Wet van 22 december 2011 tot aanpassing van een aantal wetten op het terrein van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie naar aanleiding van de departementale herindeling en het herstel van enkele wetstechnische gebreken en leemten
Read the stored legal text, review its version and status evidence, or ask LexChat a question grounded in exact provisions.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 26 Jun 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 22 december 2011 tot aanpassing van een aantal wetten op het terrein van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie naar aanleiding van de departementale herindeling en het herstel van enkele wetstechnische gebreken en leemten
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Wet van 22 december 2011 tot aanpassing van een aantal wetten op het terrein van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie naar aanleiding van de departementale herindeling en het herstel van enkele wetstechnische gebreken en leemten
Staatsblad Wet van 22 december 2011 tot aanpassing van een aantal wetten op het terrein van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie naar aanleiding van de departementale herindeling en het herstel van enkele wetstechnische gebreken en leemten Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: A B A B C D E A B A 1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder «Onze Minister»: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. B C A B C D E F G H 3. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt een beleidsregel vast betreffende de beoordeling van doelmatigheid, bedoeld in het eerste lid, onder e. I A B C D A B C de aanleg, het beheer of het onderhoud van aansluitingen met een doorlaatwaarde groter dan 40 m3(n) per uur. D E F G De doorwerking van de aanleg van nieuwe infrastructuur in de tarieven. H De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit verrekent in de tarieven de kosten van een investering waarvoor op grond van artikel 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening een inpassingsplan is vastgesteld. I J K L M N O 2. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt een beleidsregel vast betreffende de beoordeling van doelmatigheid, bedoeld in het eerste lid, onder e. P Q 10. De raad van bestuur van de mededingingsautoriteit stelt een beleidsregel vast betreffende de beoordeling van doelmatigheid, bedoeld in het derde lid. R A B A 1. Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kan regels stellen tot het tegengaan van het hamsteren van goederen. B 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aangewezen ambtenaren. A B C D 3. De in het eerste lid bedoelde bijdrage is verschuldigd zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld. 4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt de betalingstermijn vastgesteld. E 1. In afwijking van artikel 30 kunnen gedurende zes jaar na de inwerkingtreding van artikel 30 bij ministeriële regeling, in overeenstemming met Onze betrokken Ministers, bestuursorganen worden aangewezen voor wie de in artikel 30 genoemde verplichting uitsluitend geldt. A B A B C D E F 1. De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als in dit hoofdstuk bedoeld wordt Ons gedaan, indien het betreft: een maatregel als in artikel 13 of 14 bedoeld: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; een maatregel als in artikel 15b bedoeld: door Onze Ministers, wie het aangaat; een maatregel als in artikel 16, 17 of 21 bedoeld: door Onze Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 2. Ten aanzien van bij een algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens artikel 14, geregelde onderwerpen, kan Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie nadere regels stellen. G 5. Ten aanzien van het bepaalde in het vierde lid, zijn de artikelen 8.40, tweede lid, 8.41, tweede, derde en vierde lid, en 8.42, eerste tot en met vijfde lid, van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat met betrekking tot de toepassing van artikel 8.41, derde lid, van die wet onder «Onze Minister» wordt verstaan: Onze Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, en: indien de in dat artikellid bedoelde nadere regels betrekking hebben op medische stralingstoepassingen, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; indien de in dat artikellid bedoelde nadere regels betrekking hebben op lozing in oppervlaktewater, Onze Minister van Infrastructuur en Milieu. H De voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur krachtens dit hoofdstuk wordt Ons gedaan door Onze Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Indien de maatregel betrekking heeft op medische stralingstoepassingen, wordt de voordracht mede door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gedaan. Indien de maatregel betrekking heeft op lozing in oppervlaktewater, wordt de voordracht mede door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu gedaan. I J K L A B A B C D A B C 1. De raad kan degene die jegens de in artikel 50, eerste lid, artikel 