Wet van 23 februari 2022, houdende wijziging van wetten op met name het terrein van onderwijs, cultuur en media in verband met hoofdzakelijk wetstechnische en redactionele verbeteringen (Verzamelwet OCW 2022)
School examination rules assign specific tasks to the rector/director, exam secretary, exam committee, and school governing body, and some education funding and transition rules are also set out.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 21 Mar 2022
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 23 februari 2022, houdende wijziging van wetten op met name het terrein van onderwijs, cultuur en media in verband met hoofdzakelijk wetstechnische en redactionele verbeteringen (Verzamelwet OCW 2022)
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Wet van 23 februari 2022, houdende wijziging van wetten op met name het terrein van onderwijs, cultuur en media in verband met hoofdzakelijk wetstechnische en redactionele verbeteringen (Verzamelwet OCW 2022)
AI-assisted research summary: School examination rules assign specific tasks to the rector/director, exam secretary, exam committee, and school governing body, and some education funding and transition rules are also set out.
Staatsblad Wet van 23 februari 2022, houdende wijziging van wetten op met name het terrein van onderwijs, cultuur en media in verband met hoofdzakelijk wetstechnische en redactionele verbeteringen (Verzamelwet OCW 2022) Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: ALGEMENE KINDERBIJSLAGWET AMBTENARENWET 2017 BURGERLIJK WETBOEK ELEKTRICITEITSWET 1998 EXPERIMENTENWET VOOROPLEIDINGSEISEN, SELECTIE EN COLLEGEGELDHEFFING GASWET INVOERINGS- EN AANPASSINGSWET WVO 2020 0A A E het diploma vwo, bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, onderdeel a, of 2.80, tweede lid, onderdeel a, van de Wet voortgezet onderwijs 2020; of het diploma havo, bedoeld in artikel 2.58, tweede lid, onderdeel a, of 2.80, tweede lid, onderdeel a, van de Wet voortgezet onderwijs 2020. B Wijziging Tabaks- en rookwarenwet LEERPLICHTWET 1969 LES- EN CURSUSGELDWET A B 1. Zodra de student zich heeft ingeschreven ontstaat van rechtswege de verplichting tot betaling van het wettelijk lesgeld. MEDEDINGINGSWET MEDIAWET 2008 A 2. Een aanwijzing als lokale publieke media-instelling geschiedt op aanvraag, geldt voor vijf jaar en vervalt daarna van rechtswege. B C TWEEDE VERZAMELSPOEDWET COVID-19 WET BESTUURLIJKE HARMONISATIE BEROEPSONDERWIJS WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS A Begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3; gegevens als bedoeld in artikel 4.4.6, eerste lid, onderdelen a tot en met d; onderwijs als bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid; opleiding als bedoeld in artikel 7.1.2, tweede lid; beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid; beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.7, derde lid; onderricht in de praktijk van het beroep als bedoeld in artikel 7.2.8, eerste lid; wat een openbare instelling betreft: het college van burgemeester en wethouders, voor zover de raad niet anders bepaalt, en, indien de raad dit wenselijk oordeelt, met inachtneming van door hem te stellen regels dan wel door het krachtens de desbetreffende gemeenschappelijke regeling bevoegde orgaan; wat een bijzondere instelling betreft: het college van bestuur, of indien artikel 9.1.8 is toegepast, het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat; wat een instelling als bedoeld in de artikelen 1.4.1 dan wel 1.4a.1 betreft: het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat, dan wel de natuurlijke persoon die de instelling in stand houdt; wat een exameninstelling als bedoeld in artikel 1.6.1 betreft: het bestuur van de rechtspersoon waarvan de instelling uitgaat; instelling die uitgaat van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid niet zijnde een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer; examen of examenonderdeel bestaande uit door het College voor toetsen en examens, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet College voor toetsen en examens, vastgestelde toetsen die door of in opdracht van de instelling worden afgenomen; orgaan van de bijzondere instelling dat als zodanig in de statuten is aangewezen; degene die een opleiding educatie volgt, met uitzondering van een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs; route als bedoeld in artikel 8.5a.2, tweede lid; onderwijs bestemd voor volwassenen als bedoeld in artikel 1.2.1, eerste lid; eindtermen als bedoeld in artikel 7.3.3; instelling als bedoeld in artikel 1.6.1; het nemen van een beslissing over de inhoud en het niveau van een examen, procedures en voorwaarden waaronder een examen wordt afgenomen, alsmede het vaststellen van de uitslag van een examen; degene die hoger onderwijs volgt, als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel b, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; Inspectie van het onderwijs als bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht; regionaal opleidingencentrum, vakinstelling of agrarisch opleidingscentrum; examen of examenonderdeel, bestaande uit toetsen die zijn vastgesteld en worden afgenomen door of in opdracht van de