Wet van 25 november 2020 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2021)
Deze passage bevat vooral arbeidsregels voor zwangere en pas bevallen werkneemsters, plus enkele socialezekerheidsbepalingen over gegevensverwerking en controlevoorschriften.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 4 Dec 2020
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 25 november 2020 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2021)
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Wet van 25 november 2020 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2021)
AI-assisted research summary: Deze passage bevat vooral arbeidsregels voor zwangere en pas bevallen werkneemsters, plus enkele socialezekerheidsbepalingen over gegevensverwerking en controlevoorschriften.
Staatsblad Wet van 25 november 2020 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2021) Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ALGEMENE KINDERBIJSLAGWET A 5. Bij het uitvoeren van de verdubbeling van het bedrag aan kinderbijslag, bedoeld in het eerste lid, kan de Sociale verzekeringsbank gezondheidsgegevens uitwisselen en verwerken. B ALGEMENE NABESTAANDENWET 3. Artikel 16, eerste lid, onderdeel a, is niet van toepassing op de persoon die op grond van het eerste lid is aangemerkt als rechthebbende op een nabestaandenuitkering. ALGEMENE OUDERDOMSWET ALGEMENE PENSIOENWET POLITIEKE AMBTSDRAGERS A B C D ARBEIDSWET 2000 BES ARBEID DOOR ZWANGERE EN BEVALLEN WERKNEEMSTERS Arbeid in de nacht 1. De zwangere werkneemster kan niet worden verplicht arbeid te verrichten tussen 00.00 uur en 06.00 uur, tenzij de werkgever aannemelijk maakt dat dit redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd. 2. Ter uitvoering van het eerste lid wordt desgevraagd een schriftelijke verklaring overgelegd van een geneeskundige of een verloskundige waaruit blijkt dat de betrokken werkneemster zwanger is. 3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een werkneemster gedurende de periode van zes maanden na haar bevalling. Arbeid in periode rond de bevalling De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat een werkneemster: geen arbeid verricht binnen vier weken voor de vermoedelijke datum van de bevalling, zoals die is aangegeven in een door de werkneemster aan de werkgever overgelegde schriftelijke verklaring van een arts of verloskundige waaruit de vermoedelijke datum van bevalling blijkt. Het in de eerste zin bedoelde tijdvak wordt verlengd met het tijdvak, dat verloopt tussen de vermoedelijke datum van de bevalling en de werkelijke datum van de bevalling; geen arbeid verricht binnen zes weken na haar bevalling. Recht op voed- en kolfverlof 1. Een werkneemster die een borstkind voedt, heeft, indien zij de werkgever hiervan in kennis heeft gesteld, gedurende de eerste negen levensmaanden van dat kind het recht de arbeid te onderbreken teneinde in de nodige rust en afzondering haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven. De werkgever biedt haar daartoe de gelegenheid en stelt, waar nodig, een geschikte af te sluiten besloten ruimte ter beschikking. 2. De onderbrekingen, bedoeld in het eerste lid, vinden plaats zo vaak en zo lang als nodig is, maar bedragen gezamenlijk ten hoogste een vierde van de dagelijkse arbeidsduur. De vaststelling van het tijdstip en de duur van de onderbrekingen vindt plaats door de betrokken werkneemster na overleg met de werkgever. 3. De duur van de onderbrekingen, bedoeld in dit artikel, geldt voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen als arbeidstijd, waarover de werkneemster haar aanspraak op het naar tijdruimte vastgesteld loon behoudt. BURGERLIJK WETBOEK A B 2. De vergoeding, bedoeld in lid 1, is gelijk aan de vergoeding die de werkgever in verband met het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer heeft verstrekt, maar bedraagt niet meer dan het bedrag dat de werkgever op grond van artikel 673 aan de werknemer verschuldigd is, verhoogd met de kosten die op grond van artikel 673, lid 6, op dat bedrag in mindering mogen worden gebracht. De vergoeding, bedoeld in lid 1, onderdeel a, bedraagt tevens niet meer dan het bedrag dat de werkgever op grond van artikel 673, voor aftrek van de kosten, bedoeld in artikel 673, lid 6, aan de werknemer verschuldigd zou zijn bij het beëindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst op de dag na het verstrijken van de termijn van twee jaar, bedoeld in artikel 670, lid 1, onderdeel a. Artikel 670, lid 1, laatste zin, is van overeenkomstige toepassing op de termijn, bedoeld in de vorige zin. CESSANTIAWET BES A 1. Bij ministeriële regeling kunnen controlevoorschriften worden vastgesteld. Deze voorschriften gaan niet verder dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet. 2. De werknemer, dan wel diens nagelaten betrekkingen, zijn verplicht de voorschriften op te volgen en anderszins aan Onze Minister desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. 