Besluit van 19 januari 1998, houdende regelen terzake van de bedrijfscontrole op varkensziekten (Besluit bedrijfscontrole varkensziekten)
Holders of pigs may not keep, add, transport, or collect pigs unless the required health declaration is present and accompanies the shipment.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 11 Jul 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Besluit van 19 januari 1998, houdende regelen terzake van de bedrijfscontrole op varkensziekten (Besluit bedrijfscontrole varkensziekten)
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Besluit van 19 januari 1998, houdende regelen terzake van de bedrijfscontrole op varkensziekten (Besluit bedrijfscontrole varkensziekten)
AI-assisted research summary: Holders of pigs may not keep, add, transport, or collect pigs unless the required health declaration is present and accompanies the shipment.
Staatsblad Besluit van 19 januari 1998, houdende regelen terzake van de bedrijfscontrole op varkensziekten (Besluit bedrijfscontrole varkensziekten) Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 15 juli 1997, no. J. 97734, Directie Juridische Zaken; Gelet op artikel 3, derde lid, van richtlijn nr. 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en produkten in het vooruitzicht van de tostandbrenging van de interne markt (PbEG L 224) en gelet op de artikelen 13 en 14 van richtlijn nr. 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1996 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautair handelsverkeer in runderen en varkens, zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 97/12/EG (PbEG L109); Gelet op de artikelen 3, onderdelen b, c, h en i, en 111 van de Gezondheids- welzijnswet voor dieren; Gezien het advies van de Raad voor Dierenaangelegenheden, LTO-Nederland en het Produktschap Vee en Vlees; De Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 1997); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 13 januari 1998, no. J. 9712107, Directie Juridische Zaken; In dit besluit wordt verstaan onder bedrijf: in Nederland gelegen inrichting waar varkens worden gehouden. Het is voor de houders van varkens verboden op een bedrijf varkens te houden, tenzij op het bedrijf een overeenkomstig artikel 4 door een dierenarts afgegeven geldige verklaring aanwezig is waaruit blijkt dat het bedrijf vrij van varkensziekten is. Het is voor de houders van varkens verboden varkens aan een bedrijf toe te voegen, te vervoeren of te verzamelen, tenzij de zending varkens vergezeld gaat van de in het eerste lid bedoelde verklaring dan wel van een gewaarmerkt afschrift daarvan waaruit blijkt dat het bedrijf waarvan de varkens afkomstig zijn, vrij van varkensziekten is. Een bedrijf is vrij van varkensziekten indien: a. de op het bedrijf aanwezige varkens klinisch zijn onderzocht en daarbij geen verschijnselen zijn vastgesteld van een krachtens artikel 15, eerste lid, Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aangewezen besmettelijke dierziekte en b. onderzoek heeft plaatsgevonden op de aanwezigheid van antistoffen, agentia of delen daarvan betreffende door Onze Minister aangewezen varkensziekten en de uitslag daarvan negatief is bevonden Onze Minister kan nadere regelen stellen omtrent: a. de afgifte en inhoud van de verklaring, bedoeld in artikel 2; b. het bewaren van afschriften van de verklaring, bedoeld in artikel 2; c. de situatie waarin en de voorwaarden waaronder van artikel 2 kan worden afgeweken; d. het klinisch onderzoek, bedoeld in artikel 3, onderdeel a; e. het onderzoek, bedoeld in artikel 3, onderdeel b. De verklaring, bedoeld in artikel 2, eerste lid, is vanaf de dag van afgifte vier maanden geldig. Onze Minister kan de geldigheidstermijn van de verklaring, bedoeld in het eerste lid, bekorten wanneer sprake is van een besmetting of een vermoeden daarvan van: a. een krachtens artikel 15, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aangewezen dierziekte b. een krachtens het onderhavige besluit aangewezen varkensziekte. Onze Minister kan regelen stellen ten aanzien van houders van varkens ter uitvoering van de artikelen 13 en 14 van richtlijn nr. 