Wet van 20 december 2012 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet aanpassing bestuursprocesrecht)
A person with an interest may appeal to the administrative court, and the provision also sets procedural rules on fees, hearing, notices, and some court powers.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 1 Jul 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
A person with an interest may appeal to the administrative court, and the provision also sets procedural rules on fees, hearing, notices, and some court powers. This provision lists many laws and decisions for which appeal can be brought to specific courts, including the Raad van State, the Centrale Raad van Beroep, the College van Beroep voor het bedrijfsleven, certain district courts, and some cases a court of appeal. This provision sets procedural rules and deadlines for administrative appeals and cassation, including who may file a response, when the court must decide, and when the registrar must send the hearing record.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 20 december 2012 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet aanpassing bestuursprocesrecht)
Showing 3 of 3
- document.segment-1 Verify source ↗
Wet van 20 december 2012 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet aanpassing bestuursprocesrecht) — segment 1
AI-assisted research summary: A person with an interest may appeal to the administrative court, and the provision also sets procedural rules on fees, hearing, notices, and some court powers.
Staatsblad Wet van 20 december 2012 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet aanpassing bestuursprocesrecht) Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: WIJZIGING VAN DE ALGEMENE WET BESTUURSRECHT EN AANVERWANTE WETTEN A 1. Onder bestuursrechter wordt verstaan: een onafhankelijk, bij de wet ingesteld orgaan dat met bestuursrechtspraak is belast. 2. Onder hogerberoepsrechter wordt verstaan: een bestuursrechter die in hoger beroep oordeelt. B C D E F G H I J K L M N O P 1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. 2. Het eerste lid geldt ook indien het bezwaar is gemaakt of het beroep is ingesteld nadat het bestuursorgaan het bestreden besluit heeft ingetrokken, gewijzigd of vervangen. 3. Het bestuursorgaan doet onverwijld mededeling van het nieuwe besluit aan het orgaan waarbij het beroep aanhangig is. 4. Indien een ander orgaan een bezwaar- of beroepschrift tegen het nieuwe besluit ontvangt, zendt het dit met toepassing van artikel 6:15, eerste en tweede lid, door. 5. De bestuursrechter kan het beroep tegen het nieuwe besluit echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is. 6. Intrekking of vervanging van het bestreden besluit staat niet in de weg aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft. Q Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. R S T het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4, het besluit is genomen op basis van een uitspraak waarin de bestuursrechter met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onderdeel a, heeft bepaald dat afdeling 3.4 geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijft, het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit, het besluit is genomen op grond van een voorschrift als genoemd in de bij deze wet behorende Regeling rechtstreeks beroep dan wel het besluit anderszins in die regeling is omschreven. U V Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien: het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is, het bezwaar kennelijk ongegrond is, de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. W 2. De beslissing wordt bekendgemaakt door toezending of uitreiking aan degenen tot wie zij is gericht. Betreft het een besluit dat niet tot een of meer belanghebbenden is gericht, dan wordt de beslissing tevens bekendgemaakt op dezelfde wijze als waarop dat besluit bekendgemaakt is, tenzij het bestreden besluit in stand wordt gelaten. X 5. Indien aan de belanghebbende in verband met het bezwaar een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, betaalt het bestuursorgaan de toe te kennen vergoeding aan de rechtsbijstandverlener. De rechtsbijstandverlener stelt de belanghebbende zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane eigen bijdrage. De rechtsbijstandverlener doet aan de Raad voor rechtsbijstand opgave van een kostenvergoeding door het bestuursorgaan. Y Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien: het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, het beroep kennelijk ongegrond is, de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, of de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Z 3. Indien aan de belanghebbende in verband met het beroep een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, betaalt het bestuursorgaan de toe te kennen vergoeding aan de rechtsbijstandverlener. De rechtsbijstandverlener stelt de belanghebbende zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane eigen bijdrage. De rechtsbijstandverlener doet aan de Raad voor rechtsbijstand opgave van een kostenvergoeding door het bestuursorgaan. AA BIJZONDERE BEPALINGEN OVER BEROEP EN HOGER BEROEP BIJ DE BESTUURSRECHTER BB ALGEMENE BEPALINGEN OVER HET BEROEP IN EERSTE AANLEG CC BEVOEGDHEID Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. 1. Met een besluit wordt gelijkgesteld: een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij de volgende personen, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn: een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig, een militair ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 als zodanig, een lid van het personeel van een zelfstandig bestuursorgaan waarop ingevolge artikel 15 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen de ambtelijke rechtspositieregels van overeenkomstige toepassing zijn als zodanig, een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet dienstplicht als zodanig, een andere publiekrechtelijke handeling van een bij of krachtens de Wet op de bedrijfsorganisatie ingesteld bestuursorgaan. 2. Met een besluit wordt gelijkgesteld de schriftelijke beslissing, inhoudende de weigering van de goedkeuring van: een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel of de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel, een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. 1. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit: inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel, inhoudende de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel, inhoudende de goedkeuring van een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel of de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel. 2. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. 1. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit: inhoudende een weigering op grond van artikel 2:15, inhoudende een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112 of een dwangbevel, als bedoeld in artikel 7:1a, vierde lid, inhoudende schorsing of vernietiging van een besluit van een ander bestuursorgaan, als bedoeld in artikel 3:21, eerste lid, onderdeel b. 2. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit: op grond van een in enig wettelijk voorschrift voor het geval van buitengewone omstandigheden toegekende bevoegdheid of opgelegde verplichting in deze omstandigheden genomen, genomen op grond van een wettelijk voorschrift ter beveiliging van de militaire belangen van het Koninkrijk of zijn bondgenoten, genomen op grond van een wettelijk voorschrift inzake de verplichte krijgsdienst, voor zover het keuring, herkeuring, werkelijke dienst, groot verlof of diensteindiging betreft, tenzij het besluit betrekking heeft op verlenging van werkelijke dienst of kostwinnersvergoeding. 3. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit: tot benoeming of aanstelling, tenzij beroep wordt ingesteld door een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig, een militair ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 als zodanig, een lid van het personeel van een zelfstandig bestuursorgaan waarop ingevolge artikel 15 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen de ambtelijke rechtspositieregels van overeenkomstige toepassing zijn als zodanig, een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden, inhoudende een beoordeling van het kennen of kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing, inhoudende een technische beoordeling van een voertuig of een luchtvaartuig, dan wel een meetmiddel, een onderdeel daarvan of een hulpinrichting daarvoor. 4. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit: inzake de nummering van kandidatenlijsten, de geldigheid van lijstverbindingen, het verloop van de stemming, de stemopneming, de vaststelling van de stemwaarden en de vaststelling van de uitslag bij verkiezingen van de leden van vertegenwoordigende organen, de benoemdverklaring in opengevallen plaatsen, alsmede de toelating van nieuwe leden van provinciale staten, van de gemeenteraad en van het algemeen bestuur van een waterschap, alsmede de verlening van tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, houdende een ambtshandeling van een gerechtsdeurwaarder of notaris. 1. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak. 2. Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit waartegen administratief beroep kan worden ingesteld of door de belanghebbende kon worden ingesteld. 1. Het beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, tenzij een andere bestuursrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift. 2. Bij elk van de bestuursrechters, genoemd in hoofdstuk 2 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, kan beroep worden ingesteld tegen een besluit waarover die rechter in hoger beroep oordeelt, indien hij toepassing heeft gegeven aan artikel 8:113, tweede lid. 1. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een bestuursorgaan van een provincie, een gemeente, een waterschap of een regio als bedoeld in artikel 21 van de Politiewet 1993 dan wel tegen een besluit van een gemeenschappelijk orgaan of een bestuursorgaan van een openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft. 2. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een ander bestuursorgaan, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft. Indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, is bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft. 3. Indien een voortdurend gebrek aan voldoende zittingscapaciteit bij een rechtbank daartoe noodzaakt, kan bij algemene maatregel van bestuur voor de duur van ten hoogste twee jaar een andere dan de overeenkomstig het eerste en tweede lid bevoegde rechtbank worden aangewezen als bevoegde rechtbank voor zaken die behoren tot een bij die maatregel aangewezen categorie. Onder zittingscapaciteit wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, onder h, van de Wet op de rechterlijke organisatie. 4. Indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit als bedoeld in hoofdstuk 3 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, is in afwijking van het eerste en tweede lid slechts de door dat hoofdstuk aangewezen rechtbank bevoegd. 5. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien beroep in eerste aanleg kan worden ingesteld bij een gerechtshof. 1. Indien tegen hetzelfde besluit bij meer dan één bevoegde rechtbank beroep is ingesteld, worden de zaken verder behandeld door de bevoegde rechtbank waarbij als eerste beroep is ingesteld. Indien gelijktijdig bij meer dan één bevoegde rechtbank als eerste beroep is ingesteld, worden de zaken verder behandeld door de bevoegde rechtbank die als eerste wordt genoemd in de Wet op de rechterlijke indeling. 2. De andere rechtbank verwijst, onderscheidenlijk de andere rechtbanken verwijzen de daar aanhangig gemaakte zaak of zaken naar de rechtbank die de zaken verder behandelt. De op de zaak of zaken betrekking hebbende stukken worden toegezonden aan de rechtbank die de zaken verder behandelt. 3. Indien tegen hetzelfde besluit bij meer dan één rechtbank beroep is ingesteld, doet het bestuursorgaan daarvan onverwijld mededeling aan die rechtbanken. 4. Indien het bestuursorgaan ingevolge artikel 7:1a, vijfde of zesde lid, twee of meer bezwaarschriften doorzendt, zendt het bestuursorgaan deze door aan de rechtbank die ingevolge de tweede volzin van het eerste lid de zaak zal behandelen. 5. Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien beroep in eerste aanleg kan worden ingesteld bij een gerechtshof. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Centrale Raad van Beroep, onderscheidenlijk het College van Beroep voor het bedrijfsleven, oordelen in hoogste ressort over geschillen tussen de rechtbanken over de toepassing van artikel 8:7 in zaken tot de kennisneming waarvan zij in hoger beroep bevoegd zijn. CCa BEHANDELING DOOR EEN ENKELVOUDIGE, MEERVOUDIGE OF GROTE KAMER DD 1. De zaken die bij een andere bestuursrechter dan de rechtbank aanhangig worden gemaakt, worden in behandeling genomen door een meervoudige kamer. 2. Indien een zaak naar het oordeel van de meervoudige kamer geschikt is voor verdere behandeling door één rechter, kan zij deze verwijzen naar een enkelvoudige kamer. 3. Indien een zaak naar het oordeel van de enkelvoudige kamer ongeschikt is voor behandeling door één rechter, verwijst zij deze naar een meervoudige kamer. 4. De meervoudige kamer kan een zaak voorts verwijzen naar een grote kamer, indien haar dit met het oog op de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling geraden voorkomt. De eerste volzin geldt niet, indien de zaak aanhangig is bij een gerechtshof. 5. Verwijzing kan geschieden in elke stand van het geding. Een verwezen zaak wordt voortgezet in de stand waarin zij zich bevindt. DDa 1. De voorschriften omtrent de behandeling van het beroep zijn van toepassing op de behandeling door elk van de kamers, bedoeld in de artikelen 8:10 en 8:10a. 2. Degene die zitting heeft in een enkelvoudige kamer heeft tevens de bevoegdheden en de verplichtingen van de voorzitter. EE FF CONCLUSIE 1. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de president van de Centrale Raad van Beroep en de president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven kunnen in zaken die in hun college in behandeling zijn bij een meervoudige of grote kamer, een lid van het desbetreffende college verzoeken een conclusie te nemen. 2. Een dergelijk verzoek kan ook worden gericht aan een lid van een van de andere colleges in overeenstemming met de voorzitter onderscheidenlijk de president van dat college. 3. De conclusie wordt schriftelijk genomen, is met redenen omkleed en vermeldt: de naam van degene die haar heeft genomen en de dag waarop zij is genomen. 4. De conclusie wordt uiterlijk zes weken na sluiting van het onderzoek ter zitting ter kennis van het college gebracht en in afschrift aan partijen toegezonden. Aan artikel 8:64 behoeft daarbij geen toepassing te worden gegeven. 5. Partijen kunnen binnen twee weken na verzending van het afschrift van de conclusie hun schriftelijk commentaar daarop aan het college doen toekomen. 