3. De werknemer, dan wel diens nagelaten betrekkingen, onthouden zich van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. B 2. Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing, met uitzondering van de artikelen 5.18 en 5.19. GEMEENTEWET A B INVOERINGSWET NIEUWE EN GEWIJZIGDE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSREGELINGEN INVOERINGSWET OPENBARE LICHAMEN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA 2. Het recht op algemene en bijzondere onderstand bestaat jegens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan worden bepaald dat, in afwijking van de eerste zin, het recht op bijzondere onderstand bestaat jegens een bestuursorgaan van een openbaar lichaam. PARTICIPATIEWET POLITIEWET 2012 A B PROVINCIEWET A B REMIGRATIEWET WATERSCHAPSWET A B WERKLOOSHEIDSWET A B met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin de werknemer, die weer arbeid verricht en die daardoor minder dan vijf uur arbeidsurenverlies als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, heeft, een aanvraag tot eindiging van het recht op WW-uitkering heeft ingediend. C 1. Indien het recht op uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a of c, is geëindigd en vervolgens de omstandigheid die tot dat eindigen heeft geleid heeft opgehouden te bestaan, herleeft het recht op uitkering met inachtneming van het tweede lid, de in artikel 8 en het derde lid genoemde termijnen, het vierde lid en de op grond van het vijfde lid gestelde regels. Indien laatstelijk het recht op uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel d, is geëindigd, herleeft het recht op uitkering met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin de werknemer een aanvraag tot herleving van het recht op WW-uitkering indient met inachtneming van het tweede lid en de in het derde lid genoemde termijnen. D WET ALGEMENE OUDERDOMSVERZEKERING BES A 1. Bij ministeriële regeling kunnen controlevoorschriften worden vastgesteld. Deze voorschriften gaan niet verder dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet. 2. De pensioengerechtigde, zijn echtgenoot en zijn wettelijke vertegenwoordiger of het orgaan waaraan op grond van artikel 14 ouderdomspensioen wordt uitbetaald, is verplicht de voorschriften op te volgen en anderszins aan Onze Minister desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. 3. De pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger, onthouden zich van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. B 2. Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing, met uitzondering van de artikelen 5.18 en 5.19. WET ALGEMENE WEDUWEN- EN WEZENVERZEKERING BES A B 1. Bij ministeriële regeling kunnen controlevoorschriften worden vastgesteld. Deze voorschriften gaan niet verder dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet. 2. De gepensioneerde, zijn wettelijke vertegenwoordiger of het orgaan waaraan op grond van artikel 17 pensioen wordt uitbetaald, zijn verplicht de voorschriften op te volgen en anderszins aan Onze Minister desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Gelijke verplichting geldt voor de wettelijke vertegenwoordiger van het kind dat recht heeft op wezenpensioen en de persoon, aan wie op grond van artikel 16, tweede lid, het wezenpensioen betaalbaar wordt gesteld. 3. De gepensioneerde, zijn wettelijke vertegenwoordiger, de wettelijke vertegenwoordiger van het kind dat recht heeft op wezenpensioen en de persoon, bedoeld in artikel 16, tweede lid onthouden zich van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. C 2. Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing, met uitzondering van de artikelen 5.18 en 5.19. WET ALLOCATIE ARBEIDSKRACHTEN DOOR INTERMEDIAIRS 5. De ter beschikking gestelde arbeidskracht, die tevens ter beschikking is gesteld in de zin van artikel 1, eerste lid, onderdeel 3, van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie, heeft in afwijking van artikel 2a, eerste en vierde lid, van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten, recht op ten minste de arbeidsvoorwaarden op grond van de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst die de dienstverrichter moet toepassen, met uitzondering van de bepalingen inzake procedures, formaliteiten en voorwaarden van de sluiting en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en inzake aanvullende bedrijfspensioenregelingen. 