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1996 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautair handelsverkeer in runderen en varkens, zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 97/12/EG (PbEG L109) alsmede met het oog op het toezicht op de naleving daarvan. Een wijziging van een of meer artikelen van de in het eerste lid genoemde richtlijn gaat voor de toepassing van het artikel van dit besluit waarin naar die artikelen wordt verwezen, gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekend gemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld. De Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993 wordt ingetrokken. Verklaringen, als bedoeld in artikel 2 van de Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993, die zijn afgegeven vóór de inwerkingtreding van het onderhavige besluit, worden in aanmerking genomen als verklaring als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van dit besluit voor zover de geldigheidsduur van deze verklaringen ingevolge die regeling nog niet is verstreken. Voorzover de geldigheidsduur van de verklaring, bedoeld in artikel 2 van de Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993, gedeeltelijk is verstreken, wordt de geldigheidsduur van de verklaring, bedoeld in artikel 5, eerste lid, met de periode die overeenkomt met het verstreken deel verminderd. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bedrijfscontrole varkensziekten. Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 10 maart 1998, nr. 47. NOTA VAN TOELICHTING Onderhavig besluit geeft uitvoering aan de artikelen 111 en 3, onderdelen b, c, h en i van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD). Ingevolge artikel 3 GWWD worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regelen gesteld voor bij die maatregel aangewezen categorieën van houders van dieren van bij die maatregel aangewezen soorten of categorieën van dieren omtrent onder meer: het toevoegen van dieren aan bedrijven (onderdeel b); de wijze waarop dieren worden gehouden (onderdeel c); de bedrijfsbegeleiding door een dierenarts (onderdeel h) en het vervoer en het verzamelen van dieren (onderdeel i). Naast de hier bedoelde invulling van artikel 3 van de GWWD vervangt het besluit de op de Veewet gebaseerde Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993 (Stcrt. 216). Het besluit is dan ook een onderdeel van het gefaseerde wetgevingsprogramma gericht op de omzetting van de regelgeving van de oude Veewet naar de moderne GWWD. Het besluit neemt derhalve de verboden uit de bovengenoemde regeling over, namelijk de verboden varkens te houden, aan een bedrijf toe te voegen, te vervoeren en te verzamelen, tenzij is gebleken dat de dieren vrij zijn van door de Minister van LNV aan te wijzen varkensziekten. In ieder geval zullen worden aangewezen klassieke varkenspest en blaasjesziekte, die reeds uit hoofde van de Regeling bedrijfscontrole dierziekten zijn aangewezen alsmede de ziekte van Aujeszky. Deze laatste aanwijzing is noodzakelijk ter uitvoering van het nationale bestrijdingsprogramma van die ziekte, dat in het kader van artikel 9 van Richtlijn 64/432/EEG is ingediend bij de Europese Commissie. Ingevolge de voorschriften van het onderhavige besluit worden ten aanzien van het houden, het vervoeren, het verzamelen en het toevoegen van varkens aan bedrijven voor alle houders van varkens voorwaarden gesteld, die uit het oogpunt van dierziektepreventie en -bestrijding noodzakelijk zijn. Gelet op de definitie van houder (eigenaar, houder of hoeder) in de GWWD worden alle schakels die zich met varkens bezighouden bestreken. Het besluit strekt tevens ter uitvoering van artikel 3, derde lid, van Richtlijn nr. 