6. Artikel 8:79, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. 7 Degene die de conclusie heeft genomen, neemt geen deel aan de beraadslagingen over de zaak. 8. De conclusie bindt het college niet. GG 4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien beroep in eerste aanleg kan worden ingesteld bij een gerechtshof. HH II JJ KK LL MM 2. Voor de bestuursrechter deze partij verhoort, deelt hij haar mede dat zij niet verplicht is tot antwoorden. NN OO PP QQ BEHANDELING VAN HET BEROEP IN EERSTE AANLEG RR 1. Van de indiener van het beroepschrift wordt door de griffier een griffierecht geheven. 2. Het griffierecht bedraagt: € 42 indien door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld tegen een besluit als omschreven in de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht, € 156 indien door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld tegen een ander besluit, € 310 indien anders dan door een natuurlijke persoon beroep is ingesteld. 3. Indien het een beroepschrift tegen twee of meer samenhangende besluiten dan wel van twee of meer indieners tegen hetzelfde besluit betreft, is eenmaal griffierecht verschuldigd. Dit griffierecht is gelijk aan het hoogste van de bedragen die bij toepassing van het tweede lid verschuldigd zouden zijn geweest. 4. De griffier deelt de indiener van het beroepschrift mede welk griffierecht is verschuldigd en wijst hem daarbij op het bepaalde in het vijfde en zesde lid. 5. Het griffierecht dient binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort. 6. Indien het bedrag niet tijdig is bijgeschreven of gestort, is het beroep niet-ontvankelijk, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 7. Indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, vergoedt het bestuursorgaan aan de indiener het door deze betaalde griffierecht. 8. In andere gevallen kan het bestuursorgaan, indien het beroep wordt ingetrokken, het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden. RRa ALGEMENE BEPALING De bestuursrechter beslecht het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. SS SSa TT 4. Van het voornemen van de bestuursrechter tot het vragen van inlichtingen of advies aan de Europese Commissie krachtens artikel 15, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PbEG 2003, L 1) wordt aan partijen mededeling gedaan. De bestuursrechter kan partijen in de gelegenheid stellen om hun wensen omtrent de te vragen inlichtingen of het te vragen advies binnen een door hem te bepalen termijn schriftelijk aan hem kenbaar te maken. 5. Op het verstrekken van inlichtingen of advies door de Europese Commissie is artikel 8:29 van overeenkomstige toepassing. 6. Partijen kunnen binnen vier weken na de dag van verzending aan hen van de inlichtingen of het advies van de Europese Commissie schriftelijk hun zienswijze met betrekking tot de inlichtingen of het advies naar voren brengen. De rechtbank kan deze termijn verlengen. UU 1. De Europese Commissie en de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit kunnen, niet optredende als partij, schriftelijke opmerkingen maken krachtens artikel 15, derde lid, eerste alinea, van de in artikel 8:45, vierde lid, genoemde verordening indien zij de wens daartoe te kennen hebben gegeven. De bestuursrechter kan daarvoor een termijn vaststellen. 2. Met toestemming van de bestuursrechter kunnen de Europese Commissie en de raad van bestuur ook mondelinge opmerkingen maken. De bestuursrechter kan de Europese Commissie en de raad van bestuur voor het maken van mondelinge opmerkingen uitnodigen. Partijen worden in de gelegenheid gesteld daarbij aanwezig te zijn. Artikel 8:44, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 3. De bestuursrechter doet partijen schriftelijk mededeling van de stukken die hij krachtens artikel 15, derde lid, tweede alinea, van de verordening aan de Europese Commissie of de raad van bestuur verstrekt met het oog op de door hen te maken opmerkingen. 4. Partijen kunnen binnen vier weken na de dag van verzending aan hen van de opmerkingen dan wel van het proces-verbaal van de opmerkingen van de Europese Commissie of de raad van bestuur schriftelijk hun zienswijze met betrekking tot de opmerkingen naar voren brengen. De bestuursrechter kan deze termijn verlengen. VV WW XX YY ZZ AAA BBB Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De artikelen 8:51a, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, 8:51b, tweede en derde lid, en 8:51c, aanhef en onderdelen b tot en met d, zijn van toepassing. CCC de in artikel 8:58, eerste lid, bedoelde termijn verkorten. DDD EEE FFF GGG 1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de bestuursrechter. 2. De artikelen 6:4, derde lid, 6:5 tot en met 6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21 zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Indien bij wet de werking van een uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist, wordt de werking van de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, op overeenkomstige wijze opgeschort. 4. Alvorens uitspraak te doen op het verzet, stelt de bestuursrechter de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd, in de gelegenheid op een zitting te worden gehoord, tenzij hij van oordeel is dat het verzet gegrond is. In andere gevallen kan de bestuursrechter de indiener in de gelegenheid stellen op een zitting te worden gehoord. 5. De bestuursrechter kan ook de andere partijen in de gelegenheid stellen op de zitting, bedoeld in het vierde lid, te worden gehoord. 6. Indien de uitspraak waartegen verzet is gedaan, is gedaan door een meervoudige kamer, wordt uitspraak op het verzet gedaan door een meervoudige kamer. Van de kamer die uitspraak doet op het verzet maakt geen deel uit degene die zitting heeft gehad in de kamer die de uitspraak heeft gedaan waartegen verzet is gedaan. 7. De uitspraak strekt tot: niet-ontvankelijkverklaring van het verzet, ongegrondverklaring van het verzet, of gegrondverklaring van het verzet. 8. Indien de bestuursrechter het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan in stand. 9. Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond. 10. Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, kan hij tevens uitspraak doen op het beroep, mits: nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, en de partijen in de gelegenheid zijn gesteld op een zitting te worden gehoord en daarbij zijn gewezen op de bevoegdheid om tevens uitspraak te doen op het beroep. HHH III Indien het beroep gegrond is, stelt de bestuursrechter desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. De artikelen 611a, vierde lid, 611b tot en met 611d en 611g van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing. JJJ KKK LLL MMM NNN OOO 1. De schriftelijke opmerkingen van de Europese Commissie of de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, bedoeld in artikel 8:45a, eerste lid, kunnen tot tien dagen voor de zitting worden ingediend. 2. Indien de Europese Commissie of de raad van bestuur ter zitting verschijnt voor het maken van mondelinge opmerkingen, wordt dit zoveel mogelijk aan partijen meegedeeld bij de uitnodiging voor de zitting. Artikel 8:45a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. PPP 3. De griffier maakt van de zitting een proces-verbaal op: indien de bestuursrechter dit ambtshalve of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft, bepaalt, of op verzoek van de hogerberoepsrechter of de Hoge Raad. 9. De griffier die een proces-verbaal opmaakt, zendt dit aan partijen. QQQ RRR SSS TTT UUU VVV WWW XXX YYY De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. ZZZ AAAA 1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk. 2. De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee. 3. De bestuursrechter kan bepalen dat: de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan. 4. De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij: bepalen dat wettelijke voorschriften over de voorbereiding van het nieuwe besluit of de andere handeling geheel of gedeeltelijk buiten toepassing blijven; het bestuursorgaan een termijn stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling. 5. De bestuursrechter kan zo nodig een voorlopige voorziening treffen. Daarbij bepaalt hij het tijdstip waarop de voorlopige voorziening vervalt. 6. De bestuursrechter kan bepalen dat, indien of zolang het bestuursorgaan niet voldoet aan een uitspraak, het bestuursorgaan aan een door hem aangewezen partij een in de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt. De artikelen 611a, vierde lid, 611b tot en met 611d en 611g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing. BBBB CCCC DDDD EEEE FFFF 2. In geval van een veroordeling in de kosten ten behoeve van een partij aan wie ter zake van het beroep bij de bestuursrechter, het bezwaar of het administratief beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt het bedrag van de kosten betaald aan de rechtsbijstandverlener. De rechtsbijstandverlener stelt de belanghebbende zoveel mogelijk schadeloos voor de door deze voldane eigen bijdrage. De rechtsbijstandverlener doet aan de Raad voor rechtsbijstand opgave van een kostenvergoeding door het bestuursorgaan. GGGG HHHH IIII 3. In afwijking van het tweede lid verstrekt de griffier, indien de uitspraak betrekking heeft op de toepassing van de artikelen 101 of 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van de in artikel 8:45, vierde lid, genoemde verordening onverwijld en kosteloos een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak aan de Europese Commissie. De verstrekking geschiedt door tussenkomst van de Raad voor de rechtspraak, tenzij het een uitspraak van de Hoge Raad of van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State betreft. JJJJ KKKK LLLL MMMM NNNN 1. Van de verzoeker wordt door de griffier een griffierecht geheven. 2. Het griffierecht is gelijk aan het griffierecht dat de verzoeker ten tijde van de indiening van het verzoek voor de hoofdzaak verschuldigd is of zou zijn. 3. Artikel 8:41, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de termijn voor de bijschrijving of storting van het griffierecht twee weken bedraagt. De voorzieningenrechter kan een kortere termijn stellen. 4. De griffier betaalt het griffierecht terug indien het verzoek wordt ingetrokken: omdat het bestuursorgaan aan de voorzieningenrechter schriftelijk heeft medegedeeld de uitvoering van het bestreden besluit tijdens de procedure over de hoofdzaak op te schorten, of omdat de belanghebbende tot wie het bestreden besluit is gericht, aan de voorzieningenrechter schriftelijk heeft medegedeeld de gevraagde voorlopige maatregelen te zullen nemen. 5. De uitspraak kan inhouden dat het betaalde griffierecht door het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk wordt vergoed. 6. In andere gevallen kan het bestuursorgaan het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoeden. OOOO 1. Partijen worden zo spoedig mogelijk uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting te verschijnen. Binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn zendt het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem. De artikelen 8:45, vierde tot en met zesde lid, en 8:45a zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de voorzieningenrechter kan bepalen dat de in deze artikelen bedoelde zienswijzen mondeling ter zitting naar voren worden gebracht. Artikel 8:58 is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat tot één dag voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend. De artikelen 8:59, 8:60, 8:60a, tweede lid, en 8:61 tot en met 8:65 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat getuigen en deskundigen kunnen worden meegebracht of opgeroepen zonder dat de in artikel 8:60, vierde lid, eerste volzin, bedoelde mededeling is gedaan. PPPP 3. De voorzieningenrechter kan aan de gehele of gedeeltelijke toewijzing van het verzoek de voorwaarde verbinden dat de indiener van het verzoekschrift financiële zekerheid stelt ten behoeve van de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort. QQQQ RRRR 2. Indien de bestuursrechter in eerste en hoogste aanleg uitspraak doet, kan het eerste lid slechts worden toegepast indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. 3. Partijen worden in de uitnodiging, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, gewezen op de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, en indien de bestuursrechter in eerste en hoogste aanleg uitspraak doet, tevens op de voorwaarde, bedoeld in het tweede lid. SSSS TTTT HOGER BEROEP 1. Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen hoger beroep instellen tegen: een uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, of artikel 8:67, eerste lid, van de rechtbank, en een uitspraak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de voorzieningenrechter van de rechtbank. 2. Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen: een uitspraak van de rechtbank na toepassing van artikel 8:54, eerste lid, een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:54a, tweede lid, een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, zevende lid, een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, eerste lid, een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, in verband met artikel 8:84, vijfde lid, en een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:87. 3. Tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de in het eerste lid bedoelde uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegen: een tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a, of een andere beslissing van de rechtbank. 4. Geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen de voorlopige voorziening, bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid. Het hoger beroep wordt ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, tenzij een andere hogerberoepsrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 4 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift. 1. De werking van een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist, indien: de uitspraak betreft een besluit als bedoeld in artikel 9 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, of tegen de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij een gerechtshof. 2. Het eerste lid geldt niet indien de uitspraak een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit betreft. 1. De griffier van de hogerberoepsrechter doet van het ingestelde hoger beroep zo spoedig mogelijk mededeling aan de griffier van de rechtbank die de uitspraak heeft gedaan. 2. De griffier van de rechtbank zendt de gedingstukken met de aantekeningen van de zitting, voor zover deze op de zaak betrekking hebben, en een afschrift van de uitspraak binnen een week na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde mededeling aan de griffier van de hogerberoepsrechter. 3. Op verzoek van de hogerberoepsrechter zendt de griffier van de rechtbank het proces-verbaal van de zitting aan de griffier van de hogerberoepsrechter binnen een door de hogerberoepsrechter te bepalen termijn. 