instelling; keuzedeel als bedoeld in artikel 7.1.3, tweede lid; kwalificatie als bedoeld in artikel 7.1.3, eerste lid; document waarin een of meer kwalificaties zijn beschreven; leerweg als bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, tenzij anders bepaald; register als bedoeld in artikel 4.4.1; ondernemingsraad als bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden; educatie en beroepsonderwijs; Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; instelling in stand gehouden door een gemeente dan wel door een openbaar lichaam, ingesteld bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarin deelnemen een of meer gemeenten, al dan niet tezamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid; opleiding als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid; opleiding educatie als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel a; samenhangend geheel van kwalificatiedossiers die zijn gericht op en van belang zijn voor eenzelfde bedrijfstak of groep van bedrijfstakken; benoemde docenten en overig personeel dat is benoemd aan de instelling; onder a bedoeld personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld aan de instelling, tenzij het betreft de toepassing van de artikelen 4.1.1, 4.1.2 en 4.1.3, en de toepassing van daarmee verband houdende wettelijke bepalingen; burgerservicenummer dan wel door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer als bedoeld in artikel 8.1.1a, vierde lid; regionaal opleidingencentrum als bedoeld in artikel 1.3.1; register onderwijsdeelnemers als bedoeld in artikel 4 van de Wet register onderwijsdeelnemers; registervoorportaal als bedoeld in artikel 4.4.14; Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.4.1, eerste lid; samenwerkingsverband tussen instellingen dat ertoe strekt onder gezamenlijke verantwoordelijkheid een of meer beroepsopleidingen of opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs te verzorgen, niet zijnde een fusie als bedoeld in artikel 2.1.8; rechtspersoon, aangewezen op grond van artikel 1.5.1, eerste lid; degene die beroepsonderwijs volgt; tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daarop volgend jaar; vakinstelling als bedoeld in artikel 1.3.2a; degene die een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs volgt; in Nederland woonachtige van 18 jaren of ouder; fonds als bedoeld in artikel 2.8.1. B Ba C D E F Fa G H Ha Hb I J 1. Een student die ten minste één waardering voor een onderdeel of voor een deel daarvan van de opleiding heeft behaald waarvoor geen diploma als bedoeld in artikel 7.4.6, eerste lid, of certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3, eerste lid, kan worden uitgereikt, ontvangt op zijn verzoek, een door de examencommissie af te geven verklaring. K Ka 7. Hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 is van toepassing op de examens van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs: met uitzondering van de artikelen 2.51, eerste tot en met vijfde lid, 2.51a, 2.59, 2.60, eerste lid, onder d, tweede tot en met vierde lid, 2.60b, eerste tot en met derde lid, 2.60c, tweede en derde lid, 2.60d, 2.62 tot en met 2.64; met dien verstande dat: «de rector of directeur» en «het bevoegd gezag» worden gelezen als «de examencommissie», behalve in de artikelen 2.52, 2.53, 2.54 en 2.55, eerste lid; de examencommissie de uitslag van het eindexamen vaststelt; de examencommissie de cijferlijsten, diploma’s, getuigschriften en certificaten tekent; de examencommissie een examenreglement vaststelt alsmede jaarlijks een programma van toetsing en afsluiting vaststelt; de examencommissie de vaststelling van een wijziging van het programma van toetsing en afsluiting na 1 oktober aan de kandidaten en de inspectie zendt. L M 4. Het bevoegd gezag van een regionaal opleidingencentrum biedt een betrokkene de mogelijkheid zich te laten inschrijven aan een opleiding aan de instelling waarvoor de inschrijving wel mogelijk is, rekening houdend met diens voorkeuren, indien: de betrokkene niet wordt ingeschreven op grond van het tweede lid; de betrokkene niet wordt ingeschreven omdat hij niet voldoet aan de voor die opleiding krachtens artikel 8.2.2a gestelde eisen; of paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969 op hem van toepassing is, en de betrokkene niet wordt ingeschreven: omdat hij zich niet uiterlijk op de datum, genoemd in artikel 8.0.1, eerste lid, heeft aangemeld, voor zover het een opleiding betreft die start bij de aanvang van het op die datum volgende studiejaar, en voor zover het derde lid van dat artikel niet van toepassing is; of omdat ten behoeve van hem geen studiekeuzeadvies is uitgebracht als bedoeld in artikel 8.0.4, voor zover het bevoegd gezag daartoe voor diegene verplichte intakeactiviteiten organiseert. N O P het vaststellen of wijzigen van een examenreglement voor een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in artikel 2.60 van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020; het vaststellen of wijzigen van een programma van toetsing en afsluiting voor een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in de artikelen 2.60a tot en met 2.60c van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020. Q WET EDUCATIE