ondersteunend onderzoek, consultaties en ondersteunende procesgelden. Voor het verkrijgen van een bijdrage op grond van onderhavig besluit, is een gebiedsperspectief een vereiste (zie artikel 3, eerste lid). De situatie kan zich ook voordoen dat voor een volgend kalenderjaar in totaal voor een lager bedrag aan projecten is goedgekeurd dan het totaal budget dat van rijkswege voor dat jaar beschikbaar is. Artikel 3, derde lid, biedt de mogelijkheid om een jaarprogramma in de loop van een kalenderjaar te wijzigen of uit te breiden met andere projecten waarvoor een bijdrage wordt aangevraagd. Een verzoek daartoe geschiedt op overeenkomstige wijze als het indienen van een aanvraag voor een bijdrage. De minister zal geen goedkeuring verlenen, indien het betreffende verzoek tevens een verzoek om een verhoging van de voor dat jaar reeds toegekende bijdrage omvat, en het rijksbudget voor waardevolle cultuurlandschappen voor het betreffende jaar – gelet op de reeds aangegane financiële verplichtingen – is uitgeput. Het rijksbeleid voor waardevolle cultuurlandschappen is gericht op behoud en versterking van de bijzondere kwaliteiten van de bedoelde gebieden in samenhang met een duurzame land- en bosbouw en het verminderen van de spanning tussen de functies van land- en bosbouw, natuur, landschap en recreatie. Met dit beleid wordt beoogd het beleid voor de sectoren landbouw, bosbouw, natuur, landschap en recreatie te ondersteunen en aan te vullen, met name vanwege de samenhang die er in de aangewezen gebieden tussen deze sectoren bestaat. Dit vergt een geïntegreerde en op het gebied toegesneden beleidsaanpak. De hierboven aangegeven doelstelling bestaat, toegespitst op de samenhang tussen de sectoren, uit de volgende componenten: – ontwikkeling van de ecologische hoofdstructuur, inclusief de verbindingszones, en de bosuitbreidingen in samenhang met behoud en herstel van de karakteristiek en de identiteit van het landschap; – vergroting van de toegankelijkheid en de belevings- en gebruiksmogelijkheden van natuur, bos en landschap voor recreanten in samenhang met behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden; – versterking van de beheersfunctie van de landbouw voor natuur en landschap, herstel en ontwikkeling van een samenhangende landschapsstructuur en van algemene natuurwaarden in combinatie met duurzame landbouw en vergroting van de mogelijkheden van inkomensvorming uit natuur- en landschapsbeheer; – vergroting van de toegankelijkheid en het recreatief gebruik van het agrarisch gebied en ontwikkeling van het recreatief-toeristisch product op landbouwbedrijven. De minister toetst de aan hem voorgelegde projectvoorstellen aan dit besluit. De projectvoorstellen dienen een concrete vertaling van het gebiedsperspectief te vormen dat voor het betreffende gebied is opgesteld en waarmee de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij heeft ingestemd. Na instemming door de minister fungeert het gebiedsperspectief als gemeenschappelijk beleidskader van Rijk en provincie voor de ondersteuning van projecten. In artikel 4, tweede lid, onderdeel a, is bepaald dat projecten in voldoende mate een bijdrage moeten leveren aan de realisering van het rijksbeleid zoals dat in het SGR ten aanzien van waardevolle cultuurlandschappen is verwoord. De minister kan onder andere projectvoorstellen afkeuren, indien naar zijn oordeel voorstellen in die mate overeenkomsten vertonen met andere ten behoeve van het betreffende waardevol cultuurlandschap reeds uitgevoerde werkzaamheden, dat het totaal van de ten behoeve van dat gebied uit te voeren werkzaamheden te eenzijdig van aard dreigt te worden en de realisatie van het SGR daardoor gevaar loopt. Dit is in het bijzonder het geval indien projectvoorstellen in onvoldoende mate bijdragen aan de realisatie van de taakstelling in het SGR dat ten minste zestig