1. Voor zover in deze titel niet anders is bepaald, zijn op het hoger beroep de titels 8.1 tot en met 8.3 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1 tot en met 8:10, 8:41, tweede lid, en 8:74. 2. Indien hoger beroep kan worden ingesteld bij een gerechtshof, is voorts hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van toepassing. 1. Het griffierecht voor het hoger beroep bedraagt: € 115 indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak omtrent een besluit als omschreven in de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht, € 232 indien door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld tegen een uitspraak omtrent een ander besluit, of € 466 als anders dan door een natuurlijke persoon hoger beroep is ingesteld. 2. Indien het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld en de aangevallen uitspraak in stand blijft, wordt van het bestuursorgaan een griffierecht geheven dat gelijk is aan het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde bedrag. 1. Indien hoger beroep is ingesteld, kan degene die ook hoger beroep had kunnen instellen, incidenteel hoger beroep instellen. De voorschriften omtrent het hoger beroep zijn van toepassing, tenzij in deze titel anders is bepaald. 2. Het incidenteel hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het hoger beroep aan de desbetreffende partij heeft verzonden. 3. Binnen vier weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het incidenteel hoger beroep aan partijen heeft verzonden, kunnen deze partijen schriftelijk hun zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep naar voren brengen. 4. De hogerberoepsrechter kan de in het tweede en derde lid genoemde termijnen verlengen. 5. Voor het incidenteel hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd. 1. Niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep heeft geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep, tenzij die niet-ontvankelijkheid het gevolg is van: overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep, overschrijding van de termijn voor betaling van het griffierecht, of de omstandigheid dat degene die het hoger beroep heeft ingesteld daartoe niet gerechtigd was. 2. Intrekking van het hoger beroep na aanvang van de termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep heeft geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep. 1. Incidenteel hoger beroep kan worden ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep gegrond is. 2. Een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep vervalt als het hoger beroep niet-ontvankelijk of ongegrond is, dan wel wordt ingetrokken. In het laatste geval deelt de griffier de indiener mee dat zijn hoger beroep is vervallen. 1. De hogerberoepsrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank, hetzij met overneming, hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met gehele of gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak, hetgeen de rechtbank zou behoren te doen. 2. Indien de uitspraak van de hogerberoepsrechter ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, kan de uitspraak tevens inhouden dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter. 1. Indien de hogerberoepsrechter de uitspraak van de rechtbank geheel of gedeeltelijk vernietigt, houdt de uitspraak tevens in dat het bestuursorgaan aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht vergoedt, tenzij de hogerberoepsrechter bepaalt dat het griffierecht door de griffier aan de indiener wordt terugbetaald. 2. In andere gevallen kan de uitspraak inhouden dat het bestuursorgaan of de griffier het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt. 1. De hogerberoepsrechter wijst de zaak terug naar de rechtbank die deze in eerste aanleg heeft behandeld, indien: de rechtbank haar onbevoegdheid of de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken en de hogerberoepsrechter deze uitspraak vernietigt met bevoegdverklaring van de rechtbank, onderscheidenlijk ontvankelijkverklaring van het beroep, of de hogerberoepsrechter om andere redenen van oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld. 2. De griffier zendt de gedingstukken en een afschrift van de uitspraak zo spoedig mogelijk aan de griffier van de rechtbank. In de gevallen, bedoeld in artikel 8:115, eerste lid, onderdeel a, kan de hogerberoepsrechter de zaak zonder terugwijzing afdoen, indien deze naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft. Indien de uitspraak is gedaan door een andere rechtbank dan de bevoegde, kan de hogerberoepsrechter de uitspraak als bevoegdelijk gedaan aanmerken. 1. In geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan kan het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld. 2. Indien het hoger beroep mondeling wordt ingetrokken, wordt het verzoek door de partij die daarbij aanwezig is mondeling gedaan, tegelijk met de intrekking van het hoger beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, is het verzoek niet-ontvankelijk. 3. Indien het hoger beroep schriftelijk wordt ingetrokken, wordt het verzoek schriftelijk gedaan. In dat geval zijn de artikelen 6:5 tot en met 6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21 van overeenkomstige toepassing. 4. Artikel 8:73a, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. UUUU 2. Hoofdstuk 6, titel 8.1, met uitzondering van afdeling 8.1.1 en artikel 8:13, titel 8.2, met uitzondering van artikel 8:41, tweede lid, titel 8.3 en titel 8.5, met uitzondering van artikel 8:109, zijn voor zover nodig van overeenkomstige toepassing. 3. Het griffierecht is gelijk aan het griffierecht dat ten tijde van de indiening van het verzoek verschuldigd zou zijn geweest voor het beroep of hoger beroep dat heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd. 4. Indien de uitspraak wordt herzien, betaalt de griffier het griffierecht terug. VVVV WWWW 2. Van het horen van de klager kan worden afgezien indien: de klacht kennelijk ongegrond is, de klager heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, of de klager niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. XXXX YYYY ZZZZ AAAAA 1. De bij of krachtens deze wet vastgestelde bedragen worden jaarlijks met ingang van 1 januari bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijsindex. Daarbij worden de bedragen rekenkundig afgerond op gehele euro’s. 2. Het eerste lid geldt niet voor de grensbedragen, genoemd in de artikelen 4:98, tweede lid, 4:113, tweede lid, en 5:53, eerste lid, en in artikel 1, onderdelen c en d, van de bij deze wet behorende Regeling verlaagd griffierecht. Deze bedragen kunnen bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie worden aangepast voor zover de consumentenprijsindex daartoe aanleiding geeft. Bij een wijziging van een bijlage bij deze wet blijft de bijlage zoals deze luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van toepassing op het beroep of hoger beroep tegen een besluit dat, onderscheidenlijk een uitspraak die voor dat tijdstip is bekendgemaakt. BBBBB CCCCC Regeling rechtstreeks beroep (artikel 7:1, eerste lid, onderdeel g) Tegen een besluit, genomen op grond van een in deze regeling genoemd voorschrift dan wel anderszins in deze regeling omschreven, kan geen bezwaar worden gemaakt. Belemmeringenwet Privaatrecht: de artikelen 2, vijfde lid, en 3, tweede lid, voor zover de verplichting noodzakelijk is voor de uitvoering van werken als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onderdelen b en c, van de Crisis- en herstelwet of voor de uitvoering van een of meer besluiten als bedoeld in: artikel 3, eerste lid, van de Wet bereikbaarheid en mobiliteit artikel 21, tweede lid, van de Tracéwet de artikelen 3.30, eerste lid, onder a, 3.33, eerste lid, onder a, en 3.35, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening artikel 15, tweede lid, van de Spoedwet wegverbreding: de verlegging van kabels en leidingen, verband houdende met de uitvoering van een wegaanpassingsbesluit Dienstenwet: de artikelen 59a en 59c Gemeentewet: de artikelen 85, tweede lid, 87a, eerste lid, 155d en 268, eerste lid, alsmede een beschikking tot ophouding als bedoeld in artikel 154a Huisvestingswet: artikel 40, eerste lid Kaderwet dienstplicht: artikel 13 Kieswet: de artikelen D 3, achtste lid, D 6, D 8, G 1 tot en met G 4, I 4, K 8, L 11, M 4, Q 6, S 2, X 4, derde lid, X 5, derde lid, X 7, vierde lid, en X 8, vierde lid artikel Y 2 in samenhang met artikel D 3, achtste lid, D 6, D 8, G 1, G 4, I 4, K 8, L 11 of M 4 de artikelen Y 32 en Y 33 Landbouwkwaliteitswet: een besluit van een tuchtgerecht of een centraal tuchtgerecht, ingesteld door een controle-instelling als bedoeld in artikel 13 Mededingingswet: de artikelen 37, eerste lid, 44, eerste lid, en 47, eerste lid Monumentenwet 1988: artikel 29 Provinciewet: de artikelen 83, tweede lid, 151d en 261, eerste lid Telecommunicatiewet, voor zover het betreft een besluit van het college, genoemd in artikel 2 van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit, genomen op grond van: hoofdstuk 5 hoofdstuk 6, tenzij bezwaar kon worden ingesteld voor de inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002 de hoofdstukken 6A, 6B en 12 Vreemdelingenwet 2000: de artikelen 54, tweede lid, 56 en 59 een aanwijzing als bedoeld in de artikelen 55, eerste lid, 57 of 58 een kennisgeving als bedoeld in artikel 62a, eerste lid de afdelingen 3 en 5 van hoofdstuk 7 Waterschapswet: artikel 21, eerste lid, en artikel 41, vijfde lid Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften: artikel 32 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht: een besluit inzake een verklaring als bedoeld in artikel 2.27 een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2.34 of 3.13, tweede lid Wet gemeenschappelijke regelingen: een ontslagbesluit als bedoeld in artikel 16, vijfde lid een besluit van een plusregio als bedoeld in hoofdstuk IX voor zover het bestuur van een gemeente daartegen beroep instelt Wet luchtvaart: de artikelen 8.25f, eerste en tweede lid, en 8.25g, eerste lid Wet milieubeheer: artikel 16.31, tweede lid Wet op het financieel toezicht: hoofdstuk 5.1 en de artikelen 5:77, eerste lid, en 5:81, derde lid een besluit terzake van het ingevolge artikel 5:76, tweede lid, of 5:80b, vijfde lid, bepaalde, met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:80 de artikelen 6:1 en 6:2 Wet politiegegevens: artikelen 25 en 28 Wet ruimtelijke ordening: een besluit op een verzoek om een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 6.8 of 6.9 een besluit omtrent herziening van een exploitatieplan, dat niet is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede een besluit omtrent de afrekening en herberekende exploitatiebijdragen van een exploitatieplan een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, of artikel 3.26, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, zesde lid Wet tijdelijk huisverbod Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (artikelen 8:5, 8:6, 8:7, 8:105 en 8:106) Van beroep uitgezonderde besluiten (artikel 8:5) Geen beroep Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift, kan geen beroep worden ingesteld. Algemene wet gelijke behandeling: hoofdstuk 2, met uitzondering van de artikelen 16 en 17 en de op grond van artikel 21, tweede lid, gestelde regels Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945: artikel 6 Burgerlijk Wetboek, voor zover de aanvraag is toegewezen: Boek 1: artikel 7, eerste en tweede lid titel 14, afdeling 4 Boek 2: de artikelen 63d, tweede lid, 156 en 266 Elektriciteitswet 1998: de artikelen 9b, vierde lid, 9c, derde lid, 9d, tweede en derde lid, 9e, vijfde lid, 9f, zesde lid, 20a, derde lid, 20b, derde lid, en 20c, tweede en derde lid Faillissementswet: artikel 285 Financiële-verhoudingswet: artikel 9 Gaswet: de artikelen 39b, derde lid, 39c, derde lid, en 39d, tweede en derde lid Gemeentewet: de artikelen 49, 169, derde lid, 180, derde lid, en 234, tweede lid, onderdeel a artikel 273, voor zover het betreft de weigering om een besluit te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit Geneesmiddelenwet: artikel 17 Gerechtsdeurwaarderswet: artikel 3a, tweede lid Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën: de artikelen 20, 21, 22, 72, eerste lid, 75, en 101, derde lid, voor zover die wet nog van toepassing is op grond van artikel VIII, eerste lid, van de Wet van 12 november 2009 tot aanpassing van LNV-wetgeving in verband met de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (Stb. 2009, 550) Invorderingswet 1990, met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a Kostenwet invordering rijksbelastingen, met uitzondering van artikel 7 Leegstandwet: artikel 15, eerste lid, voor zover het betreft een weigering van de vergunning artikel 15, vijfde lid, voor zover het betreft een afwijzing van het verzoek tot verlenging artikel 16, negende lid, eerste volzin Mededingingswet: artikel 49a, eerste lid, voor zover de aanvraag is afgewezen artikel 49c, tweede lid, voor zover de intrekking of wijziging geschiedt op de gronden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b of c, van dat artikel Mijnbouwwet: de artikelen 141a, derde lid, 141b, derde lid, en 141c, tweede en derde lid Natuurbeschermingswet 1998: de artikelen 17, 19kg en 23 Onteigeningswet Ontgrondingenwet: mededeling als bedoeld in artikel 10, tweede en derde lid Pensioenwet: de artikelen 155 en 157 Politiewet 1993: de artikelen 29, eerste en tweede lid, 32, eerste en tweede lid, 34, derde lid, 35, tweede lid, 37, tweede lid, 38d en 43b Provinciewet: de artikelen 49, 167, derde lid, en 179, derde lid artikel 261, voor zover het betreft de weigering om een besluit te nemen en het niet tijdig nemen van een besluit Reconstructiewet Midden-Delfland: de artikelen 36, eerste lid, 37, 44, eerste lid, 45 en 70, voor zover die wet nog van toepassing is op grond van artikel VIII, tweede lid, van de Wet van 12 november 2009 tot aanpassing van LNV-wetgeving in verband met de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (Stb. 2009, 550) Rijkswet Onderzoeksraad voor veiligheid, met uitzondering van beslissingen ten aanzien van de algemeen secretaris en de medewerkers van het bureau Telecommunicatiewet: de artikelen 3.4, eerste lid, onderdeel b, voor zover het betreft een aanwijzing, 3.10 en 18.9, eerste en tweede lid Tracéwet: de artikelen 2, eerste lid, 4, eerste lid, onderdeel c, en 23, eerste lid Uitleveringswet Waterschapswet: artikel 156, eerste lid, voor zover het betreft de weigering om een vernietiging te bevorderen en het niet tijdig nemen van een besluit tot vernietiging Waterwet: de artikelen 4.1, 4.4 en 6.28 Wegenverkeerswet 1994: de artikelen 132c, vijfde lid, en 132d, tweede lid Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften Wet algemene bepalingen omgevingsrecht: - document.segment-2 Verify source ↗
Wet van 20 december 2012 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet aanpassing bestuursprocesrecht) — segment 2
AI-assisted research summary: This provision lists many laws and decisions for which appeal can be brought to specific courts, including the Raad van State, the Centrale Raad van Beroep, the College van Beroep voor het bedrijfsleven, certain district courts, and some cases a court of appeal.