EN BEROEPSONDERWIJS BES 0A Registratie instellingen en opleidingen, bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid; A Aa B Ba Bb Bc de naam van de beroepsopleiding en de opleidingscode,. C D E 1. Een student die ten minste één waardering voor een onderdeel of voor een deel daarvan van de opleiding heeft behaald waarvoor geen diploma als bedoeld in artikel 7.4.8, eerste lid, of certificaat als bedoeld in artikel 7.2.3, eerste lid, kan worden uitgereikt, ontvangt op zijn verzoek, een door de examencommissie af te geven verklaring. F 7. Hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 is van toepassing op de examens van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs: met uitzondering van de artikelen 2.51, eerste tot en met vijfde lid, 2.51a, 2.59, 2.60, eerste lid, onder d, tweede tot en met vierde lid, 2.60b, eerste tot en met derde lid, 2.60c, tweede en derde lid, 2.60d, 2.62 tot en met 2.64; met dien verstande dat: «de rector of directeur» en «het bevoegd gezag» worden gelezen als «de examencommissie», behalve in de artikelen 2.52, 2.53, 2.54 en 2.55, eerste lid; de examencommissie de uitslag van het eindexamen vaststelt; de examencommissie de cijferlijsten, diploma’s, getuigschriften en certificaten tekent; de examencommissie een examenreglement vaststelt alsmede jaarlijks een programma van toetsing en afsluiting vaststelt; de examencommissie de vaststelling van een wijziging van het programma van toetsing en afsluiting na 1 oktober aan de kandidaten en inspectie zendt. WET NORMERING TOPINKOMENS WET OP DE EXPERTISECENTRA A B 6. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks de bedragen, bedoeld in het tweede en vierde lid, vastgesteld, worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de hoogte van de bekostiging wordt berekend en worden regels gesteld over de termijnen van de betaling daarvan. WET OP DE STUDIEFINANCIERING De Wet op de studiefinanciering wordt ingetrokken. WET OP HET HOGER ONDERWIJS EN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK A B C Ca D Da Db E F G H I J K WET OP HET ONDERWIJSTOEZICHT WET OP HET PRIMAIR ONDERWIJS A B C D E F In afwijking van artikel 75, derde lid, vangt de bekostiging aan op 1 augustus volgend op het besluit van Onze Minister. Artikel 75, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. G 6. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks de bedragen, bedoeld in het tweede en vierde lid, vastgesteld, worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de hoogte van de bekostiging wordt berekend en worden regels gesteld over de termijnen van de betaling daarvan. WET OP HET VOORTGEZET ONDERWIJS A B C 120 leerlingen voor praktijkonderwijs;. D E F 4. Op een nevenvestiging van een scholengemeenschap kan in elk geval onderwijs worden verzorgd in de in het tweede of derde lid genoemde leerjaren van de schoolsoort die ingevolge artikel 64a, eerste of tweede lid, voor bekostiging in aanmerking is gebracht. G H overgangsrecht aanvragen 1. Op aanvragen die voor 1 november 2020 zijn ingediend op grond van de artikelen 67, eerste lid, en 74b, eerste lid, onderdelen b en c, blijft Titel III, zoals die titel luidde op 31 oktober 2020 van toepassing. 2. Op besluiten tot bekostiging waarvan de aanvraag voor 1 november 2020 is ingediend op grond van artikel 67, eerste lid, blijft artikel 108 zoals dat artikel luidde op 31 oktober 2020 van toepassing. WET PRIMAIR ONDERWIJS BES A B C D 5. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks de bedragen, bedoeld in het tweede en derde lid, vastgesteld, worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de hoogte van de bekostiging wordt berekend en worden regels gesteld over de termijnen van de betaling daarvan. WET STELSEL OPENBARE BIBLIOTHEEKVOORZIENINGEN Contributievrijstelling jeugd lokale bibliotheken 1. Voor het uitlenen van gedrukte werken of overige werken door lokale bibliotheken aan personen beneden de leeftijd van achttien jaar wordt geen contributie of andere geldelijke bijdrage geheven. 2. Voor personen beneden de leeftijd van achttien jaar wordt geen tarief als bedoeld in artikel 14, contributie of geldelijke bijdrage vastgesteld voor de toegang tot door de Koninklijke Bibliotheek aangewezen digitale werken. WET STUDIEFINANCIERING 2000 A ouder die geen partner heeft als bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget, B C D E F Voltijdse opleidingen hoger onderwijs in Nederland 2. Indien de accreditatie van een opleiding wordt geweigerd, beëindigd of ingetrokken of aan een opleiding het recht op bekostiging of graadverlening, genoemd in artikel 1.9, eerste en tweede lid, WHW, wordt ontnomen, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing gedurende de termijn waarin de student de betreffende opleiding op grond van artikel 5.21, derde en zesde lid, 5.32 of 6.5, tweede lid, WHW, mag vervolgen. G H 1. Dit artikel is niet van toepassing op het levenlanglerenkrediet en op mbo-studenten die op grond van artikel 2.2, tweede lid, slechts een tegemoetkoming in de kosten van de toegang tot het onderwijs ontvangen. I J K L 2. Voor studenten die aanspraak hebben op studiefinanciering voor het volgen van een opleiding buiten Nederland bestaat de reisvoorziening uit het bedrag, bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 5.3, eerste lid, tenzij in plaats daarvan als reisvoorziening een reisrecht wordt aangevraagd. M Hoogte aanvullende beurs De hoogte van de aanvullende beurs is het maximumbedrag van de aanvullende beurs, genoemd in artikel 3.18, minus de veronderstelde ouderlijke bijdrage die wordt berekend ingevolge de artikelen 3.9 tot en met 3.13. N O P 2. Indien de veronderstelde ouderlijke bijdrage negatief is, wordt deze vastgesteld op nihil. 