6. Indien op grond van het vierde lid is afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst die van toepassing is op de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt, heeft de arbeidskracht, bedoeld in het vijfde lid, in afwijking van artikel 2a, eerste en vierde lid, van de Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten, recht op ten minste de arbeidsvoorwaarden op grond van deze afwijkende bepalingen. WET AMBTENAREN DEFENSIE A B WET ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING ZELFSTANDIGEN A 8. De voordracht voor een krachtens het zevende lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een dergelijke algemene maatregel van bestuur, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. B WET ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVOORZIENING JONGGEHANDICAPTEN A 9. De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een dergelijke algemene maatregel van bestuur, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. B 7. De voordracht voor een krachtens het vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een dergelijke algemene maatregel van bestuur, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. C Ca 2. In afwijking van het eerste lid is artikel 2:20 wel van toepassing op de jonggehandicapte die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, indien ten aanzien van die jonggehandicapte voor 1 januari 2015 loondispensatie was verleend en voor zover het een verzoek om loondispensatie betreft voor dezelfde functie als waarvoor de loondispensatie voor 1 januari 2015 was verleend. D 9. De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een dergelijke algemene maatregel van bestuur, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. E F 12. Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt niet op grond van het eerste lid, onderdeel b, of het tweede lid, indien de jonggehandicapte gebruik maakt van een voorziening als bedoeld in artikel 34a, eerste lid of artikel 35, tweede lid, onderdeel a, b of d, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. G H I J Ja K L M N 2. In afwijking van het eerste lid is artikel 3:63 wel van toepassing op de jonggehandicapte die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien ten aanzien van die jonggehandicapte voor 1 januari 2015 loondispensatie was verleend en voor zover het een verzoek om loondispensatie betreft voor dezelfde functie als waarvoor de loondispensatie voor 1 januari 2015 was verleend. O P Q R in de maand voor inwerkingtreding van artikel XII, onderdeel R, van de Verzamelwet SZW 2021 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontving, waarbij sprake was van samenloop met een uitkering als bedoeld in de artikelen 3:50 of 3:51 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel XII, onderdeel Ja, van de Verzamelwet SZW 2021. 2. Het garantiebedrag wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze behorende bij de inkomensvoorziening of arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop de jonggehandicapte op grond van de hoofdstukken 2 en 3, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB, van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde wet of artikel XII, onderdeel R, van de Verzamelwet SZW 2021 recht zou hebben gehad in de maand van inwerkingtreding van: artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB, van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde wet, waarbij het inkomen in afwijking van de betreffende artikelen staat voor het gemiddelde inkomen per dag over een bij algemene maatregel van bestuur bepaalde periode, die voor verschillende situaties verschillend kan worden vastgesteld; artikel XII, onderdeel R, van de Verzamelwet SZW 2021, waarbij voor de toepassing van de artikelen 3:50 of 3:51 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van artikel XII, onderdeel Ja, van de Verzamelwet SZW 2021, in afwijking van die artikelen, de uitkering wordt gebruikt waarop de jonggehandicapte op grond van die artikelen in de maand voorafgaand aan die inwerkingtreding recht had. 3. In afwijking van het tweede lid wordt het garantiebedrag voor de jonggehandicapte die in de maand van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen S, W, Z, AA en BB van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde wet, recht zou hebben gehad op inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 2:39, eerste lid, zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van die wet, vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze behorende bij de inkomensondersteuning, bedoeld in artikel 2:41, zoals dat artikel luidde op de dag voor inwerkingtreding van die wet, indien die jonggehandicapte sinds januari 2015 onafgebroken inkomen heeft genoten. 