de artikelen 2.27, eerste lid, en 2.34, eerste lid, met uitzondering van beroep dat wordt ingesteld door het gezag dat bevoegd is ten aanzien van de beschikking waarop de verklaring, onderscheidenlijk de aanwijzing betrekking heeft de artikelen 5.7, eerste lid, 5.8, eerste lid, laatste volzin, en 5.9, eerste lid artikel 5.9, zesde lid, voor zover het een aanwijzing betreft ter zake van de uitvoering van het bepaalde krachtens artikel 5.3 artikel 5.24, eerste lid Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen Wet bodembescherming: artikel 43, voor zover het betreft de afwijzing van een verzoek Wet geurhinder en veehouderij: artikel 7 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden: artikel 108 Wet investeren in jongeren: de artikelen 37, 57 en 91, voor zover het besluiten betreft van de voorzitter van gedeputeerde staten Wet luchtvaart: de artikelen 8.4 en 8.15 Wet melding collectief ontslag Wet milieubeheer: de artikelen 4.3, 4.6, 4.9, 4.12, 4.15a, 4.16, 4.19, 5.12, eerste lid, 5.12, dertiende lid, 5.13, eerste lid, 5.23, eerste lid, 10.3, 11.2, derde lid, onderdelen b en c, en 16.23, eerste lid artikel 16.29, eerste lid, met uitzondering van een besluit houdende toewijzing van broeikasgasemissierechten voor een afzonderlijke inrichting artikel 17.5, eerste lid Wet op de expertisecentra: artikel 134, vierde lid, zolang de gemeenteraad de aanvulling nog niet heeft bekrachtigd Wet op de jeugdzorg: artikel 3, vierde lid artikel 6, eerste lid, voor zover het betreft een besluit ter uitvoering van de taak, bedoeld in: artikel 10, eerste lid, onderdeel b artikel 10, eerste lid, onderdeel c, met uitzondering van de daarin bedoelde nazorg en de daarin bedoelde begeleiding als bedoeld in artikel 77hh van het Wetboek van Strafrecht de artikelen 29o tot en met 29r, 29t en 29v Wet op de rechterlijke organisatie: de artikelen 41, achtste lid, 59, achtste lid, en 100 Wet opheffing particuliere banken van leening: artikel 2 Wet op het financieel toezicht: de artikelen 1:30, 1:33, 1:34, 3:159h, eerste lid, en 3:159u de artikelen 6:1 en 6:2, voor zover het betreft een weigering om een besluit te nemen of het niet tijdig nemen van een besluit Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek: artikel 7.61 Wet op het primair onderwijs: artikel 140, vierde lid, zolang de gemeenteraad de aanvulling nog niet heeft bekrachtigd Wet op het voortgezet onderwijs: artikel 96g, vierde lid, zolang de gemeenteraad de aanvulling nog niet heeft bekrachtigd Wet publieke gezondheid: de artikelen 31 en 35 Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren: een besluit tot benoeming, plaatsing of aanwijzing als bedoeld in hoofdstuk 2, tenzij het beroep wordt ingesteld door een rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden een besluit van de Hoge Raad als bedoeld in hoofdstuk 6A een vordering als bedoeld in artikel 46o Wet ruimtelijke ordening: de artikelen 2.1, 2.2, 2.3 en 3.7 de artikelen 3.30, eerste lid, 3.33, eerste lid, en 3.35, eerste lid, voor zover het betreft een aanwijzing artikel 4.1, vijfde lid artikel 4.2, eerste lid, tenzij de aanwijzing betrekking heeft op een daarbij concreet aangegeven locatie waarvan geen afwijking mogelijk is de artikelen 4.2, derde lid, en 4.3, vierde lid artikel 4.4, eerste lid, tenzij de aanwijzing betrekking heeft op een daarbij concreet aangegeven locatie waarvan geen afwijking mogelijk is artikel 4.4, derde lid artikel 6.15, eerste lid, voor zover de herziening uitsluitend betrekking heeft op onderdelen als bedoeld in het derde lid Wet toezicht accountantsorganisaties: de artikelen 32 en 35 Wet toezicht financiële verslaggeving: de artikelen 2, eerste lid, 3, eerste en tweede lid, 4, 9, 12 en 30 Wet van 18 december 2008 tot wijziging van de Wet luchtvaart inzake vernieuwing van de regelgeving voor burgerluchthavens en militaire luchthavens en de decentralisatie van bevoegdheden voor burgerluchthavens naar het provinciaal bestuur (Regelgeving burgerluchthavens en militaire luchthavens) ( Stb. 2008, 561 ): artikel X Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen: artikel 30, tweede lid Wet verplichte beroepspensioenregeling: de artikelen 150 en 152 Wet werk en bijstand: de artikelen 52 en 81 en paragraaf 6.5 Wet werk en inkomen kunstenaars: artikel 14 Zorgverzekeringswet: artikel 9a artikel 18f, eerste lid, in samenhang met artikel 18d of 18e, voor zover een besluit wordt genomen over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan Beroep in eerste aanleg bij een bijzondere bestuursrechter (artikel 8:6) Beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Algemene wet bestuursrecht: artikel 5:32, voor zover het besluit betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de in artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer bedoelde wetten of wettelijke bepalingen dan wel de Ontgrondingenwet Algemene wet bijzondere ziektekosten, voor zover het betreft een besluit van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of van het College zorgverzekeringen Belemmeringenwet Privaatrecht: de artikelen 2, vijfde lid, en 3, tweede lid, voor zover de verplichting noodzakelijk is voor de uitvoering van werken als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, onderdelen b en c, van de Crisis- en herstelwet of voor de uitvoering van een of meer besluiten als bedoeld in: artikel 3, eerste lid, van de Wet bereikbaarheid en mobiliteit artikel 21, tweede lid, van de Tracéwet de artikelen 3.30, eerste lid, onder a, 3.33, eerste lid, onder a, en 3.35, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening artikel 15, tweede lid, van de Spoedwet wegverbreding: de verlegging van kabels en leidingen, verband houdende met de uitvoering van een wegaanpassingsbesluit Crisis- en herstelwet: artikel 2.3, voor zover het betreft een besluit tot vaststelling van een gebiedsontwikkelingsplan artikel 2.10, eerste lid Dienstenwet: een aanwijzing op grond van artikel 59a of een besluit op grond van artikel 59c Experimentenwet onderwijs Flora- en faunawet: artikel 75a, eerste lid, voor zover de ontheffing is verleend Gemeentewet: artikel 85, tweede lid artikel 87a, eerste lid artikel 125, voor zover het besluit betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de in artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bedoelde wetten of wettelijke bepalingen dan wel de Ontgrondingenwet artikel 268, eerste lid Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse veenkoloniën: de artikelen 13, eerste lid, en 74, eerste, tweede, derde en vijfde lid, voor zover die wet nog van toepassing is op grond van artikel VIII, eerste lid, van de Wet van 12 november 2009 tot aanpassing van LNV-wetgeving in verband met de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (Stb. 2009, 550) Huisvestingswet: artikel 40, eerste lid Interimwet stad-en-milieubenadering: de artikelen 2 en 3 een besluit omtrent goedkeuring van een besluit als bedoeld in artikel 9 Kaderwet dienstplicht: de artikelen 10, eerste lid, 11 en 13 Kernenergiewet Kieswet: de artikelen D 3, achtste lid, D 6, D 8, G 1 tot en met G 4, I 4, K 8, L 11, M 4, Q 6, S 2, X 4, derde lid, X 5, derde lid, X 7, vierde lid, en X 8, vierde lid artikel Y 2 in samenhang met artikel D 3, achtste lid, D 6, D 8, G 1, G 4, I 4, K 8, L 11 of M 4 de artikelen Y 32 en Y 33 Mijnbouwwet: een besluit dat van toepassing is op het continentaal plat, met uitzondering van een besluit krachtens de afdelingen 5.1.1, 5.1.2, 5.3, 5.4 of 5.5 een besluit omtrent een mijnbouwmilieuvergunning krachtens artikel 40 en instemming met een winningsplan krachtens artikel 34 dan wel een winningsplan of een opslagplan krachtens de artikelen 34 en 39, eerste lid Natuurbeschermingswet 1998, met uitzondering van de artikelen 17, 19kg en 23 Ontgrondingenwet: hoofdstuk II en de artikelen 26a, eerste lid, 27 en 29a, eerste lid Provinciewet: artikel 83, tweede lid artikel 122, voor zover het besluit betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de in artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bedoelde wetten of wettelijke bepalingen dan wel de Ontgrondingenwet artikel 261, eerste lid Reconstructiewet concentratiegebieden, voor zover het betreft een besluit tot vaststelling, wijziging of uitwerking van het reconstructieplan, alsmede een besluit dat is genomen met toepassing van de artikelen 40 tot en met 43 Reconstructiewet Midden-Delfland: artikel 72, eerste tot en met derde lid, voor zover die wet nog van toepassing is op grond van artikel VIII, tweede lid, van de Wet van 12 november 2009 tot aanpassing van LNV-wetgeving in verband met de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (Stb. 2009, 550) Spoedwet wegverbreding Tijdelijke wet aanwijzing bèta-opleidingen: artikel 2, eerste lid Tracéwet Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU 2006, L 190) Vreemdelingenwet 2000: de artikelen 43 en 45, vierde lid Waterschapswet: een besluit van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu inzake de goedkeuring van een besluit als bedoeld in artikel 5 artikel 61, voor zover het besluit betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de in artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer, bedoelde wetten of wettelijke bepalingen dan wel de Ontgrondingenwet artikel 156, eerste lid Waterwet: de artikelen 5.7, eerste lid, en 5.8, eerste lid een besluit dat met toepassing van artikel 6.27, tweede lid, gecoördineerd is voorbereid met een besluit krachtens de Kernenergiewet Wet ammoniak en veehouderij: artikel 2, eerste lid een besluit tot wijziging van een besluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid Wet balansverkorting geldelijke steun volkshuisvesting, voor zover het betreft een beschikking Wet bereikbaarheid en mobiliteit: artikel 3, eerste lid Wet bescherming Antarctica Wet bodembescherming, met uitzondering van artikel 43, voor zover het betreft de afwijzing van een verzoek Wet educatie en beroepsonderwijs: de artikelen 1.4.1, 1.4a.1, 1.6.1, 2.1.1, eerste lid, 2.1.3, tweede en derde lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.2.3, eerste en derde lid, en 2.5.9 artikel 2.5.10, voor zover het de overeenkomstige toepassing betreft van artikel 2.5.9 de artikelen 6.1.3 tot en met 6.1.6, 6.2.1 tot en met 6.2.3, 6.2.3b, 6.3.1 tot en met 6.3.3, 6.4.2, 6.4.4, 6a.1.2, 6a.1.3 en 11.1 Wet financiering sociale verzekeringen: artikel 91 Wet geluidhinder Wet gemeenschappelijke regelingen: de artikelen 99, eerste lid, 100, eerste lid, 102, vierde lid, 103, eerste lid, 103b, 103c, eerste lid, 114, 116, eerste lid, en 117, tweede lid Wet gewetensbezwaren militaire dienst: hoofdstuk II, met uitzondering van artikel 4, tweede lid de artikelen 15 en 16 Wet inrichting landelijk gebied: de vaststelling of wijziging van een inrichtingsplan, voor zover het betreft de begrenzing van de blokken, bedoeld in artikel 17, derde lid, onderdeel b de aanduiding van voorzieningen, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel b, inhoudende de toepassing van een korting als bedoeld in artikel 56, eerste lid de toewijzing van eigendom, beheer en onderhoud van voorzieningen van openbaar nut, bedoeld in artikel 28 de aanduiding van wegen met de daartoe behorende kunstwerken, bedoeld in artikel 33, eerste lid de opname van wegen met de daartoe behorende kunstwerken als openbare weg, bedoeld in artikel 33, tweede lid Wet inzake de luchtverontreiniging Wet luchtvaart: de artikelen 8.25, tweede lid, 8.25b, 8.25c, 8.43, eerste lid, 8.64, eerste lid, artikel 8.70, eerste en zesde lid, 8.77, eerste lid, 8a.50a, 10.15, eerste lid, en 10.39, ook voor zover het besluit kan worden aangemerkt als algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 8:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Wet milieubeheer, met inbegrip van een besluit dat betrekking heeft op handhaving, doch met uitzondering van: de artikelen 1.3, eerste lid, 8.40a en 8.42 een besluit dat betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde krachtens artikel 8.40 artikel 15.50 Wet op de expertisecentra: titel IV: de afdelingen 2 en 8, een goedkeuring van rechtswege daaronder begrepen de artikelen 120, tweede lid, 129 en 170 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek: de artikelen 2.9, derde lid, 5a.9, 5a.11, 5a.12b, 5.13d, 5a.13e, tweede en zesde lid, 5a.13f, 5a.13g, 6.5 en 15.1, eerste lid Wet op het primair onderwijs: artikel 22, vijfde lid titel IV: de afdelingen 2 en 9, een goedkeuring van rechtswege daaronder begrepen de artikelen 123, tweede lid, 135 en 184 artikel 185, tweede lid, tweede volzin, voor zover het betreft een besluit op grond van bepalingen die bij de algemene maatregel van bestuur ingevolge artikel 185, tweede lid, tweede volzin, van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, alsmede een besluit op grond van bepalingen van de algemene maatregel van bestuur die daarmee overeenkomen Wet op het voortgezet onderwijs: titel III: de afdelingen I, met uitzondering van artikel 74, en III de artikelen 85a, 89 en 104 Wet ruimtelijke ordening: een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan, een inpassingsplan of een rijksbestemmingsplan als bedoeld in artikel 10.3, eerste lid artikel 3.1, derde lid een besluit omtrent wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan overeenkomstig artikel 3.6, eerste lid een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, of artikel 3.26, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, zesde lid de artikelen 3.30, eerste lid, onder a of b, 3.33, eerste lid, onder a of b, en 3.35, eerste lid de artikelen 4.2, eerste lid, en 4.4, eerste lid, voor zover het besluit betrekking heeft op een daarbij concreet aangegeven locatie waarvan geen afwijking mogelijk is de artikelen 6.8, eerste lid, en 6.9 een besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig bekendgemaakt bestemmingsplan, inpassingsplan of wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, alsmede herzieningen van het desbetreffende exploitatieplan en besluiten omtrent de afrekening en herberekende exploitatiebijdragen van het desbetreffende exploitatieplan Wet toelating zorginstellingen Woningwet: artikel 70, voor zover het betreft de intrekking van een toelating Zorgverzekeringswet: voor zover het betreft een besluit van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of van het College zorgverzekeringen, met uitzondering van: een beschikking op grond van artikel 9b, 9c, 18d tot en met 18g, 69 of 70 een beschikking op grond van artikel 122a een beschikking jegens een persoon die behoort tot het personeel van het College zorgverzekeringen Beroep bij de Centrale Raad van Beroep Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië, voor