Wet van 13 september 2012 tot wijziging van een aantal wetten, houdende regels betreffende zelfstandige bestuursorganen die onder de Minister van Infrastructuur en Milieu ressorteren en enige wijzigingen ter actualisatie, vereenvoudiging en verduidelijking (Aanpassingswet zbo’s IenM aan de Kaderwet zbo’s)
The provision sets governance and supervision rules for the CBR, including approval powers, reporting duties, budget timing, and consultation requirements for the Minister and the supervisory board.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 27 Jun 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 13 september 2012 tot wijziging van een aantal wetten, houdende regels betreffende zelfstandige bestuursorganen die onder de Minister van Infrastructuur en Milieu ressorteren en enige wijzigingen ter actualisatie, vereenvoudiging en verduidelijking (Aanpassingswet zbo’s IenM aan de Kaderwet zbo’s)
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Wet van 13 september 2012 tot wijziging van een aantal wetten, houdende regels betreffende zelfstandige bestuursorganen die onder de Minister van Infrastructuur en Milieu ressorteren en enige wijzigingen ter actualisatie, vereenvoudiging en verduidelijking (Aanpassingswet zbo’s IenM aan de Kaderwet zbo’s)
AI-assisted research summary: The provision sets governance and supervision rules for the CBR, including approval powers, reporting duties, budget timing, and consultation requirements for the Minister and the supervisory board.
Staatsblad Wet van 13 september 2012 tot wijziging van een aantal wetten, houdende regels betreffende zelfstandige bestuursorganen die onder de Minister van Infrastructuur en Milieu ressorteren en enige wijzigingen ter actualisatie, vereenvoudiging en verduidelijking (Aanpassingswet zbo’s IenM aan de Kaderwet zbo’s) Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: A het in artikel 4z bedoelde bureau; B 2. Op de Dienst Wegverkeer is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing, met uitzondering van artikel 15 van die wet. C Beleidsregels omtrent de uitoefening van de bij of krachtens andere wetten dan deze wet aan de Dienst Wegverkeer opgedragen taken worden door Onze Minister vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister(s) wie het aangaat. D E F 1. De voorzitter en de overige leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een tijdvak van vier jaren en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van vier jaren herbenoembaar. 3. Zolang in een vacature van de raad van toezicht niet is voorzien, vormen de overblijvende leden de raad van toezicht, met de bevoegdheid van de volledige raad. Betreft het de vacature van de voorzitter dan wijzen de overblijvende leden uit hun midden een lid aan dat tijdelijk als voorzitter fungeert. 4. Indien een lid wordt benoemd ter vervanging van een tussentijds opengevallen plaats, bepaalt Onze Minister het tijdvak van de benoeming. 5. De raad van toezicht verschaft Onze Minister alle verlangde inlichtingen, met inachtneming van het door Onze Minister vastgestelde informatiestatuut. G 2. Goedkeuring door de raad van toezicht behoeven in ieder geval de besluiten van de directie betreffende: de reglementen, bedoeld in de artikelen 4o en 4r; investeringen die een door de raad van toezicht vast te stellen bedrag te boven gaan; wijzigingen in de rechtspositie van het personeel; de bij of krachtens deze wet aan Onze Minister uit te brengen rapportages. 3. Onze Minister kan bepalen dat de directie de voorafgaande instemming behoeft van de raad van toezicht voor een beslissing als bedoeld in artikel 32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen of dat de directie, ingeval Onze Minister een beslissing als bedoeld in dat artikel aan zijn voorafgaande instemming heeft onderworpen, die beslissing pas aan hem kan voorleggen nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die beslissing geen bedenkingen te hebben. 4. De directie behoeft in elk geval de voorafgaande instemming van de raad van toezicht voor de besluiten betreffende: de begroting; de vaststelling van de tarieven, bedoeld in artikel 4b, eerste lid, onderdeel n, de tarieven die voortvloeien uit artikel 4b, tweede lid, onderdeel a, alsmede van de wijze van betaling van deze tarieven; het jaarverslag en de jaarrekening; het bestuursreglement, bedoeld in artikel 4n; het financiële meerjarenbeleidsplan; de uitbreiding van de keuringscapaciteit als bedoeld in artikel 78, tweede lid; het sluiten van overeenkomsten van zwaarwegend belang. 