Besluit van 1 maart 1995, houdende het treffen van een tijdelijke voorziening op grond van artikel 115, tweede lid, Organisatiewet sociale verzekeringen (gedeeltelijke ontheffing BV Habivi van WW-taken)
This provision transfers certain WW-related tasks from the Habivi business association to the New General Business Association for workers meeting listed criteria, and requires the New General Business Association to charge the related costs back to Habivi.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 12 Jul 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Besluit van 1 maart 1995, houdende het treffen van een tijdelijke voorziening op grond van artikel 115, tweede lid, Organisatiewet sociale verzekeringen (gedeeltelijke ontheffing BV Habivi van WW-taken)
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Besluit van 1 maart 1995, houdende het treffen van een tijdelijke voorziening op grond van artikel 115, tweede lid, Organisatiewet sociale verzekeringen (gedeeltelijke ontheffing BV Habivi van WW-taken)
AI-assisted research summary: This provision transfers certain WW-related tasks from the Habivi business association to the New General Business Association for workers meeting listed criteria, and requires the New General Business Association to charge the related costs back to Habivi.
Staatsblad Besluitvan 1 maart 1995, houdende het treffen van een tijdelijke voorziening op grond van artikel 115, tweede lid, Organisatiewet sociale verzekeringen (gedeeltelijke ontheffing BV Habivi van WW-taken) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 december 1994, Directoraat-Generaal Sociale Zekerheid, Nr. SZ/SV/W/94/5996; Gelet op artikel 115, tweede lid, Organisatiewet sociale verzekeringen. De Raad van State gehoord (advies van 30 januari 1995, no. W12.94.0790); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 februari 1995, nr. SV/UB/95/1123. De taken en bevoegdheden van de Bedrijfsvereniging voor de Haven- en aanverwante bedrijven, Binnenscheepvaart en Visserij die voortvloeien uit de uitvoering van de Werkloosheidswet, worden uitgeoefend door de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging ten aanzien van werknemers: a. die geboren zijn op of na 1 januari 1937 en voor 1 januari 1942; b. die verplicht verzekerd zijn bij de Stichting Pensioenfonds voor de Vervoer- en Havenbedrijven; c. wier eerste werkloosheidsdag is gelegen op of na 1 januari 1994 en voor 1 januari 1997; en d. wier werkgever is aangesloten bij de Bedrijfsvereniging voor de Haven- en aanverwante bedrijven, Binnenscheepvaart en Visserij. De kosten die voortvloeien uit de uitoefening van de in artikel 1 bedoelde taken en bevoegdheden worden door de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging in rekening gebracht bij de Bedrijfsvereniging voor de Haven- en aanverwante bedrijven, Binnenscheepvaart en Visserij. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van het bepaalde in artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State. NOTA VAN TOELICHTING Tot 1 januari 1994 heeft de richtlijn «ontslagbeleid voor oudere werknemers» deel uitgemaakt van het delegatiebesluit ex. artikel 6, derde en vierde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (Bijlage D). In artikel 13 van het Delegatiebesluit 1993, Stcrt. 1993, 11, is aangegeven dat deze zogenaamde ouderenrichtlijn met ingang van 1 januari 1994 wordt ingetrokken. De intrekking van de ouderenrichtlijn is daarnaast bekendgemaakt bij brief van 14 januari 1993 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 1992/93, 22 800 XV, nr. 53) en aan de Stichting van de Arbeid. De ouderenrichtlijn bood onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid om werknemers van 55 jaar en ouder eerder voor ontslag in aanmerking te laten komen dan op grond van de algemene regels het geval zou zijn. Er diende onder meer sprake te zijn van een noodzakelijke inkrimping van het personeelsbestand, en door de betrokken werknemer diende geen inhoudelijk bezwaar te worden gemaakt tegen het aangezegde ontslag. De Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening (RD) diende feitelijk vast te stellen dat de werknemer vrijwillig van diens beroep op het anciënniteits- respectievelijk het afspiegelingsbeginsel afzag. Voor werknemers van 55 jaar en ouder die onder het regime van de ouderenrichtlijn werkloos werden bestond derhalve de (feitelijke) situatie dat door de bedrijfsverenigingen niet werd getoetst of sprake was van verwijtbare werkloosheid of anderszins van een benadelingshandeling jegens de WW-fondsen. Dit kon praktisch in