zover het betreft een besluit op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling Liquidatiewet ongevallenwetten: artikel 24, eerste lid Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie na-oorlogse generatie Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren: een besluit waarbij een rechterlijk ambtenaar als zodanig of een rechterlijk ambtenaar in opleiding als zodanig, een gewezen rechterlijk ambtenaar of rechterlijk ambtenaar in opleiding als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 Beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Een besluit van een bij of krachtens de Wet op de bedrijfsorganisatie ingesteld bestuursorgaan of van een kamer als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Kamers van koophandel en fabrieken 1997, met uitzondering van: een besluit op grond van de Wet openbaarheid van bestuur een besluit ten aanzien van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden Algemene douanewet: een beschikking ter zake van landbouwrestituties Algemene wet bestuursrecht: artikel 5:32, voor zover het betreft een besluit dat betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Winkeltijdenwet Boswet: afdeling II Burgerlijk Wetboek, Boek 2, voor zover het besluit is bekendgemaakt voor 1 juli 2011: artikel 64, derde lid, tweede volzin, voor zover het betreft een weigering om de in de eerste volzin bedoelde termijn te verlengen de artikelen 68, tweede lid, en 125, tweede lid, voor zover het betreft een weigering van een verklaring artikel 156, voor zover het betreft: een weigering, wijziging of intrekking van een ontheffing een besluit tot verlening van de ontheffing voor zover daaraan voorschriften zijn verbonden dan wel daarbij beperkingen zijn opgelegd artikel 175, derde lid, tweede volzin, voor zover het betreft een afwijzing van een verzoek de artikelen 179, tweede lid, en 235, tweede lid, voor zover het betreft een weigering van een verklaring artikel 266, voor zover het betreft: een besluit tot weigering, wijziging of intrekking van de ontheffing een besluit tot verlening van de ontheffing voor zover daaraan voorschriften zijn verbonden dan wel daarbij beperkingen zijn opgelegd Diergeneesmiddelenwet Elektriciteitswet 1998, met inbegrip van een besluit van de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, genomen op grond van de artikelen 36, 37, 41, 41c, 55, 56, tweede lid, en 57, derde en vierde lid, dat kan worden aangemerkt als algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 8:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en met uitzondering van een besluit op grond van de artikelen 9b, vierde lid, 9c, derde lid, 9d, tweede en derde lid, 9e, vijfde lid, 9f, zesde lid, 20a, derde lid, 20b, derde lid, 20c, tweede en derde lid, 77h en 77i Gaswet, met inbegrip van een besluit van de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, genomen op grond van de artikelen 12f, 12g, 23, 24, tweede lid, 25, derde en vierde lid, 81, 81c en 82, dat kan worden aangemerkt als algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 8:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en met uitzondering van een besluit op grond van de artikelen 16, 39b, derde lid, 39c, derde lid, 39d, tweede en derde lid, 60ac en 60ad Gemeentewet: artikel 125, voor zover het betreft een besluit dat betrekking heeft op de handhaving van het bepaalde bij of krachtens de Winkeltijdenwet Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, met uitzondering van artikel 120b, eerste lid Hamsterwet In- en uitvoerwet, voor zover die wet op grond van artikel XLIX van de Aanpassingswet Algemene douanewet nog van kracht is Kaderwet EZ-subsidies Kaderwet diervoeders Kaderwet LNV-subsidies Landbouwkwaliteitswet Landbouwwet: de artikelen 13, 15, 17 tot en met 22 en 26 Loodsenwet: artikel 27f Marktverordening voor het wegvervoer Meststoffenwet, met uitzondering van artikel 51 Metrologiewet Noodwet voedselvoorziening: de artikelen 6 tot en met 10 en 29, behoudens in geval van toepassing van artikel 18 Plantenziektenwet Prijzennoodwet Prijzenwet Sanctiewet 1977: artikel 9, derde lid Telecommunicatiewet, voor zover het betreft een besluit van het college, genoemd in artikel 2 van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit, genomen op grond van: hoofdstuk 6, tenzij beroep kon worden ingesteld voor de inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002 de hoofdstukken 6A, 6B en 12 hoofdstuk 15, met uitzondering van de artikelen 15.2a en 15.4 Uitvoeringswet verordening Europese coöperatieve vennootschap: het verzet, bedoeld in de artikelen 6, eerste lid, en 9 Uitvoeringswet verordening Europese vennootschap: het verzet, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, en 7 Verordening (EG) nr. 1435/2003 van de Raad van 22 juli 2003 betreffende het statuut voor een Europese Coöperatieve Vennootschap (SCE) (PbEU 2003, L 207): artikel 7, veertiende lid, tweede alinea Verordening (EG) nr. 2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (SE) (PbEG 2001, L 294): artikel 8, veertiende lid, tweede alinea Waarborgwet 1986 Wedervergeldingswet zeescheepvaart: een verlening of weigering van een vergunning of een ontheffing een intrekking van een vergunning of een ontheffing krachtens artikel 7 een oplegging van een heffing Wet capaciteitsbeheersing binnenvaartvloot Wet geneesmiddelenprijzen, met uitzondering van artikel 11 en met inbegrip van een besluit tot vaststelling van een maximumprijs Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, met uitzondering van de artikelen 90 en 108 Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie, met uitzondering van de artikelen 21 en 22 Wet inkomstenbelasting 2001: de artikelen 3.37, eerste lid, en 3.42, eerste lid, voor zover het betreft een verklaring van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Wet luchtvaart: artikel 8.25f, tweede lid Wet marktordening gezondheidszorg, met uitzondering van beschikkingen van de Nederlandse Zorgautoriteit als bedoeld in paragraaf 4 van hoofdstuk 6 Wet medewerking verdedigingsvoorbereiding Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting Wet op de Accountants-Administratieconsulenten Wet op de architectentitel, met inbegrip van een besluit inzake een aanwijzing als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, onderdeel j, 10, eerste lid, onderdeel f, 11, eerste lid, onderdeel f, en 12, eerste lid, onderdeel f, dat kan worden aangemerkt als algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 8:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij het betreft een besluit als bedoeld in artikel 8:4, derde lid, onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht Wet op de registeraccountants Wet op het financieel toezicht: hoofdstuk 5.1 en de artikelen 5:77, eerste lid, en 5:81, derde lid een besluit terzake van het ingevolge artikel 5:76, tweede lid, of 5:80b, vijfde lid, bepaalde, met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:80 Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van de artikelen 56, eerste lid, 59, eerste lid, 94, eerste lid, en 96, eerste lid Wet privatisering FVP Wet uitvoering Internationaal Energieprogramma Wet van 22 juni 1994 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Koophandel en de Wet nationaliteit zeeschepen in rompbevrachting (wijziging voorwaarden nationaliteitsverlening en registratie zeeschepen) ( Stb. 1994, 507 ): een verklaring als bedoeld in artikel V, eerste lid Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen: een besluit genomen door een van de in artikel 30, eerste lid, genoemde bestuursorganen Wet vervoer over zee Wet voorraadvorming aardolieproducten 2001: hoofdstuk 2, met uitzondering van artikel 21 een besluit dat is genomen op grond van een bilateraal akkoord en betrekking heeft op het niet in Nederland aanhouden van een wettelijke voorraad een besluit op grond van een bilateraal akkoord als bedoeld in artikel 25 inzake het in Nederland aanhouden van een wettelijke voorraad ten behoeve van een andere staat dan Nederland of een onderdaan van die staat Wet wegvervoer goederen Wetboek van Koophandel: artikel 311a Winkeltijdenwet, met inbegrip van een besluit inzake de verlening van een vrijstelling op grond van artikel 3, derde lid, onder a, dat kan worden aangemerkt als algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 8:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht Zaaizaad- en plantgoedwet 2005 Zorgverzekeringswet: artikel 122a Beroep bij een gerechtshof Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij een gerechtshof. Wet financiering sociale verzekeringen: een uitspraak op bezwaar als bedoeld in de artikelen 95 en 97 Beroep in eerste aanleg bij een andere rechtbank (artikel 8:7, vierde lid) Beroep bij de rechtbank te ’s-Gravenhage Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank te ’s-Gravenhage. Besluit van 20 juni 1984, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur regelende de vergoeding van motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen ( Stb. 1984, 364 ) Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië, met uitzondering van een besluit op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling Garantiewet militairen K.N.I.L. Garantiewet Surinaamse pensioenen Militaire ambtenarenwet 1931 de reglementen van de Stichting Maror-gelden Overheid, de Stichting Joods Humanitair Fonds, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma en de Stichting Het Gebaar Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960 Toeslagregeling pensioenen Suriname en Nederlandse Antillen Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 Uitkeringswet gewezen militairen Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de artikelen 43 en 45, vierde lid Wet arbeid vreemdelingen, met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen Wet bescherming oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderprodukten, voor zover het betreft een besluit van het bureau, bedoeld in artikel 1, omtrent de inschrijving van een depot op grond van die wet Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers: de in artikel 5, eerste en tweede lid, bedoelde besluiten en handelingen Wet financiële voorzieningen privatisering ABP Wet milieubeheer: artikel 18.16a, eerste, tweede of vijfde lid Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002: hoofdstuk 4 Wet pensioenvoorzieningen K.N.I.L. Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders Wet van 16 juli 2001 tot het stellen van nadere regels in verband met de introductie van een toeslagregeling ter compensatie van het gemis aan overhevelingstoeslag per 1 januari 2001 ten aanzien van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 en enkele andere overzeese pensioenwetten alsmede het actualiseren van die wetten in verband met de inwerkingtreding van de Algemene nabestaandenwet ( Stb. 2001, 377 ) Wet van 21 december 1951, houdende een onderstandsregeling ingevolge artikel 2 Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië ( Stb. 1951, 592 ) Beroep bij de rechtbank te Rotterdam Tegen een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank te Rotterdam. Bankwet 1998: artikel 6a Burgerlijk Wetboek: Boek 2: de artikelen 63d, tweede lid, 156 en 266 Boek 8: titel 6, afdeling 5 Elektriciteitswet 1998: de artikelen 77h en 77i Gaswet: de artikelen 16, 60ac en 60ad Gezondheids- en welzijnswet voor dieren: artikel 120b, eerste lid Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet Loodsenwet, met uitzondering van artikel 27f Mededingingswet, met uitzondering van artikel 49a, eerste lid, voor zover de aanvraag is afgewezen, en artikel 49c, tweede lid, voor zover de intrekking of wijziging geschiedt op de gronden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b of c, van dat artikel Pensioenwet Postwet 2009 Spoorwegwet, met uitzondering van artikel 19 en 21 Tabakswet Telecommunicatiewet, met uitzondering van: artikel 3.4, eerste lid, onderdeel b, voor zover het betreft een aanwijzing de artikelen 3.10 en 18.9, eerste en tweede lid alsmede, voor zover het betreft een besluit van het college, genoemd in artikel 2 van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit: hoofdstuk 6, tenzij beroep kon worden ingesteld voor de inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002 de hoofdstukken 6A, 6B en 12 hoofdstuk 15, met uitzondering van de artikelen 15.2a en 15.4 Warenwet Wet bestrijding ongevallen Noordzee, voor zover het betreft een beschikking van Onze Minister, genomen op een verzoek om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 13, eerste lid Wet financiële betrekkingen buitenland 1994 Wet geneesmiddelenprijzen: artikel 11 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden: artikel 90 Wet handhaving consumentenbescherming Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie: de artikelen 21 en 22 Wet implementatie rechtsbeschermingsrichtlijnen aanbesteden: artikel 14 Wet inzake de geldtransactiekantoren, voor zover die wet nog van toepassing is op grond van artikel IX van de Wijzigingswet financiële markten 2012 Wet luchtvaart, de artikelen 8.25f, eerste lid, en 8.25g, eerste lid Wet marktordening gezondheidszorg, voor zover het betreft beschikkingen van de Nederlandse Zorgautoriteit als bedoeld in paragraaf 4 van hoofdstuk 6 Wet op het financieel toezicht, met uitzondering van: hoofdstuk 5.1 en de artikelen 5:77, eerste lid, en 5:81, derde lid een besluit terzake van het ingevolge artikel 5:76, tweede lid, of 5:80b, vijfde lid, bepaalde, met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:80 Wet op het notarisambt, voor zover het de toepassing of overeenkomstige toepassing van de Wet verplichte beroepspensioenregeling betreft op grond van artikel 113c Wet personenvervoer 2000: de artikelen 56, eerste lid, 59, eerste lid, 94, eerste lid, en 96, eerste lid Wet privatisering APB, voor zover het de overeenkomstige toepassing van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 betreft op grond van artikel 21, vierde lid Wet schadefonds olietankschepen Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme Wet toezicht accountantsorganisaties Wet toezicht financiële verslaggeving Wet toezicht trustkantoren Wet verplichte beroepspensioenregeling Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 Overige 1. Tegen een besluit, genomen op grond van de Overgangswet elektriciteitsproductiesector, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank te Arnhem. 