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en produkten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PbEG L 224). Ingevolge artikel 3, derde lid, van Richtlijn nr. 90/425/EEG dienen de Lid-Staten van de EU erop toe te zien dat slechts dieren in het handelsverkeer worden gebracht, voor zover zij afkomstig zijn van bedrijven waarop regelmatig veterinaire controles hebben plaatsgevonden. In dat kader vinden reeds de nodige controles plaats, zoals verwoord in de Regeling handel levende dieren en levende produkten. Ondanks deze controles ontstond in 1993 echter een situatie waarbij vesiculaire varkensziekte in Italië werd geconstateerd bij uit Nederland afkomstige varkens, hetgeen tot een tijdelijk exportverbod van varkens uit Nederland leidde. Derhalve diende de gangbare controlemethodiek te worden aangevuld. Bedrijfscontroles waarbij de op het bedrijf aanwezige varkens periodiek aan serologische onderzoeken worden onderworpen zouden een doeltreffende garantie bieden dat jegens het herkomstbedrijf geen termen aanwezig zijn om beperkingen krachtens communautaire voorschriften te treffen. Mede ter voorkoming van een herhaling van een dergelijk exportverbod is in 1993 derhalve besloten tot de Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993. De voorschriften van deze regeling, die thans door het onderhavige besluit worden vervangen, geven garanties op bedrijfsniveau van de afwezigheid van bepaalde dierziekten. Het betreffen zeer besmettelijke ziekten met een zekere incubatietijd op grond waarvan periodieke onderzoeken noodzakelijk zijn. Nederland is als vooraanstaand exporterend land in varkens, mede ter afwenteling van exportbelemmerende maatregelen, hierbij gebaat. De op de bedrijven aanwezige varkens worden zowel klinisch als serologisch op de aanwezigheid van ziekten onderzocht. Bij positieve bevindingen wordt door de dierenarts geen verklaring verleend dat het betreffende bedrijf vrij van varkensziekten is, waardoor de dieren niet in het handelsverkeer kunnen worden gebracht. In een dergelijke situatie kan de door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aangewezen ambtenaar ingevolge artikel 21 GWWD besluiten om maatregelen ter bestrijding van dierziekten te nemen. Mede uit oogpunt van kenbaarheid en continuïteit volgt het besluit voor een groot deel de systematiek van de bovengenoemde Regeling bedrijfscontrole dierziekten. Nochtans is ervoor gekozen de varkensziekten waarop varkens bijvoorbeeld serologisch moeten worden onderzocht, niet in het besluit zelf op te nemen, doch in een op het onderhavige besluit gebaseerde ministeriële regeling. Daardoor kan sneller worden ingespeeld op de behoefte het aantal aan te wijzen varkensziekten uit te breiden dan wel te verminderen. Overeenkomstig de Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993 worden in ieder geval vesiculaire varkensziekte en varkenspest aangewezen. Hieraan wordt zoals hierboven reeds is gemeld de ziekte van Aujeszky toegevoegd. Het klinisch onderzoek heeft betrekking op alle dierziekten die krachtens artikel 15 GWWD zijn aangewezen in de Regeling aanwijzing besmettelijke dierziekten. Van de in het onderhavige besluit opgenomen verplichtingen kan bij ministeriële regeling worden afgeweken. Achtergrond van deze mogelijkheid is onder meer het ingevolge richtlijn nr. 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1996 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautair handelsverkeer in runderen en varkens, zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 97/12/EG (PbEG L 109) voorgeschreven epidemiologisch surveillance systeem dat voorziet in een vooralsnog facultatief bedrijfsmonitoringsysteem. Gedacht kan worden aan bedrijven waarvan de dierziektesituatie op bedrijfsniveau al dan niet ter uitvoering van het epidemiologisch surveillance systeem op andere wijze reeds wordt bewaakt. Tevens kan gedacht worden aan hobby- en recreatiebedrijven met een beperkt aantal varkens, voor zover gewaarborgd is dat deze varkens uitsluitend het bedrijf mogen verlaten ten behoeven van het vervoer naar een slachthuis. Tevens strekt het besluit ter uitvoering van de artikelen 13 en 14 van richtlijn nr. 