Besluit van 5 juli 1997, houdende regelen ter vaststelling van de aanspraken op nabestaandenpensioen voor enkele bijzondere groepen militairen (Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen)
The provision defines key terms and sets rules for recognizing a partner, checking that status, and paying survivor pensions to eligible military survivors.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 11 Jul 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
The provision defines key terms and sets rules for recognizing a partner, checking that status, and paying survivor pensions to eligible military survivors. This segment explains how certain military survivor pensions are calculated and adjusted, and says a pension is granted on the beneficiary’s written application.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Besluit van 5 juli 1997, houdende regelen ter vaststelling van de aanspraken op nabestaandenpensioen voor enkele bijzondere groepen militairen (Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen)
Showing 2 of 2
- document.segment-1 Verify source ↗
Besluit van 5 juli 1997, houdende regelen ter vaststelling van de aanspraken op nabestaandenpensioen voor enkele bijzondere groepen militairen (Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen) — segment 1
AI-assisted research summary: The provision defines key terms and sets rules for recognizing a partner, checking that status, and paying survivor pensions to eligible military survivors.
Staatsblad Besluit van 5 juli 1997, houdende regelen ter vaststelling van de aanspraken op nabestaandenpensioen voor enkele bijzondere groepen militairen (Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 1 april 1997, nr. P/97001845; Gelet op artikel 31 van de Wet privatisering ABP; De Raad van State gehoord (advies van 4 juni 1997, nr. W07.97.018); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 27 juni 1997, nr. P/97004149; Algemene bepalingen Begripsbepalingen In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. Onze Minister: Onze Minister van Defensie; b. Nabestaandenreglement militairen: het op artikel 28, eerste lid, van de Wet Privatisering ABP berustende pensioenreglement voor de nabestaanden van militair personeel; c. militair: de beroepsmilitair, reservist of dienstplichtige dan wel de gewezen of gepensioneerde beroepsmilitair, reservist of dienstplichtige in de zin van de Amp-wet of een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet; d. partner: 1e. de echtgenoot van de militair en 2e. degene die op grond van artikel 2 als zodanig is aangemerkt; e. wees: 1e. het kind dat is geboren uit of is geadopteerd tijdens een huwelijk dan wel een partnerrelatie anders dan een huwelijk die is aangemerkt overeenkomstig artikel 2; 2e. het kind dat deel uitmaakte van het gezin van de militair, niet zijnde een onder 1e bedoeld kind, waarvoor hij de kosten van levensonderhoud droeg; 3e. het kind van de vrouwelijke militair, niet zijnde een onder 1e bedoeld kind, waarmee de familierechtelijke betrekking niet door adoptie is opgehouden te bestaan; 4e. het kind ten opzichte waarvan aan de mannelijke militair ten tijde van zijn overlijden een onderhoudsplicht krachtens artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek was opgelegd of ten opzichte waarvan door hem bij authentieke akte een dergelijke verplichting was erkend; onder de voorwaarde dat dat kind op het moment van overlijden van de militair jonger is dan 21 jaar, niet gehuwd is of gehuwd geweest is en geen partij is of partij geweest is bij de aanmerking van een partner, bedoeld in artikel 2. f. nabestaanden: de partner van de militair op het moment van overlijden en de wees; g. nabestaandenpensioen: het de partner of de wees ingevolge dit besluit toekomende pensioen; h. partnerpensioen: het de partner ingevolge dit besluit toekomende pensioen; i. wezenpensioen: het de wees ingevolge dit besluit toekomende pensioen; j. tijdelijk pensioen: het pensioen dat de als zodanig aan te merken partner of wees van de vermiste militair ingevolge dit besluit toekomt; k. voortdurend pensioen: het pensioen dat de partner of wees van de overleden militair ingevolge dit besluit toekomt; l. AOW-pensioen: een tot een jaarbedrag herleid en met de vakantie-uitkering verhoogd pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet; m. AWW-pensioen: een tot een jaarbedrag herleid en met de vakantie-uitkering verhoogd pensioen of de aldus herleide en verhoogde tijdelijke weduwenuitkering ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet; n. laag AWW-pensioen: het AWW-pensioen, bedoeld in artikel 19, elfde lid, onder a, van de Algemene Weduwen- en Wezenwet; o. hoog AWW-pensioen: het AWW-pensioen, bedoeld in artikel 19, elfde lid, onder b, van de Algemene Weduwen- en Wezenwet. Aanmerking als partner De militair doet ter verzekering van de aanspraak op partnerpensioen melding van een door hem gesloten samenlevingscontract. Indien de militair deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde in de zin van het Nabestaandenreglement militairen is en er op grond van dat reglement een partner is of kan worden aangemeld, blijft in afwijking van het eerste lid de aanmerking op grond van dit artikel achterwege. In dat geval is een partner in de zin van dat reglement voor hetzelfde tijdvak partner in de zin van dit besluit. De partner, bedoeld in het eerste lid, wordt slechts als zodanig aangemerkt indien: a. de eventuele eerdere aanmelding van een andere partner is beëindigd en b. de aangemelde partner ongehuwd is en 18 jaar of ouder en c. de partners als ingezetenen met hetzelfde woonadres zijn ingeschreven in de basis-administratie, bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en d. de partners zich blijkens een notarieel verleden samenlevingscontract tegenover elkaar hebben verplicht om over en weer bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en e. de partners geen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn zijn. In afwijking van het derde lid kan Onze Minister regels stellen omtrent het aanmerken als partner van degene die niet in de eerdergenoemde basisadministratie is ingeschreven. De aanmerking als partner, bedoeld in het eerste lid, wordt beëindigd met ingang van: a. de dag waarop een van de partners huwt of wordt aangemerkt als partner van een ander; b. de dag waarop er blijkens de eerdergenoemde basisadministratie niet langer sprake is van een gezamenlijk woonadres, tenzij omstandigheden buiten de wil van de partners om daartoe noodzaakten; c. de dag volgende op het overlijden van een van de partners, of d. de dag waarop van een van de partners een schriftelijke aanvraag daartoe is ontvangen. Aan degene die de aanmelding heeft gedaan kan periodiek de bevestiging worden gevraagd dat nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden voor de aanmerking als partner. Indien de schriftelijke bevestiging niet binnen zes weken na het verzoek daartoe wordt gedaan, wordt de in het zesde lid bedoelde vraag herhaald. Indien de schriftelijke bevestiging niet binnen zes weken na de herhaalde vraag wordt gegeven, wordt de aanmerking als partner beëindigd met ingang van de eerste dag volgende op die termijn van zes weken. Werkingssfeer en onderzoek naar toepasselijkheid Werkingssfeer Dit besluit is van toepassing op: a. de nabestaanden van de militair die is overleden ten gevolge van verwonding, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel E 11 van de Amp-wet of daarmee overeenkomende bepalingen in