2. Tegen een besluit als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 8:7, tweede lid, en tegen een besluit op grond van de afdelingen 5.1.1, 5.1.2, 5.3, 5.4 en 5.5 van de Mijnbouwwet kan beroep worden ingesteld bij de rechtbanken te Leeuwarden, Arnhem, Haarlem, ’s-Gravenhage en Breda in het ressort waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats heeft. Indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft. 3. Tegen een besluit van de Raad voor rechtsbijstand, bedoeld in hoofdstuk II van de Wet op de rechtsbijstand, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de raad is gevestigd. 4. Tegen een beschikking als bedoeld in artikel 8:2, tweede lid, van de Algemene douanewet, met uitzondering van een beschikking ter zake van landbouwrestituties, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank te Haarlem. 5. Tegen een besluit van de Dienst, genoemd in artikel 1 van de Kadasterwet, omtrent wijziging van een authentiek gegeven of omtrent wijziging van een ander gegeven dan een authentiek gegeven, kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan: de onroerende zaak waarmee het betreffende gegeven verband houdt, geheel of grotendeels is gelegen, of de Dienst, genoemd in artikel 1 van de Kadasterwet, is gevestigd indien het betreffende gegeven verband houdt met een te boek staand schip of luchtvaartuig. 6. Tegen een beschikking, gegeven op grond van artikel 5, tweede lid, of 6, vierde lid, van de Wet op de jeugdzorg, kan beroep worden ingesteld bij de kinderrechter binnen het rechtsgebied waarvan de stichting haar zetel heeft. Hoger beroep (artikelen 8:105 en 8:106, eerste lid, onder a) Hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, met schorsende werking Tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter omtrent een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Algemene Kinderbijslagwet Algemene nabestaandenwet Algemene Ouderdomswet Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, met uitzondering van een besluit van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of van het College zorgverzekeringen Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer: hoofdstuk IV Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs, voor zover het betreft een besluit van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, voor zover het betreft een besluit van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Kaderwet SZW-subsidies, voor zover het betreft een ministeriële regeling op grond van artikel 9 Liquidatiewet Ongevallenwetten, met uitzondering van artikel 24, eerste lid Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria Tijdelijke wet pilot loondispensatie Toeslagenwet Werkloosheidswet Wet arbeid en zorg: hoofdstuk 3, afdeling 2 Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Wet financiering sociale verzekeringen, voor zover het betreft een besluit van de Sociale verzekeringsbank of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers Wet inkomensvoorziening oudere werklozen Wet investeren in jongeren, met uitzondering van de artikelen 37, 57 en artikel 91, voor zover het besluiten betreft van de voorzitter van gedeputeerde staten Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen: een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 2.3 Wet milieubeheer: artikel 15.50 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen Wet overige OCW-subsidies: artikel 19a Wet sociale werkvoorziening Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten Wet werk en bijstand, met uitzondering van de artikelen 52 en 81 en paragraaf 6.5 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Wet werk en inkomen kunstenaars, met uitzondering van artikel 14 Ziektewet Zorgverzekeringswet: de artikelen 9b, 9c, 18f, 18g, 69, 70 en 118a, behalve voor zover op grond van artikel 18f, eerste lid, in samenhang met artikel 18d of 18e, een besluit is genomen over de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan Hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, zonder schorsende werking Tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter omtrent een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan eveneens hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Een besluit waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig, een militair ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 als zodanig, een lid van het personeel van een zelfstandig bestuursorgaan waarop ingevolge artikel 15 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen de ambtelijke rechtspositieregels van overeenkomstige toepassing zijn als zodanig, een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden belanghebbende zijn Besluit van 20 juni 1984, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur regelende de vergoeding van motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen ( Stb. 1984, 364 ) Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië, met uitzondering van een besluit op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling Garantiewet militairen K.N.I.L. Garantiewet Surinaamse pensioenen Noodwet Arbeidsvoorziening Noodwet Geneeskundigen de reglementen van de Stichting Maror-gelden Overheid, de Stichting Joods Humanitair Fonds, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma en de Stichting Het Gebaar Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960 Toeslagregeling pensioenen Suriname en Nederlandse Antillen Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 Uitkeringswet gewezen militairen Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover het betreft een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 4.1.2 en 4.3.2, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreft Wet financiële voorzieningen privatisering ABP Wet inburgering Wet maatschappelijke ondersteuning Wet op de expertisecentra, voor zover het betreft een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 33, tweede lid, en 55, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreft Wet op de jeugdzorg: de artikelen 5, tweede lid, en 6, vierde lid Wet op de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, voor zover het betreft een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 14, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreft Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, voor zover het betreft een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.5, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreft Wet op het primair onderwijs, voor zover het betreft een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 33, tweede lid, en 52, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreft Wet op het voortgezet onderwijs, voor zover het betreft een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 38a, voor zover het besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betreft Wet pensioenvoorzieningen K.N.I.L. Wet privatisering ABP Wet rechtspositionele voorzieningen rampbestrijders Wet studiefinanciering 2000 Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten: de artikelen 2 en 10 Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten Wet van 21 december 1951, houdende een onderstandsregeling ingevolge artikel 2 Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië ( Stb. 1951, 592 ) Wet van 25 mei 1962, houdende instelling van een Bijstandkorps van burgerlijke rijksambtenaren, dat bestemd is voor dienst in Nederlands-Nieuw-Guinea ( Stb. 1962, 196 ) Wet van 16 juli 2001 tot het stellen van nadere regels in verband met de introductie van een toeslagregeling ter compensatie van het gemis aan overhevelingstoeslag per 1 januari 2001 ten aanzien van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 en enkele andere overzeese pensioenwetten alsmede het actualiseren van die wetten in verband met de inwerkingtreding van de Algemene nabestaandenwet ( Stb. 2001, 377 ) Wet verevening pensioenrechten bij scheiding Hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven Tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter omtrent een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Bankwet 1998: artikel 6a Burgerlijk Wetboek: de artikelen 63d, tweede lid, 156 en 266 van Boek 2 Elektriciteitswet 1998: de artikelen 77h en 77i Gaswet: de artikelen 16, 60ac en 60ad Gezondheids- en welzijnswet voor dieren: artikel 120b, eerste lid Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet Loodsenwet, met uitzondering van artikel 27f Mededingingswet, met uitzondering van artikel 49a, eerste lid, voor zover de aanvraag is afgewezen, en artikel 49c, tweede lid, voor zover de intrekking of wijziging geschiedt op de gronden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of c, van dat artikel Meststoffenwet: artikel 51 Overgangswet elektriciteitsproductiesector Pensioenwet Postwet 2009 Spoorwegwet Tabakswet Telecommunicatiewet, met uitzondering van: artikel 3.4, eerste lid, onderdeel b, voor zover het betreft een aanwijzing de artikelen 3.10 en 18.9, eerste en tweede lid alsmede, voor zover het betreft een besluit van het college, genoemd in artikel 2 van de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit: hoofdstuk 6, tenzij beroep kon worden ingesteld voor de inwerkingtreding van de Wet implementatie Europees regelgevingskader voor de elektronische communicatiesector 2002 de hoofdstukken 6A, 6B, en 12 hoofdstuk 15, met uitzondering van een besluit op grond van de artikelen 15.2a en 15.4 Warenwet Wet financiële betrekkingen buitenland 1994 Wet geneesmiddelenprijzen: artikel 11 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden: artikel 90 Wet handhaving consumentenbescherming Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie: de artikelen 21 en 22 Wet implementatie rechtsbeschermingsrichtlijnen aanbesteden: artikelen 14 tot en met 16 Wet inzake de geldtransactiekantoren, voor zover die wet nog van toepassing is op grond van artikel IX van de Wijzigingswet financiële markten 2012 Wet luchtvaart: de artikelen 8.25f, eerste lid, en 8.25g, eerste lid Wet marktordening gezondheidszorg, voor zover het betreft een besluit van de Nederlandse Zorgautoriteit als bedoeld in hoofdstuk 6, paragraaf 4 Wet op het financieel toezicht, met uitzondering van: hoofdstuk 5.1 en de artikelen 5:77, eerste lid, en 5:81, derde lid een besluit terzake van het ingevolge artikel 5:76, tweede lid, of 5:80b, vijfde lid, bepaalde, met uitzondering van een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 1:80 Wet op het notarisambt, voor zover het de toepassing of overeenkomstige toepassing van de Wet verplichte beroepspensioenregeling betreft op grond van artikel 113c Wet personenvervoer 2000: de artikelen 56, eerste lid, 59, eerste lid, 94, eerste lid, en 96, eerste lid Wet privatisering APB, voor zover het de overeenkomstige toepassing van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 betreft op grond van artikel 21, vierde lid Wet schadefonds olietankschepen Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme Wet toezicht accountantsorganisaties Wet toezicht financiële verslaggeving Wet toezicht trustkantoren Wet verplichte beroepspensioenregeling Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 Hoger beroep bij een gerechtshof Tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter omtrent een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven, kan hoger beroep worden ingesteld bij een gerechtshof. Algemene douanewet: artikel 8:2, tweede lid Algemene wet inzake rijksbelastingen: artikel 26 Mijnbouwwet: de afdelingen 5.1.1, 5.1.2, 5.3, 5.4 en 5.5 Regeling verlaagd griffierecht (artikelen 8:41 en 8:109) Het tarief, genoemd in artikel 8:41, tweede lid, onderdeel a, dan wel genoemd in artikel 8:109, eerste lid, onderdeel a, geldt indien het beroep, dan wel hoger beroep, betreft: een besluit inzake een uitkering bij werkloosheid of ziekte, genomen ten aanzien van een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig, een militair ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 als zodanig, of een dienstplichtige als bedoeld in hoofdstuk 2 van de Kaderwet dienstplicht als zodanig, hun nagelaten betrekkingen of hun rechtverkrijgenden; een besluit inzake een uitkering op grond van blijvende arbeidsongeschiktheid op grond van een wettelijk voorschrift waarbij de natuurlijke persoon ter zake van zijn arbeidsongeschiktheid vanwege het Rijk invaliditeitspensioen is verzekerd, of een besluit, genomen op grond van artikel P9 van de Algemene burgerlijke pensioenwet; een bestuurlijke boete van ten hoogste € 340; een besluit waarbij de kosten van bestuursdwang op ten hoogste € 340 zijn vastgesteld. Het tarief, genoemd in artikel 8:41, tweede lid, onderdeel a, dan wel genoemd in artikel 8:109, eerste lid, onderdeel a, geldt voorts indien het beroep, dan wel hoger beroep, betreft een besluit, genomen op grond van een in dit artikel genoemd voorschrift of anderszins in dit artikel omschreven. Algemene bijstandswet Algemene Kinderbijslagwet Algemene nabestaandenwet Algemene Ouderdomswet Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, met uitzondering van een besluit van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of van het College zorgverzekeringen Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij het beroep of hoger beroep door een natuurlijke persoon is ingesteld tegen een uitspraak inzake een besluit met betrekking tot de toepassing van: de Wet op de dividendbelasting 1965 de Wet op de omzetbelasting 1968 de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 de Wet op de accijns de Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten de Wet belastingen op milieugrondslag Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer: hoofdstuk IV Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair onderwijs, voor zover het betreft besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Besluit van 20 juni 1984, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur regelende de vergoeding van motorrijtuigenbelasting voor oorlogsgetroffenen ( Stb. 1984, 364 ) Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel, voor zover het betreft besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs, voor zover het betreft besluiten van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië, met inbegrip van een besluit op grond van de Algemene oorlogsongevallenregeling Garantiewet Militairen K.N.I.L. Garantiewet Surinaamse pensioenen Kaderwet SZW-subsidies, voor zover het betreft een ministeriële regeling op grond van artikel 9 Liquidatiewet Ongevallenwetten Mijnbouwwet: - document.segment-3 Verify source ↗
Wet van 20 december 2012 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet aanpassing bestuursprocesrecht) — segment 3
AI-assisted research summary: This provision sets procedural rules and deadlines for administrative appeals and cassation, including who may file a response, when the court must decide, and when the registrar must send the hearing record.