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1996 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautair handelsverkeer in runderen en varkens, zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 97/12/EG. Artikel 13 verplicht de Lid-Staten tot het registreren en erkennen van handelaren in varkens. Ingevolge artikel 13 zijn de Lid-Staten eveneens verplicht de bedrijfsruimten die door deze handelaren beroepshalve worden gebruikt te erkennen en te registreren. Aan deze handelaren worden eisen gesteld ter waarborging van de ziektevrije status van het bedrijf omtrent de bedrijfsinrichting en de verhandeling van runderen en varkens. In artikel 14 van richtlijn nr. 64/432/EEG is de mogelijkheid opgenomen om een netwerk van toezicht in te voeren, teneinde de ziektevrije status van bedrijven op adequate wijze te waarborgen. Dit systeem dient hiertoe onder meer te bestaan uit een gecomputeriseerd gegevensbestand met informatie over de bedrijven en de op de bedrijven gehouden varkens. Ook de bedrijfseigenaren, de voor het bedrijf verantwoordelijke dierenarts en de officiële dierenarts van slachthuizen en verzamelcentra worden bij dit netwerk van toezicht betrokken. Invoering van een dergelijk systeem is vooralsnog facultatief, doch dient met ingang van 31 december 1999 volledig operationeel te zijn. Het ontwerp-besluit is voor advies voorgelegd aan onder meer de Raad voor Dierenaangelegenheden, LTO-Nederland en het Produktschap Vee en Vlees. De door deze instanties uitgebrachte adviezen zijn instemmend van aard en hebben dan ook niet geleid tot inhoudelijke aanpassingen. Daarnaast is een ongevraagd advies ontvangen van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde. Deze instantie beveelt aan om in het onderhavige besluit expliciet vast te leggen dat de klinische controle en het bloedonderzoek uitsluitend ter plekke op het veehouderijbedrijf dienen te worden verricht, door de dierenarts. Het onderhavige voorstel komt ten dele aan deze wensen tegemoet. Enerzijds zijn ingevolge het onderhavige ontwerp-besluit uitsluitend dierenartsen bevoegd tot afgifte van een verklaring omtrent de gezondheidsstatus van het betreffende bedrijf. Aan deze afgifte liggen een tweetal onderzoeken ten grondslag, waarvan er één op het bedrijf wordt voorgeschreven, namelijk de klinische keuring van de op het bedrijf aanwezige varkens. Ten aanzien van het andere onderzoek, dat betrekking heeft op de aanwezigheid van antistoffen, agentia of delen daarvan schrijft het onderhavige ontwerp-besluit niet voor dat een dergelijk onderzoek op het bedrijf dient plaats te vinden. De Raad voor Dierenaangelegenheden ondersteunt blijkens het advies uitdrukkelijk het voor advies voorgelegde ontwerp-besluit, waarin de mogelijkheid open wordt gehouden om de gezondheidsstatus van een bedrijf mede te bepalen aan de hand van bijvoorbeeld bloed dat in de fase van de slacht (slachtlijn) is verkregen. Naar de mening van de Raad kunnen naar het zich laat aanzien bloedmonsters verkregen aan de slachtlijn onder omstandigheden een goed alternatief zijn voor bloedmonsters bij levende dieren. Mede gelet op het advies van de Raad en gelet op de wens om goed te kunnen inspelen op toekomstige ontwikkelingen, is met betrekking tot het onderzoek op de aanwezigheid van antistoffen, agentia of delen daarvan de door de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde voorgestelde restrictie niet overgenomen. De wijze waarop bovenbedoeld onderzoek dient plaats te vinden, zal afhangen van de omstandigheden en actuele inzichten en zal worden vastgelegd in een op het besluit gebaseerde ministeriële regeling. Het toezicht op de naleving van dit besluit geschiedt ingevolge de Regeling aanwijzing ambtenaren Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, door ambtenaren van de Rijksdienst voor de keuring van vee en vlees (RVV), alsmede door de ambtenaren van de Algemene Inspectiedienst (AID). Overtreding van de voorschriften van dit besluit is ingevolge artikel 125, onderdeel d, van de GWWD een economisch delict als bedoeld in de Wet op de economische delicten. Met de opsporing van dergelijke strafbare feiten is de AID belast. Het besluit en de nadere uitwerking daarvan in ministeriële regelingen sluit in dit stadium nauw aan bij de bestaande Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993: de controle- en uitvoeringsactiviteiten van de RVV en AID zullen in het algemeen dan ook worden ingepast in de reguliere controle- en uitvoeringsprogramma's van deze instanties. Met onderdeel a wordt het begrip «bedrijf» gedefinieerd. Het betreft inrichtingen waar varkens worden gehouden. Dit kunnen bedrijven zijn waarop varkens in