een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet, en b. de nabestaanden van de als gevolg van andere oorzaken overleden militair, die op het moment van zijn overlijden op grond of mede op grond van de onder a bedoelde verwonding, ziekten of gebreken recht op militair pensioen kon of zou kunnen doen gelden, tenzij er voor de betrokkenen in verband of mede in verband met diezelfde verwonding, ziekten of gebreken aanspraak bestaat op een pensioen ingevolge het Nabestaandenreglement militairen en c. de nabestaanden, voor zover niet vallend onder a, van de militair die uitsluitend recht heeft op het invaliditeitspensioen, bedoeld in artikel E 3, tweede lid, onder a, of artikel E 4, onder a, van de Amp-wet. Onderzoek naar toepasselijkheid De vraag of er verband bestaat tussen het overlijden en de verwonding, ziekten of gebreken, bedoeld in artikel 3, onder a, wordt beantwoord met inachtneming van de resultaten van een geneeskundig onderzoek naar het ontstaan, tot uiting komen of verergeren, de aard en de gevolgen van die verwonding, ziekten of gebreken. De voor dat onderzoek geldende procedure wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. Indien ter zake van hetzelfde overlijden voor dezelfde nabestaande recht bestaat op meerdere militaire pensioenen, kan de vraag of er verband bestaat tussen dat overlijden en de verwonding, ziekten of gebreken, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend positief worden beantwoord voor dat pensioen dat is gekoppeld aan de periode van werkelijke dienst waarin die verwonding, ziekten of gebreken zijn ontstaan. Indien er op het moment van overlijden een invaliditeit met dienstverband als bedoeld in artikel E 11 van de Amp-wet of in een vergelijkbaar artikel in een vroegere militaire pensioen-wet in de zin van die wet bestond van tenminste 60%, wordt die invaliditeit, tenzij het tegendeel wordt aangetoond, beschouwd als oorzaak van het overlijden. Indien na toepassing van het eerste en tweede lid blijkt dat het daar bedoelde verband tussen het overlijden en de verwonding, ziekten of gebreken van de militair niet aannemelijk dan wel uitgesloten moet worden geacht, wordt er voor de verdere toepassing van dit besluit uitgegaan van de mate van invaliditeit met dienstverband die op het moment van overlijden bestond. Een nog bij leven van de militair aangevangen onderzoek naar de mate van zijn invaliditeit met dienstverband leidt daarbij niet tot een lager percentage dan het laatstelijk voor hem vastgestelde. Indien er naar het oordeel van de nabestaanden op het moment van overlijden sprake was van een op een te laag niveau vastgestelde mate van invaliditeit met dienstverband, richt het in het eerste lid bedoelde onderzoek zich mede op de aannemelijkheid van die stellingname. De laatste volzin van het vorige lid is op de uitkomst van dat deel van het onderzoek van overeenkomstige toepassing. De nabestaanden van de militair, bij wie op het moment van overlijden geen invaliditeit met dienstverband was vastgesteld, kunnen, tenzij een eerder verzoek van de desbetreffende militair om tot een dergelijke vaststelling te komen is afgewezen, alsnog om de vaststelling daarvan verzoeken. De verzoeker motiveert zijn aanvraag en legt de gegevens waarop zijn verzoek steunt aan de met de beoordeling daarvan belaste autoriteit over. Pensioenaanspraken en pensioenberekening Recht op pensioen De nabestaanden van de in artikel 3 bedoelde militair hebben te rekenen van de dag volgende op diens overlijden recht op partner- of wezenpensioen. Voor de toepassing van dit besluit wordt, voor zolang niets anders vaststaat, vermissing in de uitoefening van de militaire dienst of ten gevolge van bijzondere omstandigheden die zich bij de uitoefening van die dienst hebben voorgedaan, gelijkgesteld met een overlijden in de zin van artikel 3, onder a, en vermissing onder andere omstandigheden gelijkgesteld met een overlijden in de zin van onderdeel b van dat artikel. Basis voor de berekening van het pensioen De nabestaandenpensioenen worden afgeleid van een eigen pensioen. Dat eigen pensioen bedraagt: a. in de situatie, bedoeld in artikel 3, onder a: 100 procent van de grondslag die, naar het welvaartsvaste niveau van het moment van overlijden, ingevolge de Amp-wet of een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar gold of zou hebben gegolden en voor de vaststelling van de invaliditeitsverhoging of het invaliditeitspensioen ingevolge die wetten in aanmerking zou zijn genomen, dan wel, indien dat bedrag hoger is, het uitsluitend naar diensttijd berekende en op die invaliditeitsverhoging of dat invaliditeitspensioen in mindering te brengen welvaartsvaste pensioen van de overledene, zoals dat, inclusief de eventuele tropenverhoging en zonder toepassing van de voor dat pensioen geldende franchisebepalingen, genoemd in het tweede lid, bij het bereiken van die leeftijd is of zou zijn vastgesteld; b. in de situatie, bedoeld in artikel 3, onder b: zoveel procent van de onder a bedoelde grondslag als wordt aangegeven door de mate van invaliditeit met dienstverband die, als gevolg van de daar bedoelde verwonding ziekten of gebreken, ten aanzien van de overledene laatstelijk is vastgesteld, bij een overlijden voor 1 januari 1996 te maximeren op 70, dan wel, indien dat bedrag hoger is, het onder a bedoelde naar diensttijd berekende pensioen; c. in de situatie, bedoeld in artikel 3, onder c: het bedrag van het daar bedoelde pensioen. Indien na de in het eerste lid onder a of b bedoelde afweging is komen vast te staan dat een nabestaandenpensioen dient te worden afgeleid van het naar diensttijd berekende eigen pensioen van de overledene, wordt dat eigen pensioen, in afwijking van die onderdelen van het eerste lid en voor zover de betreffende diensttijd daartoe aanleiding geeft, vastgesteld met inachtneming van artikel F 3, zesde lid, onder a, en F 3, achtste lid, van de Amp-wet. In afwijking van het eerste lid, onder a en b, wordt het eigen pensioen, niet zijnde een pensioen als bedoeld in artikel E 3, eerste lid, onder c, van de Amp-wet, van de reservist of dienstplichtige die is ontslagen na 31 december 1985 berekend met toepassing van artikel F 7, zestiende lid, onder a, van de Amp-wet. Bedrag van het partnerpensioen Het partnerpensioen bedraagt vijf zevende gedeelten van het eigen pensioen, verminderd met de voor dezelfde uitbetalingstermijn, zonder de daarop te verlenen toeslagen, vast te stellen aanspraak op bijzonder partnerpensioen ingevolge het Nabestaandenreglement militairen. De in het eerste lid bedoelde vermindering wordt onveranderd voortgezet indien de rechthebbende op een in mindering te brengen pensioen overlijdt en vindt, naar de bedragen die zouden zijn genoten, ook plaats indien een pensioen als daar wordt bedoeld ingevolge het daaromtrent bepaalde in het Nabestaandenreglement militairen wordt afgekocht. Indien het in mindering te brengen pensioen op grond van het bepaalde in artikel 23 van het Nabestaandenreglement militairen met terugwerkende kracht wordt toegekend, leidt dat niet met terugwerkende kracht tot een vermindering in de zin van dit artikel. Nadere vaststelling van het partnerpensioen Het partnerpensioen, waarop voor de eventuele aftrek van een bijzonder partnerpensioen ingevolge het Nabestaandenreglement militairen aanspraak bestaat, wordt bij een volgend huwelijk van de rechthebbende of een volgende aanmerking als partner vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller, tot een minimum van 20, bestaat uit de voor pensioen geldige diensttijd in de zin van