de afdelingen 5.1.1, 5.1.2, 5.3, 5.4 en 5.5 Reglement eenmalige uitkering silicose-vergoeding oud-mijnwerkers, vastgesteld bij besluit van het bestuur van de Stichting Silicose Oud-Mijnwerkers van 18 april 1994 de reglementen van de Stichting Maror-gelden Overheid, de Stichting Joods Humanitair Fonds, de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma en de Stichting Het Gebaar Samenloopregeling Indonesische pensioenen 1960 Tijdelijke vergoedingsregeling psychotherapie na-oorlogse generatie Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria Tijdelijke wet pilot loondispensatie Toeslagenwet Toeslagregeling pensioenen Suriname en Nederlandse Antillen Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 Uitkeringswet tegemoetkoming twee tot vijfjarige diensttijd veteranen Werkloosheidswet Wet arbeid en zorg: hoofdstuk 3, afdeling 2 Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen Wet buitengewoon pensioen 1940–1945 Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers Wet financiering sociale verzekeringen, voor zover het betreft een besluit van de Sociale verzekeringsbank of het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Wet gevolgen brutering uitkeringsregelingen Wet inburgering Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers Wet inkomensvoorziening oudere werklozen Wet investeren in jongeren, met uitzondering van de artikelen 37, 57 en artikel 91, voor zover het besluiten betreft van de voorzitter van gedeputeerde staten Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen: een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 2.3 Wet maatschappelijke ondersteuning Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering Wet op de huurtoeslag Wet op de rechtsbijstand: een besluit van de Raad voor rechtsbijstand, indien het beroep dan wel hoger beroep wordt ingesteld door een rechtzoekende als bedoeld in artikel 1, eerste lid Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen Wet pensioenvoorzieningen K.N.I.L. Wet sociale werkvoorziening Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen Wet studiefinanciering 2000 Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 Wet van 21 december 1951, houdende een onderstandsregeling ingevolge artikel 2 Garantiewet Burgerlijk Overheidspersoneel Indonesië ( Stb. 1951, 592 ) Wet van 16 juli 2001 tot het stellen van nadere regels in verband met de introductie van een toeslagregeling ter compensatie van het gemis aan overhevelingstoeslag per 1 januari 2001 ten aanzien van de Toeslagwet Indonesische pensioenen 1956 en enkele andere overzeese pensioenwetten alsmede het actualiseren van die wetten in verband met de inwerkingtreding van de Algemene nabestaandenwet ( Stb. 2001, 377 ) Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten Wet werk en bijstand, met uitzondering van de artikelen 52 en 81 en paragraaf 6.5 Wet werk en inkomen kunstenaars, met uitzondering van artikel 14 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Ziektewet Zorgverzekeringswet: de artikelen 9b, 9c, 18f, 18g, 69, 70 en 118a A 2. De meervoudige kamers en grote kamers bestaan uit drie onderscheidenlijk vijf leden, van wie een als voorzitter optreedt. B C 2. Klachten kunnen niet een rechterlijke uitspraak betreffen. D A De Centrale Raad van Beroep vormt en bezet op voorstel van de president grote kamers. Deze bestaan uit vijf leden, van wie een als voorzitter optreedt. B A Het College vormt en bezet op voorstel van de president grote kamers. Deze bestaan uit vijf leden, van wie een als voorzitter optreedt. B A B BEROEP EN HOGER BEROEP C In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het betreft:. D E F 1. In afwijking van artikel 8:104, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen slechts de belanghebbende die bevoegd was beroep bij de rechtbank in te stellen en de inspecteur hoger beroep instellen. 2. De artikelen 24a, tweede lid, 26a, derde lid, 26b, eerste lid, en 27c tot en met 27g zijn van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. 3. De werking van de uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep onherroepelijk is beslist. De eerste volzin geldt niet indien de uitspraak een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit betreft. G H I 3. De griffier maakt zo nodig onverwijld alsnog een proces-verbaal op van de zitting en zendt dit aan de griffier van de Hoge Raad. J Op de behandeling van het beroep in cassatie zijn de artikelen 8:14 tot en met 8:25, 8:27 tot en met 8:29, 8:31 tot en met 8:40a, 8:41, met uitzondering van het tweede lid, 8:41a, 8:43 tot en met 8:45, 8:52, 8:53, 8:60, 8:70, 8:71, 8:72a, 8:75 tot en met 8:79, 8:109, 8:110, derde en vijfde lid, 8:111, 8:112, 8:113, tweede lid, 8:114 en titel 8.6 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, voor zover in deze afdeling niet anders is bepaald. K L 1. De andere partij dan de partij die het beroep in cassatie heeft ingesteld, kan binnen acht weken na de dag van verzending van het beroepschrift: een verweerschrift indienen; incidenteel beroep in cassatie instellen. 2. De Hoge Raad kan de in het eerste lid en de in artikel 8:110, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijnen verlengen. WIJZIGING VAN ANDERE WETTEN Ministerie van Algemene Zaken aA A B Ba 1. Artikel 1.6, vierde lid, is niet van toepassing, indien artikel 8:51a of 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast. Bb C D E F 12. Indien voor de uitvoering van werken als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht noodzakelijk is, geldt in plaats van artikel 4 van die wet dat de werking van een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van die wet opgeschort wordt totdat de beroepstermijn is verstreken. G Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties A B Ba C Ca D In afwijking van artikel 8:4, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht kan een belanghebbende tegen een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 268, eerste lid, dan wel tegen een vernietigingsbesluit als bedoeld in de artikelen 85, tweede lid, en 87a, eerste lid, beroep instellen. A 1. Titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op beschikkingen als bedoeld in de artikelen D 3, achtste lid, D 6 en D 8. B C D E A Aa B In afwijking van artikel 8:4, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht kan een belanghebbende tegen een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 261, eerste lid, dan wel tegen een vernietigingsbesluit als bedoeld in artikel 83, tweede lid, beroep instellen. A B C Ministerie van Buitenlandse Zaken Ministerie van Defensie A B C D A B Ministerie van Economische Zaken A B Een representatieve organisatie van partijen op de elektriciteitsmarkt wordt geacht belanghebbende te zijn bij besluiten genomen op grond van deze wet. A Een representatieve organisatie van netgebruikers op de gasmarkt wordt geacht belanghebbende te zijn bij besluiten genomen op grond van deze wet. B A B 2. Op het beroep tegen besluiten op grond van de afdelingen 5.1.1, 5.1.2, 5.3, 5.4 en 5.5 is hoofdstuk V, afdelingen 2 en 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing. A B A B A B Ministerie van Financiën XLI A 1. De artikelen 6:2, aanhef en onder b, en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing. 2. Artikel 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing, tenzij beroep is ingesteld tegen een beschikking die is genomen op grond van een regeling, genoemd in de bijlage bij de artikelen 1:1 en 1:3, onder B, van deze wet. B C XLII XLIII XLIV aA A B XLV XLVI XLVIa XLVII XLIX Op het toezicht op de naleving en de handhaving van de artikelen 7, 8, 17, 24, 27, 29, 36 en 37 van de uitvoeringsverordening markten voor financiële instrumenten zijn van overeenkomstige toepassing: dit hoofdstuk en de hoofdstukken 1.3, 1.4 en 1.5; het in de bijlagen 1 en 2 van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de Wet op het financieel toezicht bepaalde. LI LII LIII LIV Ministerie van Justitie LV LVa LVI LVII LVIII LIX 1. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift een maand. 2. De artikelen 2 en 3 zijn van overeenkomstige toepassing. LX A B LXI A B LXII A Op het beroep tegen een besluit, genomen op grond van de artikelen 43 en 45, vierde lid, zijn de artikelen 70, eerste lid, en 89 van overeenkomstige toepassing. B Ba C 1. Op het hoger beroep zijn de titels 8.1 tot en met 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1 tot en met 8:10 en de artikelen 8:13, 8:41, tweede lid, 8:54, tweede lid, 8:55, 8:74 en 8:82, voor zover in deze wet niet anders is bepaald. 2. Artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. D E F G H I LXIII LXIV A B LXV LXVII LXVIII LXIX A B LXIXa LXX LXXI LXXIa A B LXXII LXXIII LXXIV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit LXXV LXXVI LXXVII LXXVIII LXXIX A B LXXX LXXXI LXXXII LXXXIII LXXXIV A 1. Voor de mogelijkheid van beroep worden als één besluit aangemerkt een besluit tot vaststelling, wijziging of uitwerking van het reconstructieplan en het besluit tot goedkeuring, bedoeld in artikel 17, eerste of vijfde lid. B LXXXV LXXXVI LXXXVII Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap LXXXVIII LXXXIX Indien de uitspraak op een beroep tegen een besluit van Onze Minister als bedoeld in artikel 2, eerste lid, strekt tot toestemming als bedoeld in dat lid, treden de gevolgen daarvan in met ingang van het studiejaar dat aanvangt na het studiejaar waarin de uitspraak is gedaan. A BEROEP BIJ DE BESTUURSRECHTER B C XCII A B C 6. Tegen een besluit van de rechtspersoon kan beroep worden ingesteld door het bevoegd gezag. XCIII aA bA A BEROEP BIJ DE BESTUURSRECHTER B XCIV A 6. De uitspraak van de geschillencommissie wordt gelijkgesteld met een uitspraak in administratief beroep. B C D 7. Tegen een besluit van de rechtspersoon kan beroep worden ingesteld door het bevoegd gezag, onderscheidenlijk het bestuur van de centrale dienst. E XCV A B Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid XCVI XCVII XCVIII XCIX CI CII CIII CIV CV CVI A 4. Op het beroep van de werkgever tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur op grond van de artikelen 95 of 97 is hoofdstuk V, afdeling 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing. B CVII CVIII CIX CX CXI CXII CXIII CXIV CXV A B CXVI CXVII Ministerie van Verkeer en Waterstaat CXVIII CXIX A B C D CXX A (beroepstermijn) Aa 1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist op de beroepen tegen de in artikel 13 bedoelde besluiten binnen twaalf weken na ontvangst van de desbetreffende verweerschriften. B geldt in plaats van artikel 4 van de Belemmeringenwet Privaatrecht dat de werking van een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht opgeschort wordt totdat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is verstreken. CXXI CXXII A geldt in plaats van artikel 4 van de Belemmeringenwet Privaatrecht dat de werking van een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht opgeschort wordt totdat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is verstreken. B CXXIII CXXIV A B 2. Titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht blijft buiten toepassing. C Ca D In afwijking van artikel 8.4, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht, kan een belanghebbende beroep instellen tegen een besluit van gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 156, eerste lid. CXXV CXXVI A B in afwijking van artikel 4 van de Belemmeringenwet Privaatrecht wordt de werking van een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht opgeschort tot het tijdstip waarop de termijn voor het indienen van een beroepschrift verstrijkt. CXXVII Beroep tegen een beschikking van Onze Minister, genomen op een verzoek om een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 13, eerste lid, geschiedt bij verzoekschrift. CXXVIII CXXIX A B C CXXX CXXXI CXXXII CXXXIII Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport CXXXIV CXXXV CXXXVI CXXXVII CXXXVIII CXXXIX A B CXL CXLI CXLII A Met betrekking tot besluiten waarbij consumenten of patiënten belanghebbend kunnen zijn, worden voor de toepassing van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht, op landelijk niveau werkzame consumenten- en patiëntenorganisaties als belanghebbenden aangemerkt. B CXLIII CXLIV CXLV CXLVI CXLVII A 5. Indien tegen een door het College zorgverzekeringen op grond van dit artikel genomen beschikking bezwaar wordt gemaakt, beslist dat college, in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. B Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer CXLVIII 1. Bij een beroep tegen een besluit tot vordering als bedoeld in artikel 40, eerste lid, blijft titel 8.3 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing. CXLIX CL CLI CLII 8. Elk beding dat strijdig is met dit artikel of met artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 1 van de bij die wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, is nietig. CLIIa A B C CLIII CLIV CLV CLVI CLVII A BEROEP BIJ DE BESTUURSRECHTER B CLVIII CLIX A B INWERKINGTREDING EN RECHTSBESCHERMING C De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist op een beroep tegen een besluit op grond van deze wet of tegen besluiten als bedoeld in artikel 20.3, eerste lid, binnen twaalf maanden na afloop van de beroepstermijn. D 1. In afwijking van artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 1 van de bij die wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak kan beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingesteld tegen een beschikking houdende een aanwijzing of een verzoek als bedoeld in artikel 5.23, onderscheidenlijk artikel 17.5, eerste lid, door het gezag dat bevoegd is ten aanzien van de beschikking waarop de aanwijzing of het verzoek betrekking heeft. E Een besluit op grond van: deze wet; de artikelen 34, 39, eerste lid, en 40 van de Mijnbouwwet, met uitzondering van een besluit omtrent een mijnbouwmilieuvergunning voor een mijnbouwwerk te plaatsen of geplaatst aan de zeezijde van de in de bijlage bij de Mijnbouwwet vastgelegde lijn en een besluit omtrent instemming met een winningsplan of opslagplan, voor zover het winnen van delfstoffen of aardwarmte dan wel het opslaan van stoffen geschiedt vanuit of in een voorkomen dat is gelegen aan de zeezijde van de in de bijlage bij de Mijnbouwwet vastgelegde lijn; de Kernenergiewet; de Wet geluidhinder; de Wet inzake de luchtverontreiniging; de Wet bodembescherming; de Wet bescherming Antarctica; de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen; de artikelen 125 van de Gemeentewet, 122 van de Provinciewet, 61 van de Waterschapswet en 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het besluit betrekking heeft op handhaving van het bepaalde bij of krachtens andere wetten dan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waarop hoofdstuk 5 van laatstgenoemde wet van toepassing is, waartegen ingevolge artikel 2 van de bij de Algemene wet bestuursrecht behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan worden ingesteld, treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift afloopt, dan wel, indien ingevolge artikel 7:1, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht geen bezwaar kan worden gemaakt, met ingang van de dag na de dag waarop de termijn voor het indienen van een beroepschrift afloopt. F G H I CLX CLXI A 3. Indien voor de uitvoering van een of meer besluiten als bedoeld in artikel 3.30, eerste lid, onder a, 3.33, eerste lid, onder a, of 3.35, eerste lid, onder b, toepassing van de Belemmeringenwet Privaatrecht noodzakelijk is, wordt, in afwijking van artikel 4 van die wet, de werking van een besluit als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van die wet opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is verstreken. B C 1. Bij een beroep tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan, een inpassingsplan of een rijksbestemmingsplan als bedoeld in artikel 10.3, eerste lid, kunnen geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, of artikel 4.4, eerste lid, waarop dat besluit berust, voor zover deze aanwijzing betrekking heeft op een daarbij concreet aangegeven locatie waarvan geen afwijking mogelijk is. 2. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist binnen twaalf maanden na afloop van de beroepstermijn op een beroep tegen: een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan, een inpassingsplan of een rijksbestemmingsplan als bedoeld in artikel 10.3, eerste lid, een besluit als bedoeld in artikel 3.1, derde lid, een besluit omtrent wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan overeenkomstig artikel 3.6, eerste lid, een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, of artikel 3.26, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, zesde lid, een besluit op een verzoek om een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 6.8 of 6.9, en een besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig bekendgemaakt bestemmingsplan, inpassingsplan of wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, alsmede herzieningen van het desbetreffende exploitatieplan en besluiten omtrent de afrekening en herberekende exploitatiebijdragen van het desbetreffende exploitatieplan. D CLXII 1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geeft bij de behandeling van een beroep tegen een koninklijk besluit dat strekt tot intrekking van de toelating, aanvankelijk overeenkomstige toepassing aan artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht en kan nadien overeenkomstige toepassing geven aan artikel 8:53 van die wet. SAMENLOOP MET ANDERE WETSWIJZIGINGEN (BEPERKINGENGEBIED BUITENLANDSE LUCHTHAVEN, 31 898) (ELEKTRICITEITSWET 1998, 32 588) (HERZIENING EG-RICHTLIJN HANDEL IN BROEIKASGASEMISSIERECHTEN, 32 667) (HUISVESTINGSWET 20.., 32 271) In bijlage 1 en artikel 2 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht vervalt de zinsnede met betrekking tot de Huisvestingswet. (INVOERINGSWET GELUIDPRODUCTIEPLAFONDS, 32 625) (REGELGEVING BURGERLUCHTHAVENS EN MILITAIRE LUCHTHAVENS, STB. 2008, 561) 8.70, eerste lid, van de Wet luchtvaart in geval op een luchthaven sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol, en artikel 10.15, eerste lid, van de Wet luchtvaart voor zover het betreft de grenswaarden en regels die gelden voor het burgerluchtverkeer vastgesteld op grond van artikel 10.28, eerste lid, van die wet en voor burgerluchthavenluchtverkeer sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol» Wet luchtvaart: de artikelen 8.4 en 8.15 artikel 8.70, eerste lid, in geval op een luchthaven sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol artikel 10.15, eerste lid, voor zover het betreft de grenswaarden en regels die gelden voor het burgerluchtverkeer vastgesteld op grond van artikel 10.28, eerste lid, en voor burgerluchthavenluchtverkeer sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol Wet luchtvaart: de artikelen 8.25, tweede lid, 8.25b, 8.25c, 8.43, eerste lid, 8.64, eerste lid, artikel 8.70, eerste en zesde lid, 8.77, eerste lid, 8a.50a, 10.15, eerste lid, en 10.39, ook voor zover het besluit kan worden aangemerkt als algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 8:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maar met uitzondering van een besluit op grond van: artikel 8.70, eerste lid, in geval op een luchthaven sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol artikel 10.15, eerste lid, voor zover het betreft de grenswaarden en regels die gelden voor het burgerluchtverkeer vastgesteld op grond van artikel 10.28, eerste lid, en voor burgerluchthavenluchtverkeer sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol (WIJZIGING ALGEMENE WET BESTUURSRECHT) Wet luchtvaart: de artikelen 8.4 en 8.15 artikel 8.70, eerste lid, in geval op een luchthaven sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol artikel 10.15, eerste lid, voor zover het betreft de grenswaarden en regels die gelden voor het burgerluchtverkeer vastgesteld op grond van artikel 10.28, eerste lid, en voor burgerluchthavenluchtverkeer sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol Wet luchtvaart: de artikelen 8.25, tweede lid, 8.25b, 8.25c, 8.43, eerste lid, 8.64, eerste lid, artikel 8.70, eerste en zesde lid, 8.77, eerste lid, 8a.50a, 10.15, eerste lid, en 10.39, ook voor zover het besluit kan worden aangemerkt als algemeen verbindend voorschrift als bedoeld in artikel 8:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maar met uitzondering van een besluit op grond van: artikel 8.70, eerste lid, in geval op een luchthaven sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol artikel 10.15, eerste lid, voor zover het betreft de grenswaarden en regels die gelden voor het burgerluchtverkeer vastgesteld op grond van artikel 10.28, eerste lid, en voor burgerluchthavenluchtverkeer sprake is van een samenwerking bij de verdeling van luchthavenluchtverkeer met de luchthaven Schiphol (WIJZIGING TELECOMMUNICATIEWET, 31 412) Telecommunicatiewet: de artikelen 3.5, 3.22 en 18.9, eerste en tweede lid (WARMTEWET, 29 048) Een representatieve organisatie wordt geacht belanghebbende te zijn bij besluiten genomen op grond van deze wet. Warmtewet, met inbegrip van een op grond van artikel 5, eerste lid, genomen besluit tot vaststelling van een maximumprijs, en met uitzondering van artikel 18 Warmtewet: artikel 18 (WET COLLEGE VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS, 32 467) Wet College voor de rechten van de mens, met uitzondering van de artikelen 14 tot en met 18 Wet College voor de rechten van de mens, met uitzondering van de artikelen 14 tot en met 18 (WET NALEVING EUROPESE REGELGEVING PUBLIEKE ENTITEITEN, 32 157) Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten: de artikelen 2, eerste lid, 3 en 5 Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten: artikel 2, eerste lid, voor zover het betreft de weigering om een aanwijzing te geven artikel 3, voor zover het betreft de weigering om een aanwijzing te geven artikel 5, voor zover het betreft de weigering om een besluit te nemen Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten: de artikelen 2, eerste lid, 3 en 5 Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten: artikel 2, eerste lid, voor zover het betreft de weigering om een aanwijzing te geven artikel 3, voor zover het betreft de weigering om een aanwijzing te geven artikel 5, voor zover het betreft de weigering om een besluit te nemen (WET REVITALISERING GENERIEK TOEZICHT, 32 389) A artikel 49 artikel 124, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door de raad, het college van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de burgemeester artikel 124a, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning de artikelen 169, derde lid, 180, derde lid, en 234, tweede lid, onderdeel a artikel 49 artikel 121, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning de artikelen 167, derde lid, en 179, derde lid artikel 5.8, eerste lid, laatste volzin artikel 124, voor zover het beroep wordt ingesteld door de raad, het college van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de burgemeester artikel 124a, voor zover het beroep wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning artikel 121, voor zover het beroep wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning B aA C aA D artikel 121g in artikel 1.1, onderdeel B; artikel 124i in artikel 1.2, onderdeel B; artikel 1.6; artikel 49 artikel 124, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door de raad, het college van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de burgemeester artikel 124a, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning de artikelen 169, derde lid, 180, derde lid, en 234, tweede lid, onderdeel a artikel 49 artikel 121, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning de artikelen 167, derde lid, en 179, derde lid artikel 124, voor zover het beroep wordt ingesteld door de raad, het college van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de burgemeester artikel 124a, voor zover het beroep wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning artikel 121, voor zover het beroep wordt ingesteld door gedeputeerde staten, onderscheidenlijk de commissaris van de Koning (WET STRATEGISCHE DIENSTEN, 32 665) 5. Tegen een beschikking als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de Wet strategische diensten kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank te Haarlem. Wet strategische diensten: artikel 18, derde lid (WET DIEREN) Wet dieren, met uitzondering van een besluit op grond van artikel 8.7 Wet dieren: artikel 8.7 Wijziging Algemene wet bestuursrecht Wet dieren, met uitzondering van een besluit op grond van artikel 8.7 Wet dieren: artikel 8.7 (WIJZIGING WET WAPENS EN MUNITIE EN FLORA- EN FAUNAWET, STB. 2011, 447) (WET VERBOD PELSDIERHOUDERIJ, 30 826 EN 33 076) Wet verbod pelsdierhouderij (WET OP HET ACCOUNTANTSBEROEP, 33 025) Wet op het accountantsberoep XLV Wet op het accountantsberoep (WET BEKOSTIGING FINANCIEEL TOEZICHT, 33 057) Wet bekostiging financieel toezicht: de artikelen 2, 5, 6 en 13, derde lid Wet bekostiging financieel toezicht XLIIA Wet bekostiging financieel toezicht: de artikelen 2, 5, 6 en 13, derde lid Wet bekostiging financieel toezicht (WET BIJZONDERE MAATREGELEN FINANCIËLE ONDERNEMINGEN, 33 059) Wet op het financieel toezicht: de artikelen 6:1 en 6:2 1. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tien dagen. 2. In afwijking van artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde griffierecht dient plaats te vinden, twee weken. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan een kortere termijn stellen. 1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt de zaak met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Afdeling 8.2.4 van die wet blijft buiten toepassing. 1. In afwijking van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift tien dagen. 2. In afwijking van artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde griffierecht dient plaats te vinden, twee weken. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan een kortere termijn stellen. 1. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt de zaak met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Afdeling 8.2.4 van die wet blijft buiten toepassing. A Wet op het financieel toezicht: de artikelen 6:1 en 6:2 B de artikelen 6:1 en 6:2 (WIJZIGING ELEKTRICITEITSWET 1998 EN GASWET, 32 814) Wet van ... tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en van de Gaswet (implementatie van richtlijnen en verordeningen op het gebied van elektriciteit en gas) (Stb. ..., ...): artikel XX OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN 1. Het recht zoals dit gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op: bezwaar of beroep tegen een voor dat tijdstip bekendgemaakt besluit; hoger beroep, verzet of beroep in cassatie tegen een voor dat tijdstip bekendgemaakte uitspraak; een verzoek om herziening van een voor dat tijdstip bekendgemaakte uitspraak; 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening. 3. Het oude recht blijft van toepassing op het hoger beroep, indien: dat recht ingevolge het eerste lid van toepassing is op het beroep, ingevolge dat recht hoger beroep kon worden ingesteld, en toepassing van het nieuwe recht zou leiden tot het vervallen van de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen. 4. Indien artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht ingevolge het eerste lid niet van toepassing is op het beroep, is het artikel evenmin van toepassing op het hoger beroep. Onze Ministers van Veiligheid en Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zenden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deel A, artikel I, onderdeel YYY, aan de Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht is toegepast. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Deze wet wordt aangehaald als: Wet aanpassing bestuursprocesrecht. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 32 450
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 20 december 2012 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet aanpassing bestuursprocesrecht)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in