procent van de rijksmiddelen uit het voor de waardevolle cultuurlandschappen beschikbare budget wordt ingezet ten behoeve van de heroriëntatie van de landbouw. In artikel 5 is bepaald welke kosten niet subsidiabel zijn. Met het in onderdeel a bepaalde wordt beoogd te voorkomen dat dit besluit leidt tot vervanging van andere ten behoeve van het betreffende gebied bestaande mogelijkheden voor ondersteuning voor zover deze mogelijkheden redelijkerwijs binnen de termijn waarop dit besluit betrekking heeft (periode tot en met 2001), worden geboden. Ten aanzien van het instrument landinrichting houdt dat in dat, indien in het betreffende gebied geen landinrichtingsproject in uitvoering is en dat naar verwachting ook niet eerder dan in het jaar 2002 het geval zal zijn, voor bepaalde inrichtingswerken die gewoonlijk in het kader van landinrichtingsprojecten worden uitgevoerd op grond van dit besluit een bijdrage kan worden verleend. Indien echter in het kader van de beleidsvorming van een waardevol cultuurlandschap door de betreffende provincie wordt geconstateerd dat op grote schaal inrichtingswerken gewenst zijn, ligt het – gelet op het SGR – in de rede dat in het gebiedsperspectief de behoefte aan inzet van het landinrichtingsinstrumentarium wordt uiteengezet en de gewenste inrichtingswerken in het kader van een landinrichtingsproject worden gerealiseerd. Met het in onderdeel f bepaalde wordt beoogd te voorkomen dat de bijdragen op grond van dit besluit worden aangewend ter ondersteuning van taken die beschouwd kunnen worden als behorende tot de normale werkzaamheden van andere overheden, zoals provincies, gemeenten en waterschappen. Niet tot de normale werkzaamheden van de overheid behoren de kosten die specifiek met het oog op het beleid voor waardevolle cultuurlandschappen worden gemaakt. Dit betreft kosten voor ondersteunend onderzoek en consultaties alsmede ondersteunende procesgelden. Op grond van het eerste lid wordt ieder jaar per waardevol cultuurlandschap een maximumbedrag voor de realisering van goedgekeurde projecten vastgesteld. Uitgangspunt daarbij is, dat dit maximumbedrag voor ieder waardevol cultuurlandschap gelijk is. De situatie kan zich echter voordoen dat de voor een waardevol cultuurlandschap in een bepaald jaar beschikbare middelen niet volledig worden benut. In dat geval wordt het restant van het in het eerste lid bedoelde maximumbedrag verdeeld over de overige waardevolle cultuurlandschappen. Deze situatie is in het tweede lid geregeld. Bij de vaststelling van de maxima per waardevol cultuurlandschap in een volgend jaar zal hiermee dan rekening worden gehouden. Het derde tot en met het vijfde lid hebben betrekking op de hoogte van de bijdrage. Voor projecten op het terrein van analyse, voorlichting en bedrijfsdoorlichting bedraagt de bijdrage ten hoogste vijfenzeventig procent van de subsidiabele kosten. Voor de overige projecten is het aandeel van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, bepaald op ten hoogste vijftig procent. Het verschil in de hoogte van de bijdrage houdt verband met het feit dat uit pilot-projecten ten behoeve van waardevolle cultuurlandschappen in 1993 is gebleken dat het verkrijgen van bijdragen van derden voor projecten op bedoeld terrein op problemen stuit, omdat men het rendement van dergelijke investeringen veelal onzeker acht. Voor bijdragen op grond van onderhavig besluit is ingevolge artikel 6, derde lid, een cumulatie tot maximaal vijfenzeventig procent van de subsidiabele kosten toegestaan met andere bijdragen van het Rijk dan van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, die uit anderen hoofde met hetzelfde doel worden toegekend. Een uitzondering hierop vormen de bijdragen voor projecten die investeringen ten behoeve van landbouwbedrijven behelzen. Voor die categorie bijdragen geldt in verband met Verordening (EEG) nr. 2328/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991, betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (Pb EG 1991, L 218), een maximum van dertig procent subsidiëring van rijkswege. De provincie in wier werkgebied het waardevolle cultuurlandschap geheel of grotendeels is gelegen, heeft het voortouw bij het opstellen van het gebiedsperspectief. Voor het opstellen van een gemeenschappelijke visie en het maken van afspraken over uitvoeringsmaatregelen zal voldoende draagvlak in het gebied nodig zijn. De provincies zullen derhalve andere partijen afkomstig uit het betreffende gebied bij de opstelling van het perspectief betrekken. De provincie in wier gebied het waardevol cultuurlandschap geheel of grotendeels is gelegen, kan ervoor kiezen niet zelf een aanvraag voor een bijdrage in te dienen, maar die verantwoordelijkheid over te laten aan een door haar in het gebiedsperspectief daartoe aangewezen rechtspersoon. Naar verwachting zal in sommige gebieden de provincie als aanvrager gaan optreden en derhalve voor de uitvoering van de projecten zorgdragen en in andere gebieden een daarvoor op te richten stichting, waaraan de provincie en één of meer gemeenten deel kunnen nemen. De aanvrager aan wie de bijdrage is verleend, draagt zorg voor de besteding van de toegekende gelden. De bijdrage aan een provincie zal rechtstreeks aan de provincie worden overgemaakt. Reden hiervoor is dat de middelen voor waardevolle cultuurlandschappen geen deel uitmaken van de in het kader van de decentralisatie-impuls afgesproken brede doeluitkering. Voor de constructie waarbij slechts één rechtspersoon per gebied als aanvrager van bijdragen voor projecten in het kader van onderhavig besluit kan optreden, is gekozen, teneinde te bevorderen dat de betrokkenen in de regio, in onderlinge samenwerking en na afweging van alle in het gebied aanwezige belangen, in belangrijke mate zelf kunnen bepalen welke activiteiten worden uitgevoerd binnen het in het gebiedsperspectief gegeven beleidskader. Door de ideeën en wensen uit een gebied op deze wijze te bundelen en daarbij aan de betrokkenen in het gebied zelf de gelegenheid te bieden om prioriteiten te bepalen, wordt de met het beleid ten aanzien van waardevolle cultuurlandschappen beoogde integratie op gebiedsniveau bevorderd. Deze werkwijze heeft bovendien de voorkeur, omdat het formuleren van gedetailleerde criteria voor de inhoud van de projecten niet mogelijk en niet wenselijk is. Naast het vereiste dat voor een waardevol cultuurlandschap een gebiedsperspectief is opgesteld, dient om in aanmerking te komen voor een bijdrage, een jaarprogramma te worden opgesteld. Het jaarprogramma bestaat uit een bundel van projecten. In een jaarprogramma worden alle projecten opgenomen die men in de regio voornemens is in het eerstvolgende jaar geheel of gedeeltelijk uit te voeren. Het jaarprogramma, waarin opgenomen een beschrijving van de projecten en onder andere wordt bijgevoegd een begroting per project, wordt aan de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij voorgelegd door de provincie of een andere daartoe door de provincie in het gebiedsperspectief aangewezen rechtspersoon. Projecten behoeven slechts de goedkeuring van de minister, voor zover voor de in het jaarprogramma opgenomen projecten een bijdrage op grond van onderhavig besluit wordt gevraagd. Projecten die krachtens onderhavig besluit reeds zijn goedgekeurd, en waarmee in het jaar volgend op het jaar van goedkeuring, met de uitvoering is begonnen, behoeven ten behoeve van het verkrijgen van een bijdrage voor daaropvolgende jaren, niet opnieuw te worden goedgekeurd. Zolang de rijksbegroting op dat onderdeel nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, zal de bijdrage worden verleend onder de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld (artikel 10, derde lid). De