gelijke zin gelden voor werknemers van 55 jaar en ouder, wier dienstbetrekking op vergelijkbare gronden op basis van een andere vrijwillige regeling werd beëindigd dan via het verkrijgen van toestemming door de RD. Onder het regime van de ouderenrichtlijn bestond de gedragslijn dat geen verwijtbare werkloosheid werd aangenomen indien een ontslagvergunning afgegeven werd, dan wel afgegeven zou zijn. Door de intrekking van de ouderenrichtlijn is de bovenbeschreven situatie gewijzigd. Door de RD wordt geen ontslagvergunning meer afgegeven, indien bij een voorgenomen collectief ontslag niet de beginselen van anciënniteit (last in, first out) of – op verzoek van de werkgever – afspiegeling (evenwichtige spreiding over vijf leeftijdsgroepen) zijn toegepast. De bedrijfsverenigingen dienen bij aanvragen om WW-uitkering na te gaan of de werkloosheid van betrokkene verwijtbaar is, en of betrokkene een benadelingshandeling pleegt. In concreto dient de bedrijfsvereniging in de onderhavige gevallen te beoordelen of voor de werknemer aan de voortzetting van zijn dienstbetrekking zodanige bezwaren verbonden zijn dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd, en of de werknemer door actief of passief mee te werken aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een benadelingshandeling pleegt. Deze verplichting van de bedrijfsverenigingen geldt voor alle vormen van (collectieve) beëindiging van de dienstbetrekking. De reden voor intrekking van de ouderenrichtlijn door het vorige kabinet was gelegen in de geringe arbeidsparticipatie van ouderen in Nederland. Door de intrekking van de ouderenrichtlijn worden ondernemingen gestimuleerd een leeftijdsbewust personeelsbeleid te voeren. De intrekking was tenslotte mede ingegeven door de budgettaire consequenties voor de sociale zekerheid (WW, IOAW) bij een relatief hoge uitstroom van oudere werknemers. Het kabinet onderschrijft de (redengeving voor) intrekking van voornoemde ouderenrichtlijn. Het is onwenselijk dat collectieve voorzieningen gebruikt worden als bodem voor vrijwillige vertrekregelingen. Op 21 november 1993 is door de werkgevers- en werknemersorganisaties in de Rotterdamse en Amsterdamse havens een afvloeiingsakkoord gesloten. Dit akkoord omvat een uittredingsregeling voor havenwerknemers uit de geboortejaren 1937 t/m 1941. Kort gezegd komt deze uittredingsregeling erop neer dat werknemers die in de periode 1994 t/m 1996 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt vrijwillig uit dienst kunnen treden. Betrokken werknemers zullen tot aanvang pensioendatum een uitkering ontvangen van 85% of 80% van het laatstverdiende netto salaris. Het akkoord vermeldt niet met zoveel woorden dat de «uitkering» grotendeels zal bestaan uit de wettelijke WW-uitkering. Dit is echter wel de bedoeling, en in de praktijk komt het daar ook op neer. De regeling, die betrekking heeft op ongeveer 1600 werknemers, gaat er vanuit dat geen gedwongen ontslagen zullen plaatsvinden. De regeling gaat er voorts vanuit dat het bestuur van de bedrijfsvereniging Habivi, die bevoegd is terzake van deze WW-aanvragen, de deelnemers aan de vertrekregeling zal aanmerken als niet verwijtbaar werkloos. De werkgevers- en werknemersorganisaties die betrokken zijn bij dit afvloeiingsakkoord hebben tevens zitting in het bestuur van de bedrijfsvereniging Habivi. Op 16 december 1993 heeft het bestuur van de bedrijfsvereniging Habivi besloten de oudere werknemers die gebruik maken van de afvloeiingsregeling als niet verwijtbaar werkloos te kwalificeren. Evenmin zou ten aanzien van betrokkenen een benadelingshandeling worden gesteld. De sollicitatieplicht en de inschrijfplicht bij het arbeidsbureau zouden niet worden gecontroleerd. Tezamen betekent dit dat door de BV Habivi geen sancties zouden worden opgelegd. De Toezichtkamer van de Sociale Verzekeringsraad (SVr) heeft als oordeel uitgesproken dat dit besluit wegens het categorale karakter in strijd is met een rechtmatige uitvoering van de Werkloosheidswet, en om deze reden niet gehandhaafd kan blijven. De Toezichtkamer heeft bij de BV Habivi aangedrongen op heroverweging van haar besluit. De BV Habivi heeft in reactie hierop aangegeven gevolg te zullen geven aan het verzoek van de Toezichtkamer, en over te zullen gaan op toetsing van individuele WW-aanvragen aan alle relevante bepalingen van de Werkloosheidswet. De Toezichtkamer heeft nadien een onderzoek ingesteld naar de afhandeling van de WW-aanvragen van oudere havenwerknemers door de (Kleine Commissie van de) BV Habivi. Dit betreft de tot 1 oktober 1994 ingediende