5. De in het vierde lid, onderdelen e tot en met g genoemde besluiten behoeven de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. 6. De raad van toezicht kan geen rechtsgeldige besluiten nemen indien niet ten minste de meerderheid van de leden ter vergadering aanwezig is. H De directie stelt bij bestuursreglement haar werkwijze vast. I de opbrengst van de tarieven en overige heffingen;. J Het boekjaar van de Dienst Wegverkeer valt samen met het kalenderjaar. K 1. De directie dient het financiële meerjarenbeleidsplan, waarmee de raad van toezicht heeft ingestemd, voor 1 oktober voorafgaand aan het boekjaar, in bij Onze Minister. 2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over de inrichting van het financiële meerjarenbeleidsplan en kunnen aandachtspunten worden vastgesteld voor de accountantscontrole. L 1. Onze Minister stelt regels over de uitoefening van het toezicht op de Dienst Wegverkeer door Onze Minister en de raad van toezicht. M N 1. Waar ingevolge deze wet de goedkeuring dan wel instemming door de raad van toezicht is vereist, verleent of onthoudt deze die goedkeuring dan wel die instemming binnen zes weken na de datum van ontvangst van de aan goedkeuring dan wel instemming onderhevige stukken. 2. Met goedkeuring dan wel instemming wordt gelijkgesteld het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn zonder dat de goedkeuring dan wel de instemming is verleend of onthouden. O Zolang de begroting niet is goedgekeurd, is de directie gerechtigd gedurende ten hoogste de eerste zes maanden van het nieuwe boekjaar voor iedere maand uitgaven te doen ter grootte van 115% van een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande boekjaar. P Indien de Dienst Wegverkeer een bij of krachtens een andere wet dan deze wet opgedragen taak naar het oordeel van Onze Minister niet langer naar behoren verricht, kan Onze Minister de noodzakelijke voorzieningen treffen na overleg met Onze Minister(s) wie het aangaat. Q R HET CBR Algemeen 1. Er is een Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, in het maatschappelijk verkeer aangeduid als CBR. Het bureau bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd te Rijswijk. 2. Op het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing, met uitzondering van artikel 15 van die wet. Taken van het CBR 1. Het CBR is belast met de volgende taken: het beoordelen van de rijvaardigheid; het beoordelen van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen; het opleggen van onderzoeken naar de rijvaardigheid en de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van houders van rijbewijzen ten aanzien van wie een vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid of geschiktheid bestaat; het opleggen van educatieve maatregelen ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen; het opleggen en uitvoeren van het alcoholslotprogramma; het schorsen van de geldigheid van rijbewijzen; het ongeldig verklaren van rijbewijzen; het verlenen van ontheffingen als bedoeld in artikel 149, tweede lid; het afgeven van gehandicaptenparkeerkaarten aan aanvragers die niet zijn ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente; het beoordelen van de vakbekwaamheid van bestuurders in het goederen- en personenvervoer over de weg; het erkennen van opleidingscentra voor het verrichten van nascholing en het certificeren van cursussen met betrekking tot vakbekwaamheid bestuurders goederen- en personenvervoer over de weg en het registreren van nascholing; het houden van toezicht op de naleving van de verplichtingen die voortvloeien uit de in onderdeel k bedoelde erkenningen; het uitreiken van Nederlandse omwisselingscertificaten en deelcertificaten vakbekwaamheid bestuurders goederen- en personenvervoer over de weg; het ongeldig verklaren van getuigschriften van vakbekwaamheid, getuigschriften van nascholing en Nederlandse omwisselingscertificaten; het verwerken van gegevens, waaronder mede begrepen gegevens betreffende iemands gezondheid, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken waarmee het CBR bij of krachtens deze wet is belast, alsmede van de taken waarmee het CBR bij of krachtens andere wetten is belast; het met inachtneming van artikel 4am vaststellen van de tarieven, alsmede het vaststellen van de wijze van betaling van deze tarieven, voor het verrichten van taken waarvoor het CBR bij of krachtens deze wet bevoegd is, alsmede voor de bij of krachtens andere wetten opgedragen taken; het verstrekken van gegevens voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken waarmee het CBR dan wel andere organisaties bij of krachtens deze wet zijn belast. 2. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen c tot en met g, wordt onder rijbewijzen mede verstaan rijbewijzen, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is. 3. Voorts is het CBR belast met: de bij of krachtens andere wetten opgedragen taken, en andere bij regeling van Onze Minister opgedragen taken waarbij regels kunnen worden gesteld met betrekking tot de tarieven van deze taken. Beleidsregels omtrent de uitoefening van de bij of krachtens andere wetten dan deze wet aan het CBR opgedragen taken worden door Onze Minister vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister(s) wie het aangaat. De organen Het CBR heeft een directie en een raad van toezicht. 4ad 1. De directie bestaat uit maximaal twee leden. 2. Het lidmaatschap van de directie is onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van toezicht. 3. In geval van schorsing of ontstentenis van een lid van de directie voorziet Onze Minister in de waarneming van diens functie. 4. De leden van de directie worden benoemd voor een periode van ten hoogste 4 jaren en kunnen terstond éénmaal opnieuw worden benoemd. 5. De directie stelt bij bestuursreglement haar werkwijze vast. 1. De directie is belast met de dagelijkse leiding van het CBR. 2. Alle bevoegdheden van het CBR die niet bij of krachtens deze wet aan de raad van toezicht zijn opgedragen, komen toe aan de directie. 1. De directie vertegenwoordigt het CBR in en buiten rechte. 2. De directie kan onder haar verantwoordelijkheid de vertegenwoordiging, bedoeld in het eerste lid, opdragen aan een of meer directieleden of andere personen. Zij kan bepalen dat deze vertegenwoordiging uitsluitend betrekking heeft op bepaalde onderdelen van de taak van het CBR dan wel op bepaalde aangelegenheden. 1. De directie verstrekt de raad van toezicht tijdig de voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen en andere gegevens. 2. De directe legt jaarlijks, en voorts tussentijds indien hiertoe naar het oordeel van de raad van toezicht aanleiding bestaat, aan de raad van toezicht verantwoording af over het door haar gevoerde beleid. 1. De raad van toezicht bestaat uit vijf leden, waaronder de voorzitter. 2. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de leden van de raad van toezicht. 3. Onze Minister benoemt de voorzitter, gehoord de raad van toezicht. 4. De leden van de raad van toezicht hebben op persoonlijke titel zitting in de raad en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. 5. De raad van toezicht verschaft Onze Minister alle verlangde inlichtingen, met inachtneming van het door Onze Minister vastgestelde informatiestatuut. 1. De voorzitter en de overige leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een tijdvak van vier jaren en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van vier jaren herbenoembaar. 2. De leden van de raad van toezicht kan tussentijds op eigen verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen ontslag worden verleend. 3. Zolang in een vacature van de raad van toezicht niet is voorzien, vormen de overblijvende leden de raad van toezicht, met de bevoegdheid van de volledige raad. Betreft het de vacature van de voorzitter dan wijzen de overblijvende leden uit hun midden een lid aan dat tijdelijk als voorzitter fungeert. 4. Indien een lid wordt benoemd ter vervanging van een tussentijds opengevallen plaats, bepaalt Onze Minister het tijdvak van de benoeming. 1. De raad van toezicht ziet toe op de werkzaamheden van de directie en staat die met raad terzijde. 2. Goedkeuring door de raad van toezicht behoeven in ieder geval de besluiten van de directie betreffende: het reglement, bedoeld in artikel 4an; investeringen die een door de raad van toezicht vast te stellen bedrag te boven gaan; wijzigingen in de rechtspositie van het personeel; de bij of krachtens deze wet aan Onze Minister uit te brengen rapportages. 