52, eerste lid, of artikel 89g, eerste lid, bedoelde ambtenaren in strijd handelt met artikel 59a, derde lid, 77a, derde lid, of met artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450 000 of, indien dat meer is, van ten hoogste 1% van de omzet van de onderneming dan wel, indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking. D De raad kan in geval van overtreding van artikel 49a, vierde lid, de overtreder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450 000 of, indien dat meer is, van ten hoogste 10% van de omzet van de onderneming dan wel, indien de overtreding door een ondernemersvereniging is begaan, van de gezamenlijke omzet van de ondernemingen die van de vereniging deel uitmaken, in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking. E F A B C D A B A B C D E 1. Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stellen een programma vast ter vermindering van de stikstofdepositie, afkomstig van in Nederland aanwezige bronnen, in de in het programma opgenomen Natura 2000-gebieden, met het oog op de realisatie van de instandhoudingsdoelstelling, bedoeld in artikel 10a, tweede lid. F G 1. Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu stellen uiterlijk vier maanden na inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet een voorlopig programma vast ter vermindering van de stikstofdepositie. H I A B C D E F Verzet schorst de tenuitvoerlegging van een dwangbevel dat strekt tot invordering van de bestuurlijke boete. G De te betalen geldsom van de door het college opgelegde bestuurlijke boete, de verbeurde dwangsommen bij een door het college opgelegde last en de als gevolg van die boete en dwangsom verschuldigde wettelijke rente, komen toe aan de Staat. A B C A B C A B A B C D E F G H I J K L M N in het boekjaar voorafgaand aan de beschikking waarbij de bestuurlijke boete wordt opgelegd;. A Onze minister: Onze minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Onze ministers wie het mede aangaat: Onze ministers van defensie, van infrastructuur en milieu, van onderwijs, cultuur en wetenschap, van sociale zaken en werkgelegenheid, en van volksgezondheid, welzijn en sport; B C D A B de door Onze Minister van Infrastructuur en Milieu aangewezen ambtenaren. A Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;. B A B A B A B A B C D E A besluit als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; EU-verordening, EU-richtlijn of EU-besluit; richtlijn als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; verordening als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; B C D E F G H EU-rechtshandelingen Dit hoofdstuk is van toepassing op: de uitvoering van EU-rechtshandelingen die krachtens de artikelen 43, 114, 207, 168, 169 of 192 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn vastgesteld en de uitvoering van EU-rechtshandelingen die krachtens de onder a bedoelde rechtshandelingen zijn vastgesteld. I J K L M A B A B C D Het is een handelaar niet toegestaan oneerlijke handelspraktijken te verrichten als bedoeld in Afdeling 3A van Titel 3 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. E A B C A B A B A B A B Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;. A B Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie gezamenlijk;. A B 1. In afwijking van artikel 37 verstrekt de directeur-generaal gegevens aan de communautaire en nationale instanties voor de statistiek van de lidstaten van de Europese Unie en de leden van het Europees Stelsel van Centrale Banken, voor zover deze verstrekking noodzakelijk is ingevolge een besluit van de Europese Raad en het Europees Parlement. C A B A B Voor uitzonderlijke en aanmerkelijke investeringen waarmee is aangevangen voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AB, onder 3, en artikel II, onderdeel R, onder 3, van de Wet van 2 december 2010 tot wijziging van de Gaswet en de Elektriciteitswet 1998, tot versterking van de werking van de gasmarkt, verbetering van de voorzieningszekerheid en houdende regels met betrekking tot de voorrang voor duurzame elektriciteit, alsmede enkele andere wijzigingen van deze wetten (Stb. 2010, 810), gelden artikel 81b, tweede lid, van de Gaswet en 41b, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998, zoals zij luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel AB, onder 3, en artikel II, onderdeel R, onder 3. A B C D A In deze wet wordt verstaan onder: Onze Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, van Infrastructuur en Milieu, van Financiën, van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, van Buitenlandse Zaken en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. B C D A B A B C D De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 32 871
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 22 december 2011 tot aanpassing van een aantal wetten op het terrein van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie naar aanleiding van de departementale herindeling en het herstel van enkele wetstechnische gebreken en leemten
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in