de Amp-wet of een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet, die de militair op het moment van zijn overlijden kon aanwijzen, en de noemer gelijk is aan 40. De in het eerste lid bedoelde nadere vaststelling is blijvend en gaat in op de eerste dag van de maand, volgende op die waarin het daar bedoelde huwelijk of de daar bedoelde aanmerking heeft plaatsgevonden. Bedrag van het wezenpensioen Het wezenpensioen bedraagt van het eigen pensioen a. indien aan hetzelfde overlijden door de verzorger van de wees recht op een partnerpensioen dan wel recht op een bijzonder partnerpensioen ingevolge het Nabestaandenreglement militairen wordt ontleend, een zevende gedeelte en, b. in alle andere gevallen, twee zevende gedeelten. Het gezamenlijk bedrag van de wezenpensioenen gaat een bedrag, gelijk aan vijf zevende gedeelten van het eigen pensioen waarvan zij zijn afgeleid, niet te boven. Indien wegens toepassing van het vorige lid de wezenpensioenen een vermindering moeten ondergaan, geschiedt deze in evenredigheid naar de omvang van de onverminderde bedragen daarvan. Relatie met AOW- en AWW-pensioen Op een nabestaandenpensioen ingevolge dit besluit wordt, indien dat nabestaandenpensioen wordt of mede wordt berekend naar diensttijd die niet wordt bestreken door de in artikel 6, tweede lid, bedoelde franchises dan wel wordt afgeleid van het pensioen, bedoeld in artikel 3, onder c, of wordt berekend naar invaliditeit met dienstverband in de zin van de Amp-wet terwijl de in artikel 6, derde lid, bedoelde franchise niet van toepassing is, in verband met het recht op AOW- of AWW-pensioen een bedrag in mindering gebracht. Voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde bedrag gelden de volgende regels: 1e. de vermindering beperkt zich tot dat deel van de gelijktijdige aanspraak op AOW- of AWW-pensioen dat geacht kan worden betrekking te hebben op de voor pensioen geldige diensttijd, tot een maximum van 40 jaren, waarnaar het militair pensioen waarvan het nabestaandenpensioen moet worden afgeleid is of geacht moet worden te zijn berekend; 2e. er wordt niet uitgegaan van een hoger AOW-pensioen dan dat voor een ongehuwde; 3e. er wordt slechts gerekend met, tenzij het nabestaandenpensioen moet worden afgeleid van een pensioen, als bedoeld in artikel E 3, eerste lid, onder c, van de Amp-wet, de voor 1 januari 1986 liggende voor pensioen geldige diensttijd; 4e. rekening wordt gehouden met het bepaalde in de artikelen M 1, tweede lid, M 2, tweede, derde en vierde lid, alsmede de artikelen M 3 tot en met M 9 van de Amp-wet, met dien verstande dat daar waar in die artikelen leeftijdsgrenzen een rol spelen niet die van de gepensioneerde maar van de overledene zullen gelden en dat het in artikel M 3, onder b, bepaalde mede geldt voor vrijwillige premiebetaling in de zin van de Algemene Weduwen- en Wezenwet. Indien het nabestaandenpensioen moet worden afgeleid van een eigen pensioen dat wordt berekend naar invaliditeit met dienstverband in de zin van de Amp-wet of een vroegere militaire pensioenwet in de zin van die wet wordt voor de toepassing van het tweede lid: 1e. voor de nabestaandenpensioenen die oorspronkelijk zijn toegekend krachtens een vroegere militaire pensioenwet in de zin van de Amp-wet, het eigen pensioen waarvan het nabestaandenpensioen moet worden afgeleid geacht te zijn berekend naar een diensttijd welke zich verhoudt tot 40 jaren als het bedrag van dat eigen pensioen zich verhoudt tot het maximumbedrag van dat pensioen; 2e. voor de pensioenen die ingevolge de Amp-wet zijn toegekend aan de nabestaanden van de militair die is ontslagen voor 1 januari 1986 en overleden voor 1 januari 1996, het eigen pensioen waarvan het nabestaandenpensioen moet worden afgeleid geacht te zijn berekend naar een diensttijd welke zich verhoudt tot 40 jaren, als het bedrag van dat eigen pensioen zich verhoudt tot 70 procent van de hoogste bij dat eigen pensioen behorende pensioen- of berekeningsgrondslag; 3e. voor de nabestaanden van de militair die is ontslagen voor 1 januari 1986 en overleden na 31 december 1995, het met dat lid gegeven stelsel gevolgd in een zin als hiervoor onder 1e bedoeld. Voor de nabestaanden van de na 31 december 1985 ontslagen beroepsmilitair wordt, indien hun pensioen moet worden afgeleid van een eigen pensioen dat naar invaliditeit met dienstverband is berekend, in afwijking van het tweede en derde lid, de korting vastgesteld op zoveel procent van het AOW-pensioen voor een ongehuwde of op zoveel procent van het AWW-pensioen waarop recht bestaat als wordt aangegeven door de te hanteren mate van die invaliditeit. Toeslag i.v.m. ontbreken AWW-pensioen voor partner De partner die recht heeft op een partnerpensioen dat is afgeleid van een eigen pensioen waarop artikel F 3, zesde lid, of artikel F 7, zestiende lid, van de Amp-wet is toegepast, de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en geen recht heeft op een AWW-pensioen, heeft, tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag op zijn pensioen. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt in het geval van de toepassing van het daar genoemde artikel F 3 voor elk jaar van de tussen 31 december 1985 en 1 januari 1996 liggende en voor de berekening geldende diensttijd 2,5 procent van het lage AWW-pensioen. De toeslag als gevolg van de toepassing van het zestiende lid van artikel F 7 bedraagt zoveel procent van het lage AWW-pensioen als wordt aangegeven door de mate van invaliditeit met dienstverband waarnaar het eigen pensioen, waarvan het partnerpensioen moet worden afgeleid, wordt berekend. Indien het partnerpensioen overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 nader is vastgesteld, wordt de via de voorgaande leden berekende toeslag vermenigvuldigd met de daar bedoelde breuk. Toeslag i.v.m. ontbreken AWW-pensioen voor wees De wees die recht heeft op een wezenpensioen dat is afgeleid van een eigen pensioen waarop artikel F 3, zesde lid, of artikel F 7, zestiende lid, van de Amp-wet is toegepast en geen recht heeft op AWW-pensioen, heeft, tenzij de overlevende ouder recht heeft op het hoge AWW-pensioen, recht op een toeslag op zijn pensioen. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt in het geval van de toepassing van het daar genoemde artikel F 3 voor elk jaar van de tussen 31 december 1985 en 1 januari 1996 liggende en voor de berekening geldende diensttijd 0,375 procent van het hoge AWW-pensioen voor de wees, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, en 0,75 procent van het hoge AWW-pensioen voor de wees bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b. De toeslag als gevolg van de toepassing van het zestiende lid van artikel F 7 bedraagt voor de wees, bedoeld in artikel 9, eerste lid onder a, zoveel procent van 15 procent van het hoge AWW-pensioen als wordt aangegeven door de mate van invaliditeit met dienstverband die aan het eigen pensioen, waarvan het wezenpensioen moet worden afgeleid, ten grondslag ligt en voor de wees, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder b, zoveel procent van 30 procent van dat AWW-pensioen als door die mate wordt aangegeven. Toeslag op partnerpensioen De partner die recht heeft op een partnerpensioen en die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt, heeft tot de eerste dag van de maand waarin hij die leeftijd bereikt recht op een toeslag ten bedrage van 15 procent van zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen en van de toeslag, bedoeld in artikel 11. Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de partner wiens partnerpensioen met toepassing van artikel 8 nader is vastgesteld. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt niet meer dan 15 procent van f 64 066,05. Toeslag op wezenpensioen De wees die recht heeft op een wezenpensioen heeft vanaf de eerste dag van de maand waarin hij de leeftijd van 15 jaar bereikt recht op een toeslag ten bedrage van 15 procent van zijn volgens de voorgaande artikelen berekende pensioen en van de toeslag, bedoeld in artikel 12. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt niet meer dan 15 procent van f 64 066,05. Indexering en aanpassing algemene pensioenen Indien op grond van de Amp-wet als gevolg van een algemene bezoldigingswijziging de pensioenen waarvan de nabestaandenpensioenen worden afgeleid zouden zijn bijgesteld, worden de nabestaandenpensioenen met ingang van dezelfde datum aangepast door ze nader af te leiden van dat nieuw gevonden pensioen. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de maximale bedragen, bedoeld in de artikelen 13 en 14. Indien op de in het eerste lid bedoelde eigen pensioenen bij wijze van salarismaatregel met een algemeen karakter een uitkering-ineens zou worden verstrekt, wordt die uitkering-ineens naar evenredigheid doorvertaald naar de nabestaandenpensioenen. Indien de AOW- of AWW-bedragen een algemene wijziging ondergaan, worden de kortingen en toeslagen die van het niveau van die bedragen afhankelijk zijn met ingang van dezelfde datum aangepast. Toekenning, einde en betaling van de nabestaandenpensioenen Toekenning De pensioenen en toeslagen worden op een jaarbedrag vastgesteld. Het nabestaandenpensioen gaat in op de dag die volgt op het overlijden waaraan het wordt ontleend. Over de toekenning van dat pensioen wordt beslist op aanvraag door of namens de belanghebbende. Het tijdelijk pensioen gaat in op een door Onze Minister te bepalen dag, die niet kan liggen voor de dag waarop laatstelijk aanspraak op bezoldiging of militair pensioen bestond. De toeslagen gaan in op de dag waarop het recht daarop ontstaat. De laatste zin van het tweede lid is op de toekenning van een toeslag van overeenkomstige toepassing. Indien een aanvraag om een pensioen of een toeslag niet is ingekomen voor het moment waarop dat pensioen of die toeslag had kunnen ingaan, wordt dat pensioen of die toeslag toegekend met een terugwerkende kracht, te rekenen van de dag van binnenkomst van het verzoek, van maximaal een jaar. Bij de toepassing van dit artikel wordt uitgegaan van de pensioengrondslagen, berekeningsgrondslagen, pensioenen en pensioenverhogingen zoals die op grond van de Aanpassingsregeling pensioenen en de daarop aansluitende andere regels zijn gebracht op het welvaartsvaste niveau van het moment van ingang van het nabestaandenpensioen. Einde pensioen Elk pensioen eindigt met het einde van de maand waarin de rechthebbende is overleden. Indien degene aan wiens vermissing het wordt ontleend in leven blijkt te zijn, eindigt het tijdelijk pensioen met ingang van een door Onze Minister te bepalen dag. Zodra vaststaat dat de vermiste is overleden, eindigt het tijdelijk pensioen door overgang in een voortdurend pensioen. Het wezenpensioen eindigt voorts met het einde van de maand waarin: a. de rechthebbende de leeftijd van 21 jaren heeft bereikt of, voorafgaand aan het bereiken van die leeftijd in het huwelijk is getreden dan wel partij is geworden bij de aanmerking van een partner, bedoeld in artikel 2 van dit besluit of het daarmee overeenkomende artikel in het Nabestaandenreglement militairen; b. de rechthebbende wettig kind is geworden van een ander dan de partner die aan hetzelfde overlijden recht op partnerpensioen in de zin van dit besluit of bijzonder partnerpensioen in de zin van het Nabestaandenreglement militairen ontleent. Het recht op een toeslag vervalt vanaf het moment dat niet meer aan de voorwaarden voor de toekenning daarvan wordt voldaan. Betaling De betaling van de pensioenen en toeslagen geschiedt in maandelijkse termijnen. De ingevolge artikel 7, vierde lid, van het Nabestaandenreglement militairen verstrekte voorschotten worden verrekend met de eerste betaling op grond van dit besluit en rechtstreeks aan de uitvoerder van dat reglement overgemaakt. Bijzondere gevallen Onze Minister kan de artikelen 5 tot en met 15 buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op de belangen die die artikelen beogen te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Tijdelijke regels Het Tijdelijk besluit bijzondere regels voor de samenloop van een militair nabestaandenpensioen en een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet is van overeenkomstige toepassing op de pensioenen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van dit besluit, met dien verstande dat: a. voor de in artikel 2 van die regeling genoemde inbouw- en kortingsbepalingen het bepaalde in artikel 10 van dit besluit in de plaats treedt en b. voor de vaststelling van de in de artikelen 3 en 4 van die regeling genoemde toeslagen niet wordt uitgegaan van de daar genoemde toeslagen uit hoofdstuk H van de Amp-wet, maar van de vergelijkbare toeslagen, genoemd in de artikelen 11 tot en met 14 of in het derde lid van artikel 22. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid van artikel 103 van de Algemene nabestaandenwet heeft degene die recht heeft op een partnerpensioen krachtens dit besluit, anders dan bedoeld in het vorig artikel, onder de werking van de Algemene Weduwen- en Wezenwet aanspraak zou hebben gehad op een AWW-pensioen en ingevolge het bepaalde in § 1 van hoofdstuk 3 van de eerstgenoemde wet geen recht heeft op een nabestaandenuitkering, tot 1 januari 1998 recht op een toeslag op zijn pensioen. De in het eerste lid bedoelde toeslag bedraagt: a. voor elk voor 1 januari 1986 liggend en voor de berekening geldend dienstjaar, 2 procent van de nabestaandenuitkering, bedoeld in artikel 17 van de Algemene nabestaandenwet, zoals die ingevolge artikel 103, vierde lid, van die wet, op enig moment tot het daar bedoelde voor-Oortse niveau kan worden teruggebracht en b. voor elk jaar van de na 31 december 1985 liggende en voor de berekening geldende diensttijd, 2,5 procent van de onder a omschreven nabestaandenuitkering. Op de in het tweede lid bedoelde berekening zijn het tweede en derde lid van artikel 10 van overeenkomstige toepassing. In afwijking van het bepaalde in het tweede en derde lid is de ingevolge dit artikel te verlenen toeslag op een pensioen waarop artikel 10, vierde lid, of een pensioen dat wordt afgeleid van een eigen pensioen waarop artikel F 7, zestiende lid, van de Amp-wet is toegepast, per procent invaliditeit met dienstverband gelijk aan een zeventigste gedeelte van de in het tweede lid onder a omschreven nabestaandenuitkering. De via de vorige leden berekende toeslag wordt, zo nodig, op de in het tweede lid onder a omschreven nabestaandenuitkering gemaximeerd. Hetgeen is bepaald ten aanzien van de toeslag, bedoeld in artikel 11, is op de toeslag ingevolge dit artikel van overeenkomstige toepassing. Voor de vaststelling van de in dit artikel bedoelde toeslag wordt de te hanteren nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet vastgesteld op een jaarbedrag en verhoogd met de vakantie-uitkering. Overgangsrecht Op de op de dag voor de inwerkingtreding van dit besluit ten laste van Onze Minister komende wettelijke nabestaandenpensioenen die niet direct zijn afgeleid van een pensioen- of berekeningsgrondslag, van een naar invaliditeit met dienstverband of naar diensttijd