verband met de uitoefening van de landbouw worden gehouden, zoals fokkerijen en mesterijen, doch de reikwijdte van het onderhavige besluit reikt verder dan de strikte uitoefening van de landbouw. Derhalve vallen in beginsel bijvoorbeeld ook een varkensproefstation alsmede een kinderboerderij waar varkens worden gehouden onder de werkingssfeer van het besluit. Evenwel zij verwezen naar de in artikel 4, onderdeel c, voorziene mogelijkheid op grond waarvan bedrijven van de werkingssfeer van het onderhavige besluit kunnen worden uitgezonderd. Over deze mogelijkheid zij verwezen naar het algemene deel van de onderhavige toelichting. Artikel 2, eerste lid, verplicht bedrijven over een geldige verklaring te beschikken, waarin wordt verklaard dat het betreffende bedrijf vrij van varkensziekten is. Slechts wanneer een dergelijke verklaring is afgegeven, zijn de in het tweede lid genoemde handelingen toegestaan. Hiermede wordt aangesloten bij de met betrekking tot artikel 3, onderdeel b, in de totstandkomingsgeschiedenis van de GWWD vermelde passage dat met het stellen van eisen aan het toevoegbeleid van dieren aan bedrijven wordt beoogd zoveel mogelijk besmettingsgevaar te voorkomen (kamerstukken II 1980–1981, 16 447, A–C). In artikel 2 komt eveneens artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van Richtlijn nr. 90/425/EEG tot uitdrukking. Op grond van artikel 4 kunnen in een ministeriële regeling omtrent de in artikel 3, onderdelen a en b, vermelde onderzoeken nadere regelen worden gesteld. Aan het in onderdeel b bedoelde onderzoek dient een representatief aantal varkens te worden onderworpen opdat de uitslag ervan representatief is voor de diergezondheidssituatie op het betreffende bedrijf. Dat aantal is enerzijds afhankelijk van het totale aantal aanwezige varkens op het bedrijf en anderzijds van de te onderzoeken varkensziekte. Tevens kunnen regelen worden gesteld over het verdere formele kader waar binnen de verklaring door de dierenarts dient te worden afgegeven. De verklaring heeft een geldigheidsduur van vier maanden. De minister heeft de bevoegdheid de geldigheidsduur van de verklaring te bekorten wanneer van een besmetting met een besmettelijke ziekte sprake is of wanneer een dergelijke besmetting wordt vermoed. Bijgevolg kan de diergezondheidssituatie op bedrijfsniveau in dat geval frequenter worden gevolgd. Gelet op het feit dat op het tijdstip van de inwerkingtreding van het onderhavige besluit reeds op basis van de Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993 rechtsgeldige verklaringen zijn afgegeven, is in artikel 6, tweede lid, daarvoor in een overgangsbepaling voorzien. Verklaringen die zijn afgegeven op grond van de Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993 vóór de inwerkingtreding van het onderhavige besluit worden, voor zover de geldigheidsduur van deze verklaringen nog niet is verstreken, in aanmerking genomen als verklaringen die op grond van het onderhavige besluit zijn afgegeven. De geldigheidsduur van deze verklaringen wordt verminderd met het reeds verstreken deel van de geldigheidsduur van de verklaringen die zijn afgegeven op grond van de Regeling bedrijfscontrole dierziekten 1993. Artikel 6 strekt ter implementatie van de artikelen 13 en 14 van richtlijn nr. 64/432/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1996 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautair handelsverkeer in runderen en varkens, zoals gewijzigd bij richtlijn nr. 97/12/EG/ (PbEG L 109). Op grond van artikel 6 kunnen varkenshandelaren en de bedrijfsruimten die zij beroepshalve gebruiken worden geregistreerd en erkend. Tevens kan op grond van artikel 6 uitvoering worden gegeven aan het netwerk van toezicht. EG-Regelgeving Besluit bedrijfscontrole varkensziekten Artikel 3, derde lid, richtlijn 90/425/EEG Artikel 3 Artikelen 13 en 14 richtlijn 64/432/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/12/EG. Artikel 6
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Besluit van 19 januari 1998, houdende regelen terzake van de bedrijfscontrole op varkensziekten (Besluit bedrijfscontrole varkensziekten)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in