3. Onze Minister kan bepalen dat de directie de voorafgaande instemming behoeft van de raad van toezicht voor een beslissing als bedoeld in artikel 32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen of dat de directie, ingeval Onze Minister een beslissing als bedoeld in dat artikel aan zijn voorafgaande instemming heeft onderworpen, die beslissing pas aan hem kan voorleggen nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die beslissing geen bedenkingen te hebben. 4. De directie behoeft in elk geval de voorafgaande instemming van de raad van toezicht voor de besluiten betreffende: de begroting; de vaststelling van de tarieven, bedoeld in artikel 4aa, eerste lid, onderdeel p, de tarieven die voortvloeien uit artikel 4aa, derde lid, onderdeel b, alsmede de wijze van betaling van deze tarieven; het jaarverslag en de jaarrekening; het bestuursreglement, bedoeld in artikel 4ad, vijfde lid; het financiële meerjarenbeleidsplan; het sluiten van overeenkomsten van zwaarwegend belang. 5. De in het vierde lid, onderdelen e en f genoemde besluiten behoeven de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. 6. De raad van toezicht kan geen rechtsgeldige besluiten nemen indien niet ten minste de meerderheid van de leden ter vergadering aanwezig is. 7. De raad van toezicht stelt bij reglement zijn werkwijze vast. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister. 8. De vergaderingen van de raad van toezicht zijn niet openbaar. 1. Onze Minister kan aan de leden van de raad van toezicht, ten laste van het CBR, een vergoeding toekennen voor hun werkzaamheden. 2. De leden van de raad van toezicht hebben aanspraak op vergoeding van de door hen in de uitoefening van hun functie gemaakte reis- en verblijfkosten. 3. De raad van toezicht heeft een eigen secretariaat; de kosten daarvan komen ten laste van het CBR. Financiële bepalingen De inkomsten van het CBR bestaan uit: de opbrengsten van de tarieven en overige heffingen; vergoedingen voor verrichte diensten; andere baten hoe ook genoemd. De hoogte van de tarieven, bedoeld in artikel 4aa, eerste lid, onderdeel p wordt gerelateerd aan de met de uitvoering van de taak redelijkerwijs gemoeide kosten. De directie stelt bij reglement richtlijnen vast voor het voeren van een ordelijk financieel beheer van het CBR. Het boekjaar van het CBR valt samen met het kalenderjaar. 1. De directie dient het financiële meerjarenbeleidsplan, waarmee de raad van toezicht heeft ingestemd, voor 1 oktober voorafgaande aan het boekjaar, in bij Onze Minister. 2. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld over de inrichting van het financiële meerjarenbeleidsplan en kunnen aandachtspunten worden vastgesteld voor de accountantscontrole. Overige bepalingen 1. Onze Minister stelt regels over de uitoefening van het toezicht op het CBR door Onze Minister en de raad van toezicht. 2. Onze Minister verstrekt het CBR de inlichtingen die het CBR voor zijn taakuitoefening redelijkerwijs nodig heeft. 3. Onze Minister stelt een informatiestatuut vast. Het informatiestatuut bevat inhoudelijke en procedurele voorschriften met betrekking tot de informatie-uitwisseling tussen Onze Minister en het CBR. 1. Waar in deze wet dan wel de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen de goedkeuring van Onze Minister is vereist, verleent dan wel onthoudt deze die goedkeuring binnen zes weken na de datum van ontvangst van de aan goedkeuring onderhevige stukken. 2. Met goedkeuring wordt gelijkgesteld het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn zonder dat de goedkeuring is verleend of onthouden. 1. Waar ingevolge deze wet de goedkeuring dan wel de instemming door de raad van toezicht is vereist, verleent of onthoudt deze die goedkeuring dan wel die instemming binnen zes weken na de datum van ontvangst van de aan goedkeuring dan wel instemming onderhevige stukken. 2. Met goedkeuring dan wel instemming wordt gelijkgesteld het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn zonder dat de goedkeuring dan wel de instemming is verleend of onthouden. Zolang de begroting niet is goedgekeurd, is de directie gerechtigd gedurende ten hoogste zes maanden van het nieuwe boekjaar voor iedere maand uitgaven te doen ter grootte van 115% van een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande boekjaar. Indien het CBR een bij of krachtens een andere wet dan deze wet opgedragen taak naar het oordeel van Onze Minister niet langer naar behoren verricht, kan Onze Minister de nodige voorzieningen treffen na overleg met Onze Minister wie het aangaat. S T U V 1. Een examen gericht op het behalen van de basiskwalificatie wordt afgelegd bij het CBR, dat onder zijn verantwoordelijkheid voor onderdelen van dat examen anderen kan inschakelen. W A 1. Er is een organisatie voor het verlenen van luchtverkeersdiensten. Hij heeft rechtspersoonlijkheid. 