berekend pensioen, dan wel van een pensioen als bedoeld in artikel 3, onder c, blijven voor de verdere looptijd daarvan de bepalingen van toepassing die dat pensioen op die datum beheersten. De op de in het eerste lid bedoelde dag ten laste van Onze Minister komende andere rechten op een nabestaandenpensioen of een gratificatie of andere uitkering bij wijze van militair nabestaandenpensioen, berusten te rekenen van die dag op dit besluit. Voor de nabestaandenpensioenen die worden ontleend aan een overlijden voor 1 januari 1996 blijft daarbij de inhoud van de artikelen H 8, H 9 en J 2 van de Amp-wet, zoals die wet op 31 december 1995 luidde, van toepassing zolang de daarin aangegeven situatie duurt en voor de nabestaandenpensioenen die worden ontleend aan een overlijden tussen 31 december 1995 en de datum van inwerkingtreding van dit besluit voor zolang de toepassing ervan een hoger totaal aan nabestaandenpensioen oplevert dan een rechtstreekse berekening via dit besluit. Indien op het nabestaandenpensioen een toeslag werd verleend ingevolge artikel H 1, twaalfde lid, van de Amp-wet, vervangt, zolang de daar omschreven situatie ononderbroken voortduurt, die toeslag of het samenstel van toeslagen, bedoeld in het elfde en twaalfde lid van dat artikel, de toeslag, bedoeld in artikel 11. Een op grond van de Amp-wet ten laste van Onze Minister komend bijzonder nabestaandenpensioen wordt voor de toepassing van dit besluit gelijkgesteld met een bijzonder partnerpensioen op grond van het Nabestaandenreglement militairen. De inhoud van artikel H 3 van de Amp-wet, zoals dat op 31 december 1995 luidde, blijft op dat bijzonder nabestaandenpensioen van toepassing. De via het tweede lid van laatstgenoemd artikel gevonden breuk wordt toegepast op het ingevolge artikel 10 van dit besluit ten aanzien van dat pensioen gevonden verminderingsbedrag. Indien het overlijden waaraan het recht op nabestaandenpensioen wordt ontleend plaatsvond voor 1 januari 1986, wordt de diensttijd, waarnaar het eigen pensioen, waarvan het nabestaandenpensioen moet worden afgeleid, voor de toepassing van de artikelen 6 en 10 geacht geheel voor die datum te liggen en indien dat overlijden plaatsvond tussen 31 december 1985 en 1 januari 1995 wordt dat eigen pensioen vastgesteld met toepassing van artikel F 3 van de Amp-wet zoals dat voor de laatstgenoemde datum luidde. Een weduwenpensioen, toegekend krachtens een vroegere militaire pensioenwet in de zin van de AMPW, waarvan het recht op uitbetaling is vervallen in verband met een volgend huwelijk, en dat bij toepassing van artikel Y 14a van de Amp-wet ten laste van Onze Minister zou zijn gekomen, kan op verzoek van de weduwe opnieuw worden toegekend naar de bepalingen van dit besluit. Artikel 8 is op dat pensioen onder alle omstandigheden van toepassing. Het opnieuw toe te kennen pensioen gaat, in afwijking van artikel 16, tweede en vijfde lid, niet eerder dan per 1 januari 1996 in. Inwerkingtreding en citeertitel Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt, met uitzondering van de tot en met 1 juli 1996 terugwerkende artikelen 20 en 21, terug tot en met 1 januari 1996. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen. Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat. NOTA VAN TOELICHTING Vanouds worden de pensioenen voor de nabestaanden van beroepsmilitairen op kapitaaldekkingsbasis verzorgd door het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds. Het gaat daarbij niet alleen om de rechten die men kan vergelijken met die van de nabestaanden van burgerlijk overheidspersoneel, ook de typisch militaire en mogelijk wat hogere nabestaandenvoorziening bij invaliditeit met dienstverband is, als het overlijden althans niet met die invaliditeit in verband is te brengen, een zaak voor het fonds. Een overlijden in en door de dienst, of, later, als gevolg van die invaliditeit met dienstverband, schept voor de nabestaanden van de beroepsmilitair bijzondere rechten. Die pensioenen worden dan, tot een hoger niveau, rechtstreeks ten laste van de Rijksbegroting gebracht en, met de ouderdomspensioenen, de invaliditeitspensioenen en de nabestaandenpensioenen voor het reserve- en dienstplichtig personeel, beheerd door het Ministerie van Defensie zelf. Dat geheel aan rechten werd vastgelegd in de Algemene militaire pensioenwet en een aantal daaraan voorafgaande militaire pensioenwetten en volgde in beginsel, tenzij de rechtspositie rond het militaire beroep om een afwijkende oplossing vroeg, de wijzigingen in het pensioenrecht voor het burgerlijk overheidspersoneel. Waar dat ondanks de in hoofdzaak afwijkende financieringsmethode op het inhoudelijke van de pensioenrechten en qua structuur en vormgeving van de wet ook kon, noopt de privatisering van het fonds thans tot een afwijkende aanpak. Voor de op de begroting drukkende militaire pensioenen is daadwerkelijke privatisering immers niet mogelijk omdat er een wettelijke basis voor de uitgaven moet blijven bestaan en voor de pensioenen waar dat, omdat zij op kapitaaldekkingsbasis worden gefinancierd, wel kan, dient die wettelijke basis juist te worden vervangen door een privaatrechtelijk reglement. Ondanks de dan onvermijdelijke opdeling van het militaire pensioenrecht is uit praktische overwegingen besloten de privatisering van het fonds te volgen voor zover dat op dit moment mogelijk is. Het nu al ten laste van het fonds komend militair nabestaandenrecht is op grond van artikel 28 van de Wet privatisering ABP neergelegd in een met de centrales van overheidspersoneel in het Sectoroverleg Defensie overeengekomen en door het fonds uit te voeren «Nabestaandenreglement militairen» en het ten laste van de begroting komende nabestaandenrecht is overeenkomstig artikel 31 van de genoemde wet neergelegd in dit, eveneens door die centrales geaccordeerde, besluit. Anders dan bij het burgerlijk overheidspersoneel het geval is, blijven de rechten op een militair ouderdoms- of invaliditeitspensioen steunen op de bestaande, via artikel 77 van de Wet privatisering ABP van alle nabestaandenrechten geschoonde, formele wetgeving. De nu noodzakelijke opdeling van het militaire pensioenrecht wordt vanzelfsprekend niet gezien als een eindsituatie. Omdat het nabestaandenrecht is gekoppeld aan de rechten op eigen pensioen en dat ook zo behoort te blijven, wordt naar de mogelijkheden om in de nabije toekomst opnieuw te komen tot een integraal stelsel onderzoek verricht. In afwachting van de resultaten van het een en ander richten het meergenoemde reglement en dit besluit zich voor zoveel mogelijk op de status quo. De rekentechniek, de financieringsmethode en de verdeling van de doelgroepen over de uitvoeringsorganen blijven in principe afgestemd op het bestaande. Vereenvoudigingen die op dat vlak in het burgerlijk pensioenreglement zijn aangebracht werken dus niet door naar het militaire stelsel. De wijzigingen die bij gelegenheid van de privatisering op het gebied van de aanspraken in het burgerlijk pensioenstelsel werden gerealiseerd, zijn, conform het vaste beleid terzake, wel overgenomen. Met de status quo als uitgangspunt is de gelegenheid aangegrepen de uit de pensioenwet afkomstige teksten in te korten en ook overigens te vereenvoudigen. De structuur is gericht op een hernieuwde zelfstandige leesbaarheid. Het reglement en dit besluit zijn vergelijkbaar van opzet. De huidige militaire pensioenwetgeving stelt voor het verkrijgen van aanspraak op partnerpensioen een aantal eisen in de sfeer van het huwelijksmoment of de aanvang van de