3. Bij de berekening van de veronderstelde ouderlijke bijdrage per studerend kind wordt de bijdrage verdeeld over de studerende kinderen van een ouder indien: meer dan een van deze kinderen voor de betreffende maand aanspraak heeft op studiefinanciering; en de kinderen voor de betreffende maand een aanvullende beurs hebben aangevraagd. 4. Bij de verdeling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage, bedoeld in het derde lid, wordt een kind dat tevens onder de reikwijdte van artikel 3.9, vierde lid, onderdeel b, valt, buiten beschouwing gelaten. Q R S T U V W X Y Z AA BB Overgangsbepalingen intrekking Wet op de studiefinanciering Begripsbepalingen Wet op de studiefinanciering In afwijking van artikel 1.1 wordt voor de begrippen in deze paragraaf de begripsomschrijving gelezen in artikel 1 van de Wet op de studiefinanciering, zoals die luidde op 31 augustus 2000. Aanvang terugbetaling renteloze voorschotten (141 Wsf) 1. In geval de verplichting tot terugbetaling van renteloze voorschotten, verstrekt door Onze Minister met betrekking tot de lasten, verbonden aan het bezoeken van een school voor voortgezet onderwijs dan wel een instelling van wetenschappelijk onderwijs nog niet is aangevangen op 1 oktober 1986, vangt deze terugbetaling niet eerder aan dan op het tijdstip waarop op grond van de Wet op de studiefinanciering, zoals die luidde op 31 augustus 2000, de verplichting tot terugbetaling van de rentedragende lening begint. 2. De artikelen 40, eerste en derde lid, 41 tot en met 50, 107, 121 tot en met 127, 130 en 132 van de Wet op de studiefinanciering, zoals die luidden op 31 augustus 2000, zijn van overeenkomstige toepassing. Samenloop terugbetalingen (142 Wsf) 1. In geval van samenloop van terugbetalingen van renteloze voorschotten, verstrekt door Onze Minister met betrekking tot de lasten, verbonden aan het bezoeken van een school voor voortgezet onderwijs dan wel een instelling van wetenschappelijk onderwijs en terugbetaling van rentedragende lening, wordt het door de debiteur op jaarbasis te betalen bedrag gevormd door de som van het op jaarbasis vastgestelde terug te betalen bedrag aan renteloze voorschotten en van het jaarbedrag aan termijnen, waarin de rente en aflossing van de rentedragende lening ingevolge artikel 41 van de Wet op de studiefinanciering, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, vervallen. 2. De artikelen 40, eerste en derde lid, 41 tot en met 48, 50, 107, 121 tot en met 127, 130 en 132 van de Wet op de studiefinanciering, zoals die luidden op 31 augustus 2000, zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat indien de draagkracht van de debiteur lager is dan de te betalen termijn, de terugbetaling allereerst strekt ter voldoening van de oudste openstaande schuld. Gevolgen voor samenstelling minimum terugbetalingsbedrag (143 Wsf) In geval van samenloop van terugbetalingen als bedoeld in artikel 12.0c, wordt, zolang het renteloos voorschot nog niet is afgelost, voor de betrokkene artikel 41, derde lid, van de Wet op de studiefinanciering, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, zo toegepast dat het minimumbedrag van f 1.200,– wordt verminderd met het in het desbetreffende jaar terug te betalen bedrag aan renteloos voorschot. Nieuwe vaststelling termijn (144 Wsf) Op 1 januari volgend op het tijdstip waarop de in artikel 12.0c bedoelde voorschotten volledig moeten zijn terugbetaald, wordt de termijn, bedoeld in artikel 41 van de Wet op de studiefinanciering, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, opnieuw vastgesteld. Terugbetaling renteloze voorschotten (145 Wsf) 1. Ingeval de verplichting tot terugbetaling van renteloze voorschotten verstrekt door Onze Minister met betrekking tot de lasten, verbonden aan het bezoeken van een school voor voortgezet onderwijs dan wel een instelling van wetenschappelijk onderwijs is aangevangen voor dan wel op 1 oktober 1986, zijn de artikelen 40, eerste en derde lid, 42 tot en met 48, 50, 107, 121 tot en met 127, 130 en 132 van de Wet op de studiefinanciering, zoals die luidden op 31 augustus 2000, van overeenkomstige toepassing. 