6. De periode van een jaar, bedoeld in het vijfde lid, kan bij algemene maatregel van bestuur tijdelijk met ten hoogste een jaar worden verlengd voor zover dat nodig is in verband met de gevolgen van de crisis in verband met COVID-19. S WET ARBEIDSVOORWAARDEN GEDETACHEERDE WERKNEMERS IN DE EUROPESE UNIE 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de arbeidskracht die ter beschikking is gesteld, bedoeld in artikel 1 van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs, met dien verstande dat onder dienstontvanger wordt verstaan de inlener als bedoeld in artikel 7a van die wet, en onder dienstverrichter degene die de arbeidskracht ter beschikking stelt. WET INBURGERING niet langer inburgeringsplichtig is. WET INBURGERING 20.. A B C Wijziging van de Wet register onderwijsdeelnemers In artikel 1 van de Wet register onderwijsdeelnemers wordt in de begripsomschrijving van onderwijsdeelnemer, in onderdeel c, onder 2°, «Wet inburgering» vervangen door «Wet inburgering 20..». D 2. De artikelen 18b, tweede lid, onderdeel b, 64, eerste lid, onderdeel p, en 67, eerste lid, onderdeel h, van de Participatiewet, artikel 7.3.1, vierde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, de artikelen 16, eerste lid, onderdeel h, en 18, eerste lid, onderdeel i, van de Vreemdelingenwet 2000, de artikelen 45, eerste lid, onderdeel o, en 48, eerste lid, onderdeel h, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, de artikelen 45, eerste lid, onderdeel n, en 48, eerste lid, onderdeel h, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers, artikel 1, begripsbepaling «onderwijsdeelnemer», onderdeel c, onder 2°, van de Wet register onderwijsdeelnemers, artikel 54, derde lid, onderdeel m, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen en artikel 2 van bijlage 3 van de Algemene wet bestuursrecht, zoals die artikelen luidden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, blijven van toepassing op de personen, bedoeld in het eerste lid. WET MINIMUMLOON EN MINIMUMVAKANTIEBIJSLAG A B C 2. Indien de som van het ten laste van de werkgever komende loon en de vakantiebijslag, voldaan over het tijdvak, bedoeld in artikel 17, minder bedraagt dan 108% van het bedrag, waarop de werknemer over dat tijdvak als minimumloon recht heeft verworven, heeft de werknemer over dat tijdvak bovendien recht op een bedrag aan vakantiebijslag ter grootte van het bedrag liggende tussen het bedrag waarop de werknemer over dat tijdvak als minimumloon recht heeft verworven en het bedrag waarmee genoemde 108% eerdergenoemde som te boven gaat. D E F WET ONGEVALLENVERZEKERING BES A B De werkgever die op grond van deze verplichting de uitkering uitbetaalt, heeft, in plaats van de werknemer, tegenover Onze Minister recht op het desbetreffende ongevallengeld en op uitbetaling daarvan door Onze Minister. C 1. Zo spoedig mogelijk na de aanvraag deelt Onze Minister, mede aan de hand van geneeskundige beoordeling, schriftelijk mee welke uitkering zal worden verstrekt aan de in artikel 5, twaalfde lid, tweede zin, bedoelde werkgever. Als de werkgever de in artikel 5, twaalfde lid, eerste zin, bedoelde verplichting niet naleeft, geschiedt de schriftelijke mededeling, bedoeld in de eerste zin, aan de werknemer. D 2. Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing, met uitzondering van de artikelen 5.18 en 5.19. E 1. Onverminderd voorschriften als gesteld op grond van artikel 7, onderdelen d of e, kunnen bij ministeriële regeling controlevoorschriften worden vastgesteld. Deze voorschriften gaan niet verder dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet. 2. De werknemer, dan wel diens nagelaten betrekkingen, zijn verplicht de voorschriften op te volgen en anderszins aan Onze Minister desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. 3. De werknemer, dan wel diens nagelaten betrekkingen, onthouden zich van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. WET OP DE ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVERZEKERING A 9. De voordracht voor een krachtens het achtste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een dergelijke algemene maatregel van bestuur, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. B C WET OP HET ALGEMEEN VERBINDEND EN HET ONVERBINDEND VERKLAREN VAN BEPALINGEN VAN COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMSTEN A B WET RECHTSPOSITIE MINISTERS EN STAATSSECRETARISSEN A B WET RECHTSPOSITIE RAAD VAN STATE, ALGEMENE REKENKAMER EN NATIONALE OMBUDSMAN A B WET RECHTSPOSITIE RECHTERLIJKE AMBTENAREN A B Wet tegemoetkomingen loondomein WET VAN 27 MEI 2020 TOT WIJZIGING VAN DE WET ARBEIDSONGESCHIKTHEIDSVOORZIENING JONGGEHANDICAPTEN EN ENKELE ANDERE WETTEN IN VERBAND MET VERDERE ACTIVERING VAN DE PARTICIPATIE VAN JONGGEHANDICAPTEN EN HET HARMONISEREN VAN DE VERSCHILLENDE REGIMES WAJONG (Stb. 2020, 173) WET VEREENVOUDIGING BESLAGVRIJE