partnerrelatie in andere zin. Men diende voor het ontslag of, indien op dat ontslag een uitkering volgde, voor de afloop van het recht op die uitkering, de betreffende relatie te zijn aangegaan. In navolging van hetgeen vanaf 1 januari 1996 voor de burgerlijke ambtenaren zal gelden, verruimt het Nabestaandenreglement militairen de rechten door voortaan als eis te stellen dat het huwelijk of de aanmerking als partner moet hebben plaatsgevonden voordat de militair de leeftijd van 65 jaar bereikte. Het reglement stelt daar, in de sfeer van het leeftijdsverschil tussen de partners en de duur van hun relatie liggende nieuwe eisen, die tot korting kunnen leiden waar men er niet aan voldoet, tegenover. Omdat de pensioenwetgeving de betreffende eisen beperkte tot de gewone nabestaandenpensioenen en het huwelijks-moment of het moment van het aangaan van een andere partnerrelatie voor de met dit besluit geregelde pensioenen nooit relevant is geweest, worden hier die vervangende beperkende bepalingen niet aangelegd en blijft het ook zo, dat elke partnerrelatie, ook als die is aangegaan na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, in beginsel een volledig uitzicht op de met dit besluit af te dekken situaties genereert. Een ingevolge dit artikel aan te melden partner kan daarbij vanzelfsprekend geen andere zijn dan de partner die ter verzekering van zijn eventuele recht op een gewoon nabestaandenpensioen in het kader van het reglement als zodanig staat geregistreerd. Op grond van het vierde lid ontstaat de bevoegdheid regels te stellen voor partners die niet in de gemeentelijke basisadministratie staan ingeschreven. Te denken valt daarbij aan de voorwaarden waaronder in het buitenland gevestigde partners aan de registratie kunnen deelnemen. Het vijfde lid geeft de situaties aan waarin de registratie wordt beëindigd. De aldaar onder b gemaakte uitzondering ziet op de bijzondere omstandigheden die de partners ongewild kunnen dwingen tot het hebben van een verschillend adres, zoals bijvoorbeeld de opname in een verpleeginrichting. De rechtspositionele erkenning van andere relatievormen dan het huwelijk is op het gebied van de overheidspensioenen bij de Wet van 21 december 1995 (Stb. 638) in onder meer de Algemene militaire pensioenwet neergelegd. De voorwaarden waaronder dit besluit de partner van de ongehuwde militair aanspraak op nabestaandenpensioen biedt zijn uit die wetgeving overgenomen. Het blijft daarbij dan ook, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het systeem van de Algemene Ouderdomswet en de Algemene nabestaandenwet, waarin de vraag of er van een zodanige relatievorm sprake is wordt getoetst aan de feitelijke situatie, gaan om een stelsel dat werkt met vrijwillige aan- en afmeldingen. In dit artikel worden de situaties aangegeven, waarop het bijzondere militaire nabestaandenrecht betrekking heeft. Geformuleerd zijn de gevallen die ook in de ingetrokken wetgeving zo'n bijzonder recht zouden hebben gehad. Door in het bepaalde onder b de rechthebbende op een vergelijkbaar pensioen ingevolge het Nabestaandenreglement militairen uit te sluiten, blijft het pensioen voor de nabestaanden van de beroepsmilitair die is overleden ten gevolge van andere oorzaken dan de bij hem vastgestelde verbandsgebreken, een zaak voor het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds. Gezien de gevolgen voor het pensioenniveau moet de vraag of het overlijden verband hield met de militaire dienst of met door die dienst opgelopen ziekten of gebreken worden beantwoord aan de hand van een medisch onderzoek. Omdat dat medisch onderzoek is opgedragen aan het orgaan dat de invaliditeitspensioenen voor de gewezen beroepsmilitairen beheert, te weten de uitvoeringsinstelling sociale zekerheid voor overheid en onderwijs (USZO), en er geen nadere regelgeving op dit terrein bestaat, is er behoefte aan de mogelijkheid er nadere regels voor te stellen. Van de via artikel 77 van de Wet privatisering ABP ingetrokken wetgeving is overgenomen dat bij twijfel de uitkomst van dat onderzoek voor invaliditeitspercentages van 60 of meer niet in het nadeel van de rechthebbende kan uitpakken. Voor het overige zijn de regels afgestemd op de bestaande praktijk. Zolang het betreffende onderzoek loopt bestaat voor de nabestaanden aanspraak op een pensioen ingevolge het Nabestaandenreglement militairen. Is de uitslag van het onderzoek positief, dan ontstaat recht op pensioen ingevolge dit besluit en worden de betalingen die op grond van dat reglement zijn verricht beschouwd als voorschot en conform artikel 18, tweede lid, op de te verstrekken nabetaling in mindering gebracht. In dit artikel wordt vastgesteld wie recht op pensioen hebben en vanaf wanneer. Het tweede lid betrekt daar, evenals thans het geval is, ook de vermiste militair bij. Voor de verschillende situaties wordt aangegeven van welk pensioen het toe te kennen nabestaandenpensioen moet worden afgeleid. Conform de bestaande regels dient daarbij eerst te worden vastgesteld of de geconstateerde invaliditeit met dienstverband wel bepalend was voor het pensioen waarop de overledene recht had. De vergelijking tussen het uitsluitend naar diensttijd berekende pensioen en het naar de mate van invaliditeit berekende pensioen dient, omdat die samenloop langs verschillende wegen en in verschillende mate tot vermindering leidt, plaats te vinden voordat op enigerlei wijze rekening is gehouden met het gelijktijdig genot van algemeen ouderdomspensioen. Indien eenmaal is vastgesteld dat de voor pensioen geldige diensttijd een hoger pensioen oplevert dan de invaliditeit, wordt het nabestaandenpensioen van dat naar diensttijd berekende pensioen afgeleid. In het voorkomen van een onverkorte samenloop met algemeen pensioen wordt dan vervolgens voorzien door op dat naar diensttijd te berekenen eigen pensioen voor de na 31 december 1985 liggende diensttijd de franchisebepalingen uit de wet toe te passen, het nabestaandenpensioen vast te stellen op de in artikel 7 genoemde breukdelen daarvan om vervolgens, via artikel 10, op het gevonden bedrag een korting toe te passen voor de diensttijd van voor 1 januari 1986. Indien het eigen pensioen wordt berekend naar invaliditeit met dienstverband wordt een wat andere procedure gevolgd. Voor de nabestaanden van de beroepsmilitair, reservist of dienstplichtige die voor 1 januari 1986 is ontslagen, wordt het pensioen afgeleid van het naar invaliditeit berekende onverkorte pensioen. Artikel 10 regelt vervolgens de betreffende beperking. Voor de na 31 december 1985 ontslagen beroepsmilitair wordt dezelfde procedure gevolgd. Artikel 10, vierde lid, geeft voor die gevallen de eigen kortingsmethode. Bij de na 31 december 1985 ontslagen dienstplichtigen en reservisten wordt eerst de voor die gevallen geldende speciale franchise gehanteerd en vervolgens het nabestaandenpensioen vastgesteld via de relevante breuk. Omdat de korting met algemeen pensioen dan al in de gewenste mate is gerealiseerd, blijft de toepassing van artikel 10 voor die gevallen verder achterwege. Ook in het eerste lid onder a wordt de hiervoor bedoelde vergelijking tussen naar diensttijd en invaliditeit vastgestelde pensioenresultaten gemaakt. Hoewel het daar genoemde berekeningspercentage van 100 die afweging in vrijwel alle gevallen in het voordeel van het invaliditeitspensioen zal doen uitvallen, zijn er situaties mogelijk waarin dat niet zo is. Indien de beroepsmilitair ondanks zijn gebreken in militaire dienst wordt gehandhaafd, wordt later het diensttijdpensioen berekend naar