2. Voor de toepassing van de artikelen 42 tot en met 50 van de Wet op de studiefinanciering, zoals die luidden op 31 augustus 2000, wordt de aflosfase gesteld op 15 jaar en vangt de aflosfase aan op 1 januari 1987. Overgangsbepaling rijksstudietoelage (147 Wsf) Op een studerende van 18 jaren of ouder aan wie tot 1 oktober 1986 op grond van een onderwijswet een rijksstudietoelage werd toegekend voor het volgen van wetenschappelijk onderwijs of hoger beroepsonderwijs dan wel op een studerende van 21 jaren of ouder aan wie een soortgelijke rijksstudietoelage werd toegekend voor het volgen van overig voortgezet onderwijs, is met ingang van 1 oktober 1986 hoofdstuk II met uitzondering van artikel 8 van de Wet op de studiefinanciering, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, van overeenkomstige toepassing tot het moment waarop hij de voor 1 oktober 1986 aangevangen studie heeft voltooid dan wel gestaakt. Overgangsbepaling studerende die ouderonafhankelijk is (148 Wsf) Op een studerende aan wie tot 1 oktober 1986 op grond van een onderwijswet een rijksstudietoelage werd toegekend onafhankelijk van het inkomen van de ouders of een van hen, is met ingang van 1 oktober 1986 hoofdstuk II uitgezonderd paragraaf 2 van titel 3 van de Wet op de studiefinanciering, zoals dat luidde op 31 augustus 2000, van overeenkomstige toepassing tot het moment waarop hij de voor 1 oktober 1986 aangevangen studie heeft voltooid dan wel gestaakt. CC DD EE FF GG HH II JJ KK LL MM NN OO PP QQ 1. Artikel 3.27, zoals dat artikel luidde op 31 december 2018, blijft van toepassing op de bedragen die op 31 december 2018 reeds op grond van artikel 3.27, tweede lid, verschuldigd waren. 2. De persoon die op 31 december 2018 reeds op grond van artikel 3.27, tweede lid, een bedrag verschuldigd was, wordt voor de berekening van de hoogte van het bedrag dat hij vanaf 1 januari 2019, op grond van artikel 3.27, tweede lid, verschuldigd is, gelijkgesteld met de student wiens aanspraak op reisrecht is beëindigd op 1 januari 2019. RR SS WET TEGEMOETKOMING ONDERWIJSBIJDRAGE EN SCHOOLKOSTEN A voor bij ministeriële regeling aangewezen onderwijs, vergelijkbaar met de onderdelen a tot en met d. B C WET VOORTGEZET ONDERWIJS 2020 A examencommissie, bedoeld in artikel 2.60d; examenprogramma, bedoeld in artikel 2.54; examensecretaris, bedoeld in artikel 2.51a; B C D E De examensecretaris 1. De rector of directeur wijst een of meer van de personeelsleden van de school aan tot examensecretaris van het eindexamen. 2. De rector of directeur en de examensecretaris verrichten gezamenlijk de taken bedoeld in de artikelen 2.57, tweede lid, en 2.58, vierde lid. 3. De examensecretaris heeft de taak om de rector of directeur te ondersteunen bij: het organiseren en afnemen van het eindexamen; de uitvoering van het examenreglement, bedoeld in artikel 2.60, eerste lid; de uitvoering van het programma van toetsing en afsluiting, bedoeld in artikel 2.60a, eerste lid; en de verstrekking van de beoordeling van het schoolexamen, bedoeld in artikel 2.55a. 4. De rector of directeur stelt een taakomschrijving voor de examensecretaris vast waarin in ieder geval de taken bedoeld in het tweede en derde lid worden opgenomen. 5. De rector of directeur verstrekt de taakomschrijving aan het bevoegd gezag, aan de examensecretaris en aan de examencommissie. 6. De rector of directeur draagt er zorg voor dat het deskundig functioneren van de examensecretaris is gewaarborgd. 7. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de taken van de examensecretaris. F Verstrekking beoordeling schoolexamen 1. De rector of directeur verstrekt de beoordeling van het schoolexamen aan de examenkandidaat voor aanvang van het eerste tijdvak van het centraal examen. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het verstrekken van de beoordeling van het schoolexamen. G H 4. De rector of directeur en de examensecretaris tekenen de cijferlijsten, diploma’s, getuigschriften en certificaten, bedoeld in het eerste tot en met derde lid. I Examenreglement: inhoud en vaststelling 1. Het bevoegd gezag stelt een examenreglement vast, dat in elk geval bevat: regels over de organisatie van het eindexamen en de gang van zaken tijdens het eindexamen; informatie over de toepassing van de maatregelen bedoeld in artikel 2.61, eerste lid; inhaal- en herkansingsmogelijkheden van het schoolexamen, waarbij in ieder geval wordt voorzien in een inhaalmogelijkheid voor de examenkandidaat die door ziekte of ten gevolge van een bijzondere van zijn wil onafhankelijke omstandigheid niet in staat is geweest aan een of meer toetsen van het schoolexamen deel te nemen; en de samenstelling en het adres van de in artikel 2.63 bedoelde commissie van beroep. 2. Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van het examenreglement slechts afwijken van het voorstel, bedoeld in artikel 2.60e, eerste lid, onderdeel a: na overleg met de examencommissie; en indien het bevoegd gezag de afwijking schriftelijk heeft gemotiveerd. 3. Het bevoegd gezag zendt de schriftelijke motivering, bedoeld in het tweede lid, zo spoedig mogelijk aan de examencommissie en de medezeggenschapsraad. 4. Het bevoegd gezag hoeft voor het vaststellen van het examenreglement de instemming van de medezeggenschapsraad van de school voor voortgezet onderwijs, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, WMS. 5. Het bevoegd gezag zendt jaarlijks voor 1 oktober het vastgestelde examenreglement aan de kandidaten en de inspectie. Programma van toetsing en afsluiting: de inhoud 1. Het bevoegd gezag stelt jaarlijks voor 1 oktober een programma van toetsing en afsluiting vast voor het desbetreffende schooljaar. 