Besluit van 14 december 1995, houdende wijziging van het Besluit aanwijzing categorieën instellingen of instanties die voor erkenning in aanmerking komen
Verify source ↗ AI-assisted research summary: This provision says the decision expires on 1 January 1998 and starts the day after the Staatsblad issue date in which it is published.
Staatsblad Besluit van 14 december 1995, houdende wijziging van het Besluit aanwijzing categorieën instellingen of instanties die voor erkenning in aanmerking komen Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens de Staatssecretaris van Justitie, van 2 november 1995, nr. DJB/JHV-95.3825; Gelet op artikel 27, tweede lid, van de Wet op de jeugdhulpverlening; De Raad van State gehoord, advies van 5 december 1995, nr. W13.95.0631; Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Justitie van 13 december 1995, nr. DJB/JHV-95.4378; Artikel 2, tweede lid, van het >Besluit aanwijzing categorieën instellingen of instanties die voor erkenning in aanmerking komen, komt te luiden: Dit besluit vervalt op 1 januari 1998. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Stb. 1990, 282, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 21 december 1993, Stb. 754. Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat. NOTA VAN TOELICHTING Het Besluit aanwijzing categorieën instellingen of instanties die voor erkenning in aanmerking komen heeft van de aanvang af een beperkte werkingsduur gekend. De achtergrond hiervan is dat bij de inwerkingtreding van de Wet op de jeugdhulpverlening de kinder- en jeugdpsychiatrische (poli)klinieken en de ziekenhuizen voor kindergeneeskunde slechts plaatsingservaring hadden gericht op verwijzing naar medische kinderdagverblijven en medische kindertehuizen. De instellingen konden daarom als plaatsende instantie niet worden gemist. Wel zou onderzocht worden of in de praktijk niet met de in de wet genoemde voor erkenning in aanmerking komende instanties volstaan zou kunnen worden. In afwachting van een dergelijk onderzoek is de werkingsduur van het besluit enige malen verlengd; de laatste maal tot 1 januari 1996. Inmiddels is het proces van plaatsing in de jeugdhulpverlening volop in beweging. In het regeringsstandpunt Regie in de jeugdzorg (Kamerstukken II 1993/94, 23 400, nr. 100, XVI) zijn de contouren en uitgangspunten aangegeven voor een vernieuwings- en ontwikkelingsproces, dat moet leiden tot een fundamentele verbetering in de sturing, de samenhang en de inrichting van jeugdstelsels. In het kader van een samenhangend hulpaanbod voor jeugdigen op regionaal niveau is ten minste een verbeterde samenwerking in de jeugdzorg nodig. Eén van de aspecten die bij de verbetering van de samenwerking van belang is, is de wijze waarop toegang tot het hulpaanbod wordt verkregen. De functies die in het kader van die toegang zijn te onderscheiden (aanmelding, (pré)diagnose, indicatie, toewijzing) worden nu door een groot aantal verschillende instanties uitgevoerd onder andere door adviesbureaus, Jongerenadviescentra (JAC's), Regionale instellingen voor ambulante geestelijke gezondheidszorg (RIAGG's) en instellingen voor (gezins)voogdij. Het streven is deze functies per regio te clusteren, zodat er voor alle jeugdigen die zorg nodig hebben één centrale toegang tot de jeugdzorg ontstaat. Het samenhangende proces van indicatiestelling en zorgtoewijzing kan organisatorisch vormgegeven worden binnen een Bureau Jeugdzorg. Dit kan feitelijk resulteren in een nieuwe organisatie die belast wordt met de werkzaamheden die in het kader van een goede plaatsing van jeugdigen in de hulpverlening te maken heeft. Er kan echter ook gekozen worden voor een «functionele» regeling van de centrale toegang. In dat geval komen vanuit bestaande organisaties deskundigen bijeen om de functies rond de toegang uit te voeren. Tussen deze varianten in zijn nog andere denkbaar. De uiteindelijke keuze voor de vormgeving van het functioneel op te bouwen proces van indicatiestelling en zorgtoewijzing wordt per regio door de voorzieningen en de overheid gemaakt. Uit het voorgaande blijkt dat de plaatsingsfunctie in het vernieuwingsproces van de jeugdzorg een cruciale rol speelt. Het is gezien de in gang gezette ontwikkelingen niet opportuun om op dit moment veranderingen in de bestaande situatie aan te brengen, noch om het eerder voorgenomen evaluatie-onderzoek alsnog uit te voeren. In verband hiermee is geopteerd voor een verlenging van het besluit tot 1 januari 1998. Na afronding van het vernieuwingsproces kan in het licht van de dan uitgekristalliseerde situatie worden bezien welke consequenties de vernieuwde en verbeterde toegang tot de jeugdzorg voor dit besluit heeft. Het onderhavige besluit is ingevolge artikel 5, derde lid, van de Wet op de jeugdhulpverlening, als ontwerp in de Staatscourant (Stcrt. 1995, 154) bekend gemaakt. Er zijn geen commentaren op dit ontwerp binnengekomen.