het eindloon en de eventuele invaliditeitsverhoging naar de inkomsten uit het jaar voorafgaande aan het moment waarop de beslissing hem te handhaven viel. Voor die gevallen staat het dus ook bij een overlijden als gevolg van dienstoorzaken niet bij voorbaat vast welke berekening de beste resultaten oplevert. Als de militair die was gepensioneerd uit hoofde van verbandgebreken door andere oorzaken overleed werd het invaliditeitspensioen, dat als basis moest dienen voor het nabestaandenpensioen, met een verwijzing naar het maximaal haalbare diensttijdpensioen gemaximeerd op 70% van de berekeningsgrondslag. Nu in navolging van het burgerlijk pensioenreglement via de Aanpassingswet privatisering ABP de maximering van het ingevolge de Algemene militaire pensioenwet vast te stellen diensttijdpensioen is vervallen, kan ook hier, voor nieuwe overlijdensgevallen althans, de betreffende maximering niet in stand blijven. De in het eerste lid onder b nog opgenomen beperking geldt dan ook alleen voor de lopende gevallen. Het in het eerste lid onder c bedoelde pensioenbedrag vereist een aparte vermelding. Het gaat daar om het vaste bedrag aan invaliditeitspensioen dat tot 1 januari 1986 bij wijze van garantie gold voor de dienstplichtige of reservist die geen aanspraak meer kon maken op een invaliditeitsverhoging omdat zijn mate van invaliditeit met dienstverband tot minder dan 10% was gedaald. Het bedrag van dat pensioen is voor een ieder gelijk. Een nabestaandenpensioen wordt er rechtstreeks van afgeleid. Het bedrag van het partnerpensioen wordt, evenals thans het geval is, vastgesteld op vijf zevende gedeelten van het via artikel 6 gevonden bedrag. Op het aldus gevonden resultaat wordt een bijzonder partnerpensioen, het pensioen voor een gewezen partner, in mindering gebracht. Ten aanzien van dat bijzondere partnerpensioen moet het volgende worden opgemerkt. Het burgerlijk pensioenreglement ter zake volgend, zal het in de toekomst niet langer zo zijn dat gebeurtenissen na het echtscheidingsmoment of het moment van afmelding van een andere partnerrelatie invloed kunnen hebben op het op het partnerpensioen in mindering te brengen bijzonder partnerpensioen. Dat geldt in de eerste plaats voor het pensioengevend salaris waarnaar dat bijzondere partnerpensioen moet worden berekend. Het thans geldende eindloon wordt daar vervangen door de inkomsten uit het jaar, voorafgaande aan die gebeurtenis. In dezelfde lijn kan ook de invaliditeit met dienstverband die op het moment van overlijden bestond of het feit dat er verband wordt aangenomen tussen het overlijden en de geconstateerde gebreken niet langer maatgevend zijn voor de hoogte van dat bijzonder partnerpensioen. Ook in die gevallen zal het bijzonder partnerpensioen geen gedeelte meer kunnen zijn van het uiteindelijk vast te stellen partnerpensioen, maar zelfstandig moeten worden berekend naar de diensttijd en de grondslag die op het moment van de scheiding zijn vast te stellen. In het Nabestaandenreglement militairen wordt dat, overeenkomstig de werkwijze bij de burgers, ook zo geregeld. De gewezen partner verkrijgt via artikel 7, vijfde lid, van dat reglement een premievrije aanspraak die op het moment van overlijden wordt omgezet in een recht. Via artikel 26, tweede lid, van het reglement wordt die premievrije aanspraak ook schriftelijk vastgelegd. De figuur van een bijzonder nabestaanden-pensioen komt als gevolg van die werkwijze in dit besluit niet meer voor. Een bijzonder partnerpensioen wordt alleen gekort indien het recht daarop ook feitelijk ontstaat. Een vooroverlijden van de gewezen partner leidt dus niet tot een korting op het partnerpensioen. Als het recht op een bijzonder partnerpensioen is vastgesteld en er daarom een korting plaatsvindt, wordt die korting, zoals ook thans te doen gebruikelijk, bij het vervallen van dat recht niet hersteld. In het derde lid is de regel opgenomen dat toekenningen met terugwerkende kracht niet zullen leiden tot kortingen met terugwerkende kracht. - document.segment-2 Verify source ↗
Besluit van 5 juli 1997, houdende regelen ter vaststelling van de aanspraken op nabestaandenpensioen voor enkele bijzondere groepen militairen (Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen) — segment 2
AI-assisted research summary: This segment explains how certain military survivor pensions are calculated and adjusted, and says a pension is granted on the beneficiary’s written application.
De wijze waarop bij het aangaan van een nieuwe partnerrelatie het partnerpensioen nader wordt vastgesteld is overgenomen uit de Algemene militaire pensioenwet. De berekening van elk afzonderlijk wezenpensioen vindt plaats naar de bestaande normen. De in het tweede lid omschreven beperking is overgenomen van het burgerlijk pensioenreglement en vervangt de thans geldende beperkende bepaling uit artikel H 9 van de Algemene militaire pensioenwet. In het algemeen werkt de nieuwe bepaling milder uit omdat het gezamenlijk bedrag aan partner- en wezenpensioen in plaats van tot 7/7 gedeelten van het eigen pensioen op kan lopen tot 10/7 gedeelten daarvan. Ook situaties waarin dat niet zo is zijn evenwel denkbaar. Het gezamenlijk pensioen van drie volle wezen wordt in de nieuwe situatie van 6/7 gedeelten teruggebracht tot 5/7 gedeelten en zou in de oude situatie niet zijn beperkt. In het algemeen gedeelte van deze toelichting staat aangegeven dat dit besluit op het vlak van de berekeningstechniek geen wijziging brengt in het bestaande. Dit artikel keert in de regels terug als gevolg van dat uitgangspunt en vervangt het bepaalde in de hoofdstukken N en O van de Algemene militaire pensioenwet, zoals die op 31 december 1995 luidde. In de toelichting op artikel 6 staan het doel en de werking ervan omschreven. De richtlijnen voor de vaststelling van de korting zijn rechtstreeks overgenomen uit de genoemde wet. De in het derde lid, onder 2e opgenomen regel houdt verband met de maximering, omschreven in de derde alinea van de toelichting op artikel 6. De in dat lid onder 3e opgenomen nieuwe regel ligt in het verlengde van het loslaten daarvan. De in deze artikelen opgenomen toeslagen zijn overgenomen uit de artikelen H 1, elfde en vijftiende lid en H 4, vijfde en zevende lid, van de Algemene militaire pensioenwet. Overeenkomstig de beslissing bij het opstellen van het burgerlijk pensioenreglement is de toeslag, bedoeld in artikel H 1, twaalfde lid, van die wet, vervallen. Om de relatie tussen de eigen en de nabestaandenpensioenen ook in de tijd te bewaren, kent zowel het Nabestaandenreglement militairen als dit besluit een indexeringsartikel dat rechtstreeks en onvoorwaardelijk is gekoppeld aan de welvaartsvaste aanpassingen van het eigen pensioen. Een pensioen wordt toegekend op schriftelijke aanvraag van de belanghebbende. De huidige praktijk, waarin het toekenningsproces voor zoveel mogelijk ambtelijk wordt begeleid, zal door dat voorschrift niet veranderen. In veel gevallen is de rechthebbende evenwel niet bij de administratie bekend. De ook nu bestaande en in het vijfde lid omschreven beperking van de terugwerkende kracht is daarom nodig. De bevoegdheid om bij een onredelijke uitkomst een met de strekking van dit besluit sporende afwijkende beslissing te nemen is rechtstreeks overgenomen uit de ingetrokken pensioenwetgeving. Hoewel het vergelijkbare artikel onder de werking van de Algemene militaire pensioenwet nimmer werd toegepast, blijft er tegen de achtergrond van de complexiteit van de materie behoefte aan een mogelijke uitweg bestaan. Ook in