minister is gehouden te beschikken op de aanvraag om de verlening, onderscheidenlijk de vaststelling, van een bijdrage, overeenkomstig hetgeen in de Algemene wet bestuursrecht (Afdeling 4.1.3) is bepaald. Dit impliceert onder meer dat de minister een beschikking moet afgeven binnen een redelijke termijn, die in ieder geval verstreken is wanneer de minister binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch de aanvrager ervan in kennis heeft gesteld dat de termijn van acht weken niet kan worden gehaald en een redelijke termijn heeft aangegeven waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Artikel 10, vierde lid bepaalt dat aan de beschikking voorschriften kunnen worden verbonden. Bij dergelijke voorschriften kan worden gedacht aan voorwaarden omtrent het afstemmen met bepaalde instanties en met andere projecten. Verder kan worden gedacht aan voorwaarden omtrent openstelling van terreinen ten behoeve van recreatiemogelijkheden. Er kunnen daarnaast ook voorwaarden worden gesteld die afhankelijk zijn van het individuele project. Tot ten hoogste tachtig procent van het maximaal vast te stellen bedrag voor de bijdrage, kan een voorschot worden verstrekt aan de hand van een door de aanvrager ingediend liquiditeitenoverzicht. Dit liquiditeitenoverzicht bestaat uit een overzicht van uitgevoerde en uit te voeren werkzaamheden en de daarbij voor een bepaalde periode benodigde middelen. Bij het bepalen van de hoogte van het te verstrekken voorschot wordt rekening gehouden met de voortgang van de uitvoering van het jaarprogramma. Voor de verantwoording van de besteding van de verleende bijdrage door provincies of gemeenten wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de accountant die de (jaar)rekening van de provincie, onderscheidenlijk de gemeente, controleert, tevens belast is met de controle van de besteding van de verleende bijdrage (single-audit gedachte). Om die reden kan, ingeval de ontvanger van de bijdrage een provincie of gemeente betreft, voor de financiële verantwoording worden volstaan met het overleggen aan de minister van een jaarverslag en de verslagen, bedoeld in artikel 197 van de Gemeentewet, onderscheidenlijk artikel 201 van de Provinciewet (artikel 12, zevende lid). De systematiek voor de verdeling van de rijksmiddelen voor waardevolle cultuurlandschappen zal uiterlijk binnen drie jaar na inwerkingtreding van het besluit worden geëvalueerd. Onder meer zal worden bezien of het beginsel van gelijke verdeling van het op grond van onderhavig besluit beschikbare budget over de waardevolle cultuurlandschappen gehandhaafd kan blijven. Deze evaluatie is wenselijk om, indien blijkt dat de verdeling van rijksmiddelen niet optimaal verloopt, te kunnen komen tot een tijdige aanpassing van het besluit teneinde het budget voor de waardevolle cultuurlandschappen zo goed mogelijk aan te wenden. Vervolgens zal iedere drie jaar een evaluatie van de bijdrage plaatsvinden. Voor een beleidsmatige evaluatie is een langere ervaring met het besluit wenselijk. Daarom zal uiterlijk in het jaar 2002 het gevoerde beleid ten aanzien van waardevolle cultuurlandschappen in zijn geheel worden geëvalueerd, en zal worden bezien of, en zo ja in welke gebieden het beleid zal worden voortgezet. Daarbij zal worden bekeken of stroomlijning of integratie met het beleid voor andere categorieën van gebiedsgericht beleid mogelijk is. In dat kader zal onder meer worden bezien of het beleid ten aanzien van waardevolle cultuurlandschappen kan worden gedecentraliseerd naar de provincies.
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Besluit van 18 juli 1996, houdende regels betreffende de verstrekking van geldelijke steun voor projecten ten behoeve van waardevolle cultuurlandschappen (Besluit projectbijdragen waardevolle cultuurlandschappen)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in