2. Op de in het eerste lid bedoelde organisatie is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing, met uitzondering van de artikelen 15 en 18 van die wet. B 1. Het bestuur bestaat uit ten hoogste drie leden, waaronder de voorzitter. 2. De hoedanigheid van lid van het bestuur is onverenigbaar met het lidmaatschap van de raad van toezicht. 3. De leden van het bestuur worden benoemd voor een periode van ten hoogste vijf jaren. Bij afloop van deze termijn kunnen zij worden herbenoemd. C D 2. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu benoemt een waarnemer in de raad van toezicht. Het waarnemerschap kan tussentijds op eigen verzoek, dan wel om zwaarwichtige redenen worden beëindigd. 3. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu benoemt, schorst en ontslaat de leden van de raad van toezicht, met dien verstande dat: een lid wordt benoemd op voordracht van Onze Minister van Defensie; vier leden worden benoemd op voordracht van de raad van toezicht. een lid, tevens voorzitter, wordt benoemd op voordracht van de raad van toezicht. Omtrent de voordracht besluiten de leden van de raad van toezicht met gewone meerderheid, met dien verstande dat de voorzitter niet deelneemt aan de vaststelling van de voordracht. 5. De raad van toezicht verschaft Onze Minister alle verlangde inlichtingen, met inachtneming van het door Onze Minister vastgestelde informatiestatuut. E 3. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan bepalen dat het bestuur de voorafgaande instemming behoeft van de raad van toezicht voor een beslissing als bedoeld in artikel 32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen of dat het bestuur, ingeval Onze Minister van Infrastructuur en Milieu een beslissing als bedoeld in dat artikel aan zijn voorafgaande instemming heeft onderworpen, die beslissing pas aan hem kan voorleggen nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die beslissing geen bedenkingen te hebben. 4. Besluiten van het bestuur betreffende de volgende onderwerpen behoeven voorafgaande instemming van de raad van toezicht: de reglementen bedoeld in de artikelen 5.34, 5.36, 5.37 en 5.39; voorstellen aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu met betrekking tot de hoogte van het eenheidstarief, bedoeld in artikel 5.20, derde lid, en de hoogte van de vergoeding, bedoeld in artikel 5.21, tweede lid; de financiële begroting, en het financiële meerjarenbeleidsplan; het jaarverslag en de jaarrekening; de bij of krachtens de wet aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu uit te brengen rapportages; de aanwijzing van de externe registeraccountant. 5. Besluiten betreffende het in het vierde lid, onderdeel c, genoemde financiële meerjarenbeleidsplan behoeven bovendien de goedkeuring van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. 7. De raad van toezicht stelt bij reglement zijn werkwijze vast. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. F 2. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan aan de leden van de raad van toezicht, ten laste van de LVNL, een vergoeding toekennen voor hun werkzaamheden. G H I 1. Het jaarverslag van de LVNL gaat vergezeld van: een opgave over de toepassing van de arbeidsvoorwaarden; een document, houdende de instemming bedoeld in artikel 5.32, vierde lid, onder d. 2. Het boekjaar van de LVNL valt samen met het kalenderjaar. 3. Het bestuur zendt jaarlijks voor 1 mei van het jaar volgende op het jaar waarop het betrekking heeft het jaarverslag aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en aan beide Kamers der Staten-Generaal. J 1. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt regels over de uitoefening van het toezicht op de LVNL door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en de raad van toezicht. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stelt een informatiestatuut vast. 3. Onze Minister van Infrastructuur en Milieu kan het bestuur opdragen periodiek rapportage uit te brengen op een door hem, na overleg met het bestuur, te bepalen wijze. K 1. De volgende stukken worden door het bestuur vastgesteld: de financiële begroting; het financiële meerjarenbeleidsplan. 2. Het bestuur zendt het financiële meerjarenbeleidsplan aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu toe vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar. L M N 2. Op de luchthavencoördinator is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing, met uitzondering van de artikelen 18, 21 en 22 van die wet. A In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: bestuur als bedoeld in artikel 3; Dienst voor het kadaster en de openbare registers als bedoeld in artikel 2; rechtszekerheidskamer of geoinformatiekamer als bedoeld in artikel 16, tweede lid; Onze Minister van Infrastructuur en Milieu; raad van toezicht als bedoeld in artikel 3. B De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing op de Dienst, met uitzondering van artikel 15 van die wet. C D Het bestuur is belast met het besturen van de Dienst. E Het bestuur vertegenwoordigt de Dienst in en buiten rechte. De bevoegdheid tot vertegenwoordiging komt mede toe aan ieder bestuurslid. F Het bestuur stelt een bestuursreglement vast. G 2. De leden van de raad van toezicht hebben op persoonlijke titel zitting in de raad en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak. H 2. Onze Minister stelt de raad van toezicht in de gelegenheid voor iedere te vervullen plaats in de raad een voordracht te doen van één persoon. Onze Minister wijkt niet af van de voordracht dan na overleg met de raad. 6. De voorzitter en de overige leden van de raad van toezicht worden benoemd voor een tijdvak van vier jaren en zijn aansluitend éénmalig voor een tijdvak van vier jaren herbenoembaar. I J 1. Onze Minister kan bepalen dat het bestuur de voorafgaande instemming behoeft van de raad van toezicht voor een beslissing als bedoeld in artikel 32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen of dat het bestuur, ingeval hij een beslissing als bedoeld in dat artikel aan zijn voorafgaande instemming heeft onderworpen, die beslissing pas aan hem kan voorleggen nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die beslissing geen bedenkingen te hebben. 2. Het bestuur heeft in ieder geval de voorafgaande instemming nodig van de raad van toezicht met betrekking tot: de reglementen, bedoeld in de artikelen 16 en 17; belangrijke reorganisaties. 3. Het bestuur heeft de voorafgaande instemming nodig van Onze Minister voor het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 2, derde lid. Het bestuur legt die beslissing voor aan Onze Minister nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die beslissing geen bedenkingen te hebben. K 2. De raad van toezicht regelt bij reglement zijn werkwijze, waaronder in ieder geval de openbaarheid van zijn vergaderingen. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister. L 3. Het bestuur stelt aan de raad van toezicht een secretaris ter beschikking. De secretaris is wat betreft de werkzaamheden ten behoeve van de raad van toezicht uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de voorzitter van de raad. M 2. Het bestuur kan bij reglement bepalen dat de gebruikersraad bestaat uit een rechtszekerheidskamer voor de taken van de Dienst op het gebied van rechtszekerheid en een geoinformatiekamer voor de taken van de Dienst op het gebied van geoinformatie. 3. Ingeval bij wettelijk voorschrift aan de Dienst een andere taak wordt opgedragen, dan bedoeld in het tweede lid, kan het bestuur bij reglement de werkzaamheden van een kamer uitbreiden met die andere taak. Onze Ministers van Infrastructuur en Milieu en van Defensie;. eigenaren van registergoederen. 5. Het bestuur stelt aan de gebruikersraad een secretaris ter beschikking. De secretaris is wat betreft de werkzaamheden ten behoeve van de gebruikersraad uitsluitend verantwoording verschuldigd aan de voorzitter van de gebruikersraad. N 3. Een commissie als bedoeld in artikel 16, zesde lid, onderdeel c, kan het bestuur op diens verzoek of uit eigen beweging in kennis stellen van de binnen die commissie levende standpunten over een onderwerp, waarvoor zij is ingesteld. 