het Nabestaandenreglement militairen, het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP en, ten aanzien van de eigen pensioen, de Algemene militaire pensioenwet, komen bepalingen van die strekking voor. In dit artikel wordt aangegeven dat de compenserende maatregel, die als gevolg van de totstandkoming van de Algemene Nabestaandenwet voor de pensioenen van de nabestaanden van in verband met de dienst overleden militairen werd genomen, wordt doorgetrokken naar dit besluit. De betreffende regeling steunt op artikel 103 van de Algemene nabestaandenwet en heeft, in lijn met dat artikel een tijdelijk karakter. Overeenkomstig hetgeen in het derde lid van het bedoelde artikel 103 is voorgeschreven, komt de regeling er inhoudelijk op neer dat de onder de werking van de Algemene Weduwen- en Wezenwet toe te passen korting op het militair nabestaandenpensioen naar dezelfde normen en voorwaarden wordt doorgetrokken naar de rechthebbende op een uitkering ingevolge de Algemene Nabestaandenwet. In lijn met die normen en voorwaarden wordt daarbij gerekend met het bedrag aan Anw-uitkering dat de betrokkene, na eventuele vermindering met andere inkomsten, feitelijk geniet. Ook voor de nabestaandenpensioenen waar het overlijden geen verband houdt met de militaire dienst is, in navolging van hetgeen voor het burgerlijk overheidspersoneel is bepaald, voor het mogelijk verlies van het recht op de algemeen geldende basisuitkering een tijdelijke compenserende maatregel overeengekomen. Dit artikel bevat die maatregel. Conform de afspraken is de werking beperkt tot 1 januari 1998, de datum waarop naar verwachting de door de sociale partners te voeren fundamentele discussie over de toekomst van het nabestaandenpensioen tot resultaten kan hebben geleid. De maatregel mag dan ook niet worden gezien als de invulling van het tweede lid van artikel 103 van de Algemene nabestaandenwet. Het doel is om in afwachting van de mede op de totstandkoming van de Algemene nabestaandenwet gerichte ingrepen het bestaande stelsel op een aanvaardbaar niveau te handhaven. De maatregel gaat in op 1 juli 1996, de datum van inwerkingtreding van de Algemene nabestaandenwet. Met het eerste lid worden de pensioenen die niet naar een berekeningsgrondslag worden vastgesteld ingepast naar de methode die op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit voor die pensioenen geldt. Gedacht wordt daarbij met name aan de kostwinnerspensioenen, die worden bepaald naar de bijdrage die de militair ten behoeve van zijn ouders, schoonouders of ouderloze kleinkinderen leverde. In het nieuwe stelsel komt dat bijzondere recht niet meer voor. Een bijdrage in de «noodzakelijke kosten van levensonderhoud», zoals de wet het formuleert, is tegen de achtergrond van de Nederlandse sociale voorzieningen immers nauwelijks voorstelbaar. Sinds de invoering van de Algemene militaire pensioenwet, een periode van dertig jaar derhalve, heeft het maar in twee gevallen tot de toekenning van een kostwinnerspensioen kunnen komen. Dat aantal kan het bestaan van een toch vrij complexe wettelijke voorziening niet rechtvaardigen en wijst er ook eigenlijk op, dat de problemen die in deze sfeer kunnen ontstaan zo exclusief zijn, dat op de realiteit van het geval afgestemde aanvullende voorzieningen meer voor de hand liggen dan een strak wettelijk kader. Artikel 19 zou de basis voor dergelijke aanvullingen kunnen vormen. Het tweede lid bepaalt dat de lopende pensioenen te rekenen van de ingangsdatum worden geacht te steunen op dit besluit. Dat is niet alleen nodig omdat door het intrekken van de pensioenwetgeving aan die toekenningen de basis is ontvallen, maar ook voor de welvaartsvaste aanpassingen in de toekomst en een juiste uitvoering van de vermindering in verband met het gelijktijdig recht op algemeen ouderdomspensioen of algemeen weduwen- en wezenpensioen. Het besluit is op de hoofdlijnen zo ingericht dat die inpassing zonder herberekening kan plaatsvinden. Op een aantal punten moet, om in de pas te blijven met het fonds, de oude regelgeving op de lopende pensioen blijven uitwerken. Dat geldt voor de in dit lid genoemde artikelen H 8 (herziening wezenpensioenen als gevolg van de nadere vaststelling van het partnerpensioen bij hertrouwen of het aangaan van een andere partnerrelatie), H 9 (de bij de toelichting op artikel 9 besproken beperking) en J 2 (beperking bij samenloop van meerdere nabestaandenpensioenen ingevolge hetzelfde overlijden). Die artikelen keren immers niet (H 8, J 2) of in een andere vorm (H 9) in de nieuwe regels terug. Hetzelfde geldt voor de in het derde lid bedoelde toeslag ingevolge artikel H 1, twaalfde lid, van de Algemene militaire pensioenwet, die niet terugkeert maar, indien toegekend, moet worden gegarandeerd zolang men daarop recht zou hebben gehad. Eerder werd aangegeven dat een bijzonder partnerpensioen op grond van dit besluit niet meer tot de mogelijkheden zal behoren. De lopende gevallen moeten evenwel blijven bestaan, in mindering worden gebracht op de eveneens toegekende partnerpensioenen en worden afgerekend naar het niveau dat voor de rechthebbenden op de datum van inwerkingtreding van dit besluit gold. In het vierde lid wordt daarom artikel H 3 van de Algemene militaire pensioenwet voor de looptijd van die gevallen overeind gehouden. Het vijfde lid behandelt de wijze waarop moet worden omgegaan met het door de Algemene militaire pensioenwet gehanteerde systemen ter voorkoming van samenloop met algemeen pensioen. Het werken met ficties valt daarbij niet te vermijden. Per 1 januari 1986 is het destijds geldende inbouwsysteem vervangen door een van de burgerlijke staat afhangende franchise en per 1 januari 1995 is dat laatste systeem omgezet in een rekenwijze die gebruik maakt van een uniforme franchise. Overeenkomstig de op de datum van inwerkingtreding van dit besluit bestaande situatie bewerkstelligen de betreffende regels dan dat een eenmaal voor zo'n wijziging vastgesteld nabestaandenpensioen, ook al zou de daarmee te vergelden tijd tussen het overlijden en het moment waarop de overledene de leeftijd van 65 jaar zou hebben bereikt de wijzigingsdatum overschrijden, niet behoeft te worden getoetst aan zo'n nieuw systeem. In het systeem dat aan de Algemene militaire pensioenwet voorafging verviel bij hertrouwen het recht op betaling van een weduwenpensioen. Men werd in dat recht hersteld indien men opnieuw weduwe werd. Met de komst van de Algemene militaire pensioenwet is in die situatie geen verandering gekomen. Het zesde lid van dit artikel doet dat thans wel. Een betrokkene kan op verzoek, ongeacht de vraag of zij nog steeds gehuwd is, in haar rechten worden hersteld. Het pensioen wordt dan wel nader vastgesteld op de wijze die voor een hertrouwen of het aangaan van een nieuwe partnerrelatie in dit besluit is aangegeven. Aangegeven is dat dit besluit, uitgezonderd de tot en met 1 juli 1996 terugwerkende artikelen 20 en 21, terug zal werken tot en met 1 januari 1996. Dat kan omdat er in de lopende pensioenrechten geen wijzigingen in het nadeel worden aangebracht. De wijzigingen in het voordeel hebben voor het militair personeel dan dezelfde ingangsdatum als de overeenkomstige wijzigingen voor hun burger-collega's.
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Besluit van 5 juli 1997, houdende regelen ter vaststelling van de aanspraken op nabestaandenpensioen voor enkele bijzondere groepen militairen (Besluit bijzondere voorzieningen militair nabestaandenpensioen)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in