VOET A 10. Indien een beslag als bedoeld in het negende lid is gelegd op een vordering tot een periodieke betaling als bedoeld in artikel 475c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, wordt de beslagvrije voet, berekend overeenkomstig de artikelen 475d tot en met 475e van die wet, louter ten aanzien van de vordering van het CAK ter zake waarvan het beslag is gelegd en enkel voor zover het beslag dient tot inning van een nieuw vervallende termijn als bedoeld in het negende lid, verlaagd met de bestuursrechtelijke premie. B Regelgevende bevoegdheden voor de invoering 1. In afwijking van de artikelen 475da tot en met 475dc van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kunnen bij besluit van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid beslagleggende partijen worden aangewezen waarop artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, van toepassing blijft tot en met 6 maanden na inwerkingtreding van dit artikel. 2. De partijen genoemd in het eerste lid kunnen worden aangewezen bij besluit van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als zij een gemotiveerde opgave doen van de reden waarom zij gebruik willen maken van de overgangsperiode. WET WERK EN INKOMEN NAAR ARBEIDSVERMOGEN A 5. De voordracht voor een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een dergelijke algemene maatregel van bestuur, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. B C de werkgever of de bank of verzekeraar, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen in de situaties, genoemd in artikel 84, vierde lid. D E F G De eerste en tweede zin zijn van overeenkomstige toepassing indien het bezwaar of beroep of de intrekking daarvan heeft plaatsgevonden door de bank of verzekeraar, bedoeld in artikel 40, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen in de situaties, genoemd in artikel 84, vierde lid. WET ZIEKTEVERZEKERING BES A B De werkgever die op grond van deze verplichting de uitkering uitbetaalt, heeft, in plaats van de werknemer, tegenover Onze Minister recht op het desbetreffende ziekengeld en op uitbetaling daarvan door Onze Minister. C 1. Zo spoedig mogelijk na de aanvraag deelt Onze Minister, mede aan de hand van geneeskundige beoordeling, schriftelijk mee welke uitkering zal worden verstrekt aan de in artikel 5, zesde lid, tweede zin, bedoelde werkgever. Als de werkgever de in artikel 5, zesde lid, eerste zin, bedoelde verplichting niet naleeft, geschiedt de schriftelijke mededeling, bedoeld in de eerste zin, aan de werknemer. D 2. Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing, met uitzondering van de artikelen 5.18 en 5.19. E 1. Onverminderd voorschriften als gesteld op grond van artikel 7, onderdelen d of e, kunnen bij ministeriële regeling controlevoorschriften worden vastgesteld. Deze voorschriften gaan niet verder dan strikt noodzakelijk is voor een juiste uitvoering van deze wet. 2. De werknemer is verplicht de voorschriften op te volgen en anderszins aan Onze Minister desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. 3. De werknemer onthoudt zich van zeer ernstige misdragingen jegens de met de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. WETBOEK VAN BURGERLIJKE RECHTSVORDERING A de bedragen – onder de naam bezoldiging of welke benaming ook – waarop een ambtenaar als bedoeld in artikel 3 van de Ambtenarenwet 2017 als zodanig uit hoofde van zijn dienstbetrekking aanspraak heeft alsmede de bedragen – onder de benaming pensioen, wachtgeld, uitkering of welke benaming ook – waarop een gewezen ambtenaar als zodanig uit hoofde van zijn vroegere dienstbetrekking aanspraak heeft of waarop zijn nagelaten betrekkingen uit hoofde van zijn overlijden aanspraak hebben;. B L voor het bedrag, waarmee het drempelinkomen van de ouder en zijn partner op basis van artikel 2, achtste lid, van de Wet op het kindgebonden budget wordt verhoogd. C D ZIEKTEWET A 5. De voordracht voor een krachtens het vierde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur, dan wel de vaststelling van een ministeriële regeling op basis van een dergelijke algemene maatregel van bestuur, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. B INWERKINGTREDING De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld, met uitzondering van artikel II, dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin deze wet wordt geplaatst en terugwerkt tot en met 1 januari 2015. CITEERTITEL Deze wet wordt aangehaald als: Verzamelwet SZW 2021. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 35 494
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 25 november 2020 tot wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Verzamelwet SZW 2021)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in