WW-aanvragen. Gebleken is dat in geen van de tot die datum afgehandelde gevallen – ruim 900 – een sanctie is opgelegd. Naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek naar de gevalsbehandeling door de BV Habivi, alsmede naar de besluitvorming van het bestuur van deze bedrijfsvereniging heeft de Toezichtkamer de volgende conclusies getrokken: De Toezichtkamer meent dat de besluitvorming door de Kleine Commissie (KC) van de BV Habivi mank gaat aan een adequate onderbouwing. Daarbij tekent de Toezichtkamer aan dat de Kleine Commissie signalen hieromtrent van de administrateur (het GAK) naast zich heeft neergelegd; De Toezichtkamer heeft vastgesteld dat de gevalsbehandeling door de BV Habivi onaanvaardbaar lang duurt; De Toezichtkamer heeft opgemerkt dat het bestuur van de BV Habivi door in te stemmen met de procedure van gevalsbehandeling ten onrechte het handelen van de KC heeft gelegitimeerd. Evenmin heeft het bestuur, hoewel er signalen waren die daartoe aanleiding gaven, ingegrepen in de gang van zaken, dan wel frequent zich vergewist van de juistheid van de uitvoering; Tenslotte heeft de Toezichtkamer vastgesteld dat het bestuur van de BV Habivi nagelaten heeft de Toezichtkamer te informeren over de stand van zaken ten aanzien van de gevalsbehandeling. Dit gebeurde noch op eigen initiatief, noch op verzoek van de Toezichtkamer. De Toezichtkamer heeft daarvoor haar taak niet tijdig en adequaat kunnen uitoefenen. De Toezichtkamer is van mening dat het de voorkeur verdient een andere bedrijfsvereniging te belasten met de behandeling van de WW-aanvragen van werknemers die gebruik maken van het afvloeiingsakkoord, zulks ter waarborging van een correcte wetstoepassing WW. De Toezichtkamer heeft mij geadviseerd te bevorderen dat een algemene maatregel van bestuur van deze strekking getroffen wordt. Het kabinet is zich bewust van het vergaande karakter van een dergelijke maatregel. Niettemin is het kabinet van oordeel dat de geadviseerde gedeeltelijke ontheffing van de BV Habivi van haar taken zonder meer een adequate reactie is op de handelwijze van deze bedrijfsvereniging. De BV Habivi heeft immers de facto haar oude besluit en de daarop gebaseerde handelwijze voortgezet, en signalen van de Toezichtkamer dat deze handelwijze in strijd is met een rechtmatige wetsuitvoering genegeerd. Het kabinet is van oordeel dat de BV Habivi door deze handelwijze haar uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen. Het treffen van een voorziening als voormeld acht het kabinet gezien de ontstane situatie en de ernst van de taakverwaarlozing met onmiddellijke ingang geboden. Dit artikel regelt de overdracht van WW-taken van de BV Habivi naar de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (NAB). Er is daarbij op twee punten afgeweken van het advies van de Toezichtkamer. Ten eerste zullen alle WW-aanvragen (vanaf 1 januari 1994) worden overgedragen aan de NAB, en niet slechts de WW-aanvragen vanaf 1 oktober 1994. Naar het oordeel van het kabinet zou de keuze voor laatstgenoemde datum als cesuurmoment een willekeurige zijn. Voorts is een groot aantal WW-aanvragen van voor deze datum nog niet afgehandeld door de BV Habivi. Tenslotte heeft in de overige gevallen daterend van voor 1 oktober 1994 wel bestuurlijke besluitvorming plaatsgevonden, maar is geen sprake geweest van definitieve toekenning van de uitkering aan betrokkenen. Ten tweede is niet gekozen voor de voormelde afvloeiingsregeling als referentiepunt voor de werkingssfeer van deze algemene maatregel van bestuur. Naar het oordeel van het kabinet is deze regeling te interpretatiegevoelig. Dit zou in concrete gevallen kunnen leiden tot verschillen van inzicht over de vraag welke bedrijfsvereniging de WW-aanvraag in behandeling dient te nemen. Naar het oordeel van het kabinet verdient het aanbeveling bij de afbakening van de bevoegdheid van de NAB aansluiting te zoeken bij eenvoudig vaststelbare criteria. Toepassing van de vier criteria uit artikel 1 leidt ertoe dat de bevoegdheid van de NAB voor WW-aanvragen van havenwerknemers gemakkelijk en snel bepaalbaar is. Met de voorwaarde dat de eerste dag van werkloosheid gelegen moet zijn tussen 1 januari 1994 en 1 januari 1997 is tevens het tijdelijke karakter van deze voorziening aangegeven. Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Besluit van 1 maart 1995, houdende het treffen van een tijdelijke voorziening op grond van artikel 115, tweede lid, Organisatiewet sociale verzekeringen (gedeeltelijke ontheffing BV Habivi van WW-taken)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in