4. Onder de dienstverlening, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstaan het beheer van een landelijke voorziening. O P 2. Het bestuur stelt voor de door de Dienst aangestelde ambtenaren voorschriften vast betreffende de onderwerpen, genoemd in de artikelen 125 en 125quinquies van de Ambtenarenwet, voor zover die onderwerpen niet reeds bij of krachtens de wet zijn geregeld. Q Het bestuur voert overeenkomstig artikel 125quater van de Ambtenarenwet een integriteitsbeleid dat is gericht op het bevorderen van goed ambtelijk handelen en draagt zorg voor de totstandkoming van een gedragscode voor goed ambtelijk handelen. R BEGROTING EN JAARREKENING 1. Het bestuur stelt de begroting vast als onderdeel van het door hem vast te stellen meerjarenbeleidsplan. 2. Het besluit tot vaststelling van het meerjarenbeleidsplan behoeft de voorafgaande instemming van de raad van toezicht. 3. Het meerjarenbeleidsplan geeft een overzicht van de door de Dienst te verrichten werkzaamheden en een zo getrouw mogelijke doorkijk van het geschetste beeld in de begroting over de volgende vier jaren na het begrotingsjaar. Artikel 29 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is van toepassing op het meerjarenbeleidsplan. Het bestuur stelt de jaarrekening vast nadat de raad van toezicht daarmee heeft ingestemd. S STURING EN TOEZICHT De raad van toezicht verschaft Onze Minister alle verlangde inlichtingen, met inachtneming van het door Onze Minister vastgestelde informatiestatuut. Onze Minister stelt regels over de uitoefening van het toezicht op de Dienst door Onze Minister en de raad van toezicht. T U V A 3. Op de NIWO is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing. B C D A 2. Op het instituut is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing. 8. Het voor het uitvoeren door het instituut van de taken, genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, en h tot en met j te betalen tarief bestaat mede uit een vergoeding van de kosten van de in het vijfde lid bedoelde rijksgecommitteerden. Het instituut draagt het in de eerste volzin bedoelde, vast te stellen deel van het tarief dat de vergoeding van de kosten van de rijksgecommitteerden betreft aan hen af overeenkomstig bij regeling van Onze Minister vast te stellen regels. 9. De in het eerste lid, onderdeel m bedoelde tarieven dienen mede ter dekking van de kosten van het behandelen van klachten, bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht gericht op het handelen van het instituut ter uitvoering van de in dat onderdeel en onderdeel l bedoelde taken. B Op de aangewezen instellingen of personen is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing. A B A degene die voldoet aan de eisen met betrekking tot opleiding, kundigheid, ervaring en geschiktheid, bedoeld in artikel 5, eerste lid;. B C 1. Onverminderd artikel 4, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur eisen gesteld met betrekking tot de opleiding, kundigheid, ervaring en geschiktheid voor het loodsen van schepen op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen wateren en ten aanzien van het in verband met de beroepsuitoefening af te geven document. 2. De kosten verbonden aan en de kosten die samenhangen met de bij of krachtens het eerste lid, gestelde eisen, kunnen ten laste worden gebracht van de aanvrager van het in die maatregel genoemde examen of document. 3. De bedragen ter vergoeding van de kosten, bedoeld in het tweede lid, worden bij ministeriële regeling vastgesteld. D het verzorgen van de opleiding tot registerloods en het afnemen van de examens; het verzorgen van de opleiding tot registerloods van degene die daartoe op grond van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties in aanmerking komt, voor zover dit betreft het gedeelte van de opleiding dat betrokkene dient te volgen nadat hij heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van geschiktheid, zoals vastgesteld krachtens het tweede lid; 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de opleiding, kundigheid, ervaring en geschiktheid die worden gevorderd bij de toelating tot de opleiding en bij de examens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1°, en worden regels gesteld omtrent de wijze van examinering. 