2. Het programma van toetsing en afsluiting vermeldt in ieder geval: welke examenstof van het examenprogramma in het schoolexamen wordt getoetst; welke door het bevoegd gezag vast te stellen examenstof in het schoolexamen wordt getoetst; de inhoud van de toetsen die onderdeel uitmaken van het schoolexamen; de wijze waarop en tijdvakken waarbinnen de toetsen en herkansingen van het schoolexamen plaatsvinden; de regels voor de wijze waarop het cijfer voor het schoolexamen voor een examenkandidaat tot stand komt. 3. Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat ten aanzien van de toetsen die deel uitmaken van het schoolexamen, in het programma van toetsing en afsluiting duidelijk en herleidbaar wordt aangegeven welke toetsen bijdragen aan de afsluiting van: de verplichte examenstof van het examenprogramma die behoort bij het schoolexamen; de examenstof van het examenprogramma die behoort tot de verplichte examenstof van het centraal examen, maar die ook in het schoolexamen zal worden getoetst; en examenstof die is gekozen door het bevoegd gezag. Programma van toetsing en afsluiting: vaststelling 1. Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van het programma van toetsing en afsluiting als bedoeld in artikel 2.60a, eerste lid, slechts afwijken van het voorstel van de examencommissie, bedoeld in artikel 2.60e, eerste lid, onderdeel b: na overleg met de examencommissie; en indien het bevoegd gezag de afwijking schriftelijk heeft gemotiveerd. 2. Het bevoegd gezag zendt de schriftelijke motivering, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk aan de examencommissie en de medezeggenschapsraad. 3. Het bevoegd gezag behoeft voor het vaststellen van het programma van toetsing en afsluiting de instemming van de medezeggenschapsraad van de school, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, WMS. 4. Het bevoegd gezag zendt jaarlijks voor 1 oktober het vastgestelde programma van toetsing en afsluiting voor het desbetreffende schooljaar aan de kandidaten en de inspectie. Programma van toetsing en afsluiting: wijziging 1. Het bevoegd gezag kan het programma van toetsing en afsluiting na 1 oktober slechts wijzigen: in het geval van een bijzonder onvoorziene omstandigheid die leidt tot praktische onuitvoerbaarheid van het programma van toetsing en afsluiting; of ter verbetering van een kennelijke onjuistheid of kennelijke onvolledigheid in het programma van toetsing en afsluiting. 2. De examencommissie wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om te adviseren over een wijziging als bedoeld in het eerste lid. 3. Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van een wijziging van het programma van toetsing en afsluiting slechts afwijken van het advies van de examencommissie: na overleg met de examencommissie; en indien het bevoegd gezag de afwijking schriftelijk heeft gemotiveerd. 4. Het derde en vierde lid van artikel 2.60b zijn van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van de wijziging van het programma van toetsing en afsluiting na 1 oktober. Benoeming en samenstelling van de examencommissie 1. Het bevoegd gezag: stelt een of meer examencommissies in ten behoeve van de borging van de kwaliteit van de schoolexaminering; benoemt de leden van de examencommissie; en draagt zorg voor het onafhankelijk en deskundig functioneren van de examencommissie. 2. De examencommissie heeft een oneven aantal leden en ten minste drie leden. 3. Niet kunnen worden benoemd tot lid van de examencommissie: leden van het bevoegd gezag; de directeur van de school; leden van de medezeggenschapsraad of de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad van de school als bedoeld in de artikelen 3 en 4 WMS; leerlingen van de school of hun wettelijk vertegenwoordigers. 4. Bij de benoeming van de leden van de examencommissie draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat de examencommissie deskundig is op het gebied van: de desbetreffende schoolsoort; de regelgeving over examinering in het voortgezet onderwijs; en de kwaliteit van examinering. 5. Alvorens tot benoeming van een lid over te gaan, hoort het bevoegd gezag de overige leden van de examencommissie. Taken en bevoegdheden van de examencommissie 1. De examencommissie heeft voor de borging van de kwaliteit van de schoolexaminering de volgende taken en bevoegdheden: het opstellen van een voorstel voor een examenreglement als bedoeld in artikel 2.60 voor het bevoegd gezag; het jaarlijks opstellen van een voorstel voor een programma van toetsing en afsluiting als bedoeld in artikel 2.60a voor het bevoegd gezag; het borgen van het afsluitend karakter en de kwaliteit van het schoolexamen; het vaststellen van richtlijnen en aanwijzingen om te komen tot een beoordeling van het schoolexamen; en overige door het bevoegd gezag aan de commissie opgedragen taken en bevoegdheden. 2. De examencommissie stelt regels vast over haar werkwijze. 3. De examencommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden. 4. De examencommissie evalueert jaarlijks de kwaliteit van de schoolexaminering en stelt een advies op aan het bevoegd gezag en de directeur over noodzakelijke en wenselijke verbeteringen. 5. De examencommissie verstrekt de regels over haar werkwijze, het verslag, de evaluatie en het advies, bedoeld in het tweede tot en met het vierde lid, aan het bevoegd gezag, aan de directeur en aan de examensecretaris van een school. J K L M N O P Q 4. Op een nevenvestiging van een scholengemeenschap kan in elk geval onderwijs worden verzorgd in de in het tweede of derde lid genoemde leerjaren van de schoolsoort die ingevolge artikel 4.2a, eerste of tweede lid, voor bekostiging in aanmerking is gebracht. R S T U V W X Y 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het berekenen en betalen van de uitkering, bedoeld in het eerste lid. De berekening geschiedt in elk geval aan de hand van het aantal volwassen inwoners van de gemeenten in de regio op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar van de uitkering, waarbij rekening wordt gehouden met het opleidingsniveau en met de etnische achtergrond van die inwoners. Bij de berekening van een deel van de uitkering kunnen de volwassen inwoners van gemeenten die op grond van een andere regeling reeds een vergoeding voor de bestrijding van voortijdig schoolverlaten ontvangen, buiten beschouwing worden gelaten. Onze Minister hanteert het aantal volwassen inwoners van de gemeenten in de regio dat blijkt uit de gegevens die het Centraal Bureau voor de Statistiek op verzoek van Onze Minister daarover verstrekt. Z Vaststelling en wijziging examenreglement en pta De artikelen 2.60, vierde lid, 2.60b, tweede en derde lid, zijn niet van toepassing, met dien verstande dat het bevoegd gezag de schriftelijke motivering bedoeld in artikel 2.60b, tweede lid, wel zo spoedig mogelijk aan de examencommissie zendt. AA 2. Op besluiten tot bekostiging waarvan de aanvraag voor 1 november 2020 is ingediend op grond van artikel 67 van de Wet op het voortgezet onderwijs blijft artikel 108 van de Wet op het voortgezet onderwijs zoals dat artikel luidde op 31 oktober 2020 van toepassing. WET VOORTGEZET ONDERWIJS BES A B C WET KINDEROPVANG WET PUBLIEKE GEZONDHEID WET VEREENVOUDIGING BEKOSTIGING PO (STB. 2021, 171) A LL AAA BBB CCC B J S Betaling FF SS WW C C D A E F OVERGANGSBEPALING BEKOSTIGING PERIODE START SCHOOLJAAR TOT INVOERING VEREENVOUDIGDE BEKOSTIGING 1. De aanspraak op bekostiging voor materiële instandhouding op grond van Hoofdstuk I, Titel IV, Afdeling 4, van de Wet op het primair onderwijs, Hoofdstuk I, Titel III, Afdeling 4, van de Wet op de expertisecentra en Hoofdstuk I, Titel III, Afdeling 4, van de Wet primair onderwijs BES, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van deze wet, blijft van kracht tot en met 31 december van het jaar van inwerkingtreding van deze wet. 2. De aanspraak op bekostiging op grond van de artikelen 120, 129 en 132 van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 117 en 124 van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 101 en 110 van de Wet primair onderwijs BES en artikel 85d van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepalingen luidden op de dag voor inwerkingtreding van dit artikel, blijft van kracht tot en met 31 juli van het jaar van inwerkingtreding van deze wet. 3. Voor de periode van 1 augustus tot en met 31 december volgend op de inwerkingtreding van deze wet wordt de aanspraak op personele bekostiging berekend op grond van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 120, 129 en 132 van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 117 en 124 van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 101 en 110 van de Wet primair onderwijs BES, en artikel 85d van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals die bepalingen luidden op de dag voor inwerkingtreding van deze wet. 4. De artikelen 124 en 125b van de Wet op het primair onderwijs en artikel 85d van de Wet op het voortgezet onderwijs, zoals deze luidden op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet blijven van toepassing op overdracht van de bekostiging, bedoeld in het tweede en derde lid. 5. Bij ministeriële regeling worden de bedragen vastgesteld waarop de aanspraak, bedoeld in het tweede en derde lid, betrekking heeft. 6. Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2026. G SAMENLOOP MET WET BEËINDIGING VERVANGINGSFONDS EN MODERNISERING PARTICIPATIEFONDS A B 1. Verzoeken tot vergoeding als bedoeld in de artikelen 138, tweede lid, en 184, vierde en vijfde lid, zoals deze artikelen luidden op 31 maart 2022, kunnen tot zes maanden na inwerkingtreding van artikel II, onderdelen C, E, F, G, I en J van de Wet van 11 oktober 2021 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met de beëindiging van de verplichte aansluiting bij een rechtspersoon in verband met de kosten van vervanging en in verband met wijziging van de wijze waarop de werkloosheidsuitkeringen worden verevend (beëindiging vervangingsfonds en hervorming participatiefonds) (Stb. 2021, 538) worden ingediend bij het participatiefonds. 