3. Ten behoeve van de uitvoering van het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, en tweede lid, worden persoonsgegevens verwerkt betreffende de gezondheid. De verwerking van deze gegevens vindt plaats teneinde te kunnen beoordelen of de geschiktheid voor het uitoefenen van het beroep van registerloods aanwezig is. E 1. Het bestuur van de regionale corporatie heeft in het bijzonder tot taak: met betrekking tot het beroep van registerloods: er voor zorg te dragen dat er steeds voldoende personen worden opgeleid; het bevorderen van een behoorlijke beroepsuitoefening; het geven van voorlichting over onderwerpen die voor de registerloods van belang zijn; het verzorgen van een opleiding en het leveren van een aandeel bij het afnemen van examens ter uitvoering van de krachtens artikel 10, tweede lid, onderdeel b, van de Scheepvaartverkeerswet gestelde regels; en het voorbereiden van ledenvergaderingen. 2. De taken, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, onder 2° en 3°, worden uitsluitend verricht voor zover daarin niet is voorzien krachtens artikel 9, eerste lid, onderdeel a, onder 3° of 5°. F G H I J K indien de ingeschrevene gedurende een bij verordening te bepalen termijn niet ten minste een bij in die verordening te bepalen aantal malen zijn beroep feitelijk aantoonbaar heeft uitgeoefend. L M N Met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen R tot en met W, gaan de vermogensbestanddelen van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen onder algemene titel over op het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. Archiefbescheiden van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen betreffende zaken die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen R tot en met W, nog niet zijn afgedaan, worden overgedragen aan het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats. 1. In wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen is betrokken, treedt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen R tot en met W, het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen in de plaats van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. 2. In zaken waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen R tot en met W, op grond van artikel 12 van de Wet Nationale ombudsman aan de Nationale ombudsman is verzocht een onderzoek te doen of de Nationale ombudsman op grond van artikel 15 van die wet een onderzoek heeft ingesteld naar een gedraging die kan worden toegerekend aan de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, treedt het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen op dat tijdstip in de plaats van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. Bij de eerste samenstelling van de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen wordt bij de benoeming rekening gehouden met de periode van benoeming in de directie van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. 1. Bij de eerste samenstelling van de raad van toezicht van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen wordt bij de benoeming rekening gehouden met de periode van benoeming in de raad van toezicht van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. 2. Bij de eerste samenstelling van de raad van toezicht van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen benoemt Onze Minister van Infrastructuur en Milieu, in tegenstelling tot het bepaalde in artikel 4ah, derde lid, Wegenverkeerswet 1994, de voorzitter van de raad van toezicht, zonder dat hij de raad hoort. 3. Bij de toepassing van de taken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, neemt het CBR de bij ministeriële regeling aangewezen richtlijn of de aangewezen onderdelen daarvan, in acht. 3. Bij de toepassing van de taken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, neemt het CBR de bij ministeriële regeling aangewezen richtlijn of de aangewezen onderdelen daarvan, in acht. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Deze wet wordt aangehaald als: Aanpassingswet zbo’s IenM aan de Kaderwet zbo’s. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 33 250
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 13 september 2012 tot wijziging van een aantal wetten, houdende regels betreffende zelfstandige bestuursorganen die onder de Minister van Infrastructuur en Milieu ressorteren en enige wijzigingen ter actualisatie, vereenvoudiging en verduidelijking (Aanpassingswet zbo’s IenM aan de Kaderwet zbo’s)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in