2. Op de afwikkeling van de aanvragen, alsmede op geschillen daarover in bezwaar en beroep of hoger beroep, zijn de artikelen 138, tweede lid, en 184, vierde en vijfde lid, en de daarop gebaseerde regelingen, zoals deze luidden op 31 maart 2022, van toepassing, met dien verstande dat vanaf de inwerkingtreding van de Wet van 11 oktober 2021 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met de beëindiging van de verplichte aansluiting bij een rechtspersoon in verband met de kosten van vervanging en in verband met wijziging van de wijze waarop de werkloosheidsuitkeringen worden verevend (beëindiging vervangingsfonds en hervorming participatiefonds) (Stb. 2021, 538) de financiële afwikkeling bij het participatiefonds ligt. B 1. Verzoeken tot vergoeding als bedoeld in de artikelen 132, tweede lid, en 170, vierde en vijfde lid, zoals deze artikelen luidden op 31 maart 2022 kunnen tot zes maanden na inwerkingtreding van artikel II, onderdelen C, E, F, G, I en J van de Wet van 11 oktober 2021 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met de beëindiging van de verplichte aansluiting bij een rechtspersoon in verband met de kosten van vervanging en in verband met wijziging van de wijze waarop de werkloosheidsuitkeringen worden verevend (beëindiging vervangingsfonds en hervorming participatiefonds) (Stb. 2021, 538) worden ingediend bij het participatiefonds. 2. Op de afwikkeling van de aanvragen, alsmede op geschillen daarover in bezwaar en beroep of hoger beroep, zijn de artikelen 132, tweede lid, en 170, vierde en vijfde lid, en de daarop gebaseerde regelingen, zoals deze luidden op 31 maart 2022, van toepassing, met dien verstande dat vanaf de inwerkingtreding van de Wet van 11 oktober 2021 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra in verband met de beëindiging van de verplichte aansluiting bij een rechtspersoon in verband met de kosten van vervanging en in verband met wijziging van de wijze waarop de werkloosheidsuitkeringen worden verevend (beëindiging vervangingsfonds en hervorming participatiefonds) (Stb. 2021, 538) de financiële afwikkeling bij het participatiefonds ligt. SAMENLOOP WETSVOORSTEL VERBETERING RECHTSBESCHERMING MBO-STUDENTEN (35 625) M 4. Het bevoegd gezag van een regionaal opleidingencentrum biedt een betrokkene de mogelijkheid zich te laten inschrijven aan een opleiding aan de instelling waarvoor de inschrijving wel mogelijk is, rekening houdend met diens voorkeuren, indien: de betrokkene niet wordt ingeschreven op grond van het tweede lid; de betrokkene niet wordt ingeschreven omdat hij niet voldoet aan de voor die opleiding krachtens artikel 8.2.2a gestelde eisen; of paragraaf 2a van de Leerplichtwet 1969 op hem van toepassing is, en de betrokkene niet wordt ingeschreven: omdat hij zich niet uiterlijk op de datum, genoemd in artikel 8.0.1, eerste lid, heeft aangemeld, voor zover het een opleiding betreft die start bij de aanvang van het op die datum volgende studiejaar, en voor zover het derde lid van dat artikel niet van toepassing is; omdat ten behoeve van hem geen studiekeuzeadvies is uitgebracht als bedoeld in artikel 8.0.4, voor zover het bevoegd gezag daartoe voor diegene verplichte intakeactiviteiten organiseert; of op grond van het derde lid, onderdeel d. op grond van het derde lid, onderdeel d. B C SAMENLOOP WETSVOORSTEL BESTUURLIJKE HARMONISATIE BEROEPSONDERWIJS A B regionaal opleidingencentrum of beroepscollege; van een openbare instelling: college van burgemeester en wethouders van de gemeente die de instelling in stand houdt, behoudens voor zover de raad anders bepaalt en met inachtneming van door hem te stellen regels; bevoegd orgaan krachtens de betrokken gemeenschappelijke regeling waarbij het openbaar lichaam dat de instelling in stand houdt, is opgericht; van een bijzondere instelling: rechtspersoon die de instelling in stand houdt als bedoeld in artikel 2.1.3, derde lid; van een instelling met diploma-erkenning als bedoeld in de artikelen 1.4.1 of 1.4a.1: rechtspersoon of natuurlijke persoon die de instelling in stand houdt; van een exameninstelling als bedoeld in artikel 1.6.1: rechtspersoon die de exameninstelling in stand houdt; beroepscollege als bedoeld in artikel 1.3.2; verticale scholengemeenschap als bedoeld in artikel 2.6.1; school als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020; school voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 2.8 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; school voor voorbereidend beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 2.7 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.6 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; scholengemeenschap als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020; institutionele fusie of bestuursoverdracht; samenvoeging van twee of meer instellingen tot een instelling; overdracht van een instelling aan een ander bevoegd gezag. C INWERKINGTREDING 1. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. 2. In dat besluit kan worden bepaald dat: artikel XA terugwerkt tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip; artikel XXVIII terugwerkt tot en met een in dat besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende onderdelen van genoemd artikel verschillend kan worden vastgesteld. CITEERTITEL Deze wet wordt aangehaald als Verzamelwet OCW met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 35 946
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 23 februari 2022, houdende wijziging van wetten op met name het terrein van onderwijs, cultuur en media in verband met hoofdzakelijk wetstechnische en redactionele verbeteringen (Verzamelwet OCW 2022)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in