Besluit van 30 oktober 1997, houdende instelling van de Adviescommissie Wet tot behoud van cultuurbezit (Besluit Adviescommissie Wet tot behoud van cultuurbezit)
Verify source ↗ AI-assisted research summary: This provision sets up an advisory committee, gives it a one-time task to evaluate the law and recommend possible changes, asks it to report by 1 July 1998, and provides for its dissolution, archive transfer, and expiry of the decision.
Staatsblad Besluit van 30 oktober 1997, houdende instelling van de Adviescommissie Wet tot behoud van cultuurbezit (Besluit Adviescommissie Wet tot behoud van cultuurbezit) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, A. Nuis, van 27 oktober 1997, nr. 1997/27291 (8059), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, J. Kohnstamm; Gelet op artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges; Er is een Adviescommissie Wet tot behoud van cultuurbezit, hierna te noemen: de Adviescommissie. De Adviescommissie heeft tot taak op basis van een evaluatie van de werking van de Wet tot behoud van cultuurbezit als mede op basis van verkenningen binnen de sector van het roerend cultureel erfgoed te komen tot een aanbeveling over mogelijke bijstellingen van de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Adviescommissie streeft ernaar haar eindrapport voor 1 juli 1998 aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen uit te brengen. Na het uitbrengen van haar eindrapport is de Adviescommissie opgeheven. De archiefbescheiden van de Adviescommissie worden na opheffing van de Adviescommissie of, zo de omstandigheden daartoe eerder aanleiding geven, zoveel eerder, overgebracht naar het archief van de Directie Cultureel Erfgoed van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 september 1998. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Adviescommissie Wet tot behoud van cultuurbezit. NOTA VAN TOELICHTING Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Kaderwet adviescolleges wordt door middel van het onderhavige besluit de Adviescommissie Wet tot behoud van cultuurbezit ingesteld. Deze adviescommissie heeft tot taak eenmalig advies uit te brengen over mogelijke bijstellingen van de Wet tot behoud van cultuurbezit. In het algemeen overleg dat de eerste ondergetekende op 12 december 1996 heeft gevoerd met de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen over het onderdeel cultuurbehoud uit de Cultuurnota 1997–2000 is ook de werking van de Wet tot behoud van cultuurbezit ter sprake gekomen (Kamerstukken II 1996/97, 25 013, nr. 11). Met name is aandacht besteed aan het beschikbare financiële kader als onderdeel van het regime van de Wet tot behoud van cultuurbezit. Ook is de vraag gesteld of de lijst van beschermde voorwerpen nog wel evenwichtig is. Mede naar aanleiding van dat overleg heeft de eerste ondergetekende besloten om te onderzoeken of de Wet tot behoud van cultuurbezit wellicht aanpassingen behoeft. De ervaring leert dat de introductie van regelingen ter bescherming van roerend cultureel erfgoed in Nederland altijd gepaard gaat met heftige discussie tussen de kunsthandel, de musea en de overheid. Om die reden heeft de eerste ondergetekende ervoor gekozen niet zelf dat onderzoek te doen. Besloten is eerst door een onafhankelijke commissie advies te laten uitbrengen over mogelijke aanpassingen van het huidige wettelijke systeem. Dat advies moet gebaseerd zijn op een door de commissie uit te voeren evaluatie van die wet. Normaliter zou een dergelijke taak in handen gelegd worden van de Raad voor cultuur die ingevolge de Wet op het specifiek cultuurbeleid tot taak heeft te adviseren over het cultuurbeleid van het Rijk. In het kader van de uitvoering van de Wet tot behoud van cultuurbezit heeft de Raad voor cultuur een aantal adviserende taken. Een onderzoek naar de werking van de wet met als uitkomst mogelijke aanpassingen impliceert dus ook een onderzoek naar de wijze waarop de Raad voor cultuur haar taken behartigt. Daaruit kunnen weer voorstellen voortvloeien over de positie van de Raad voor cultuur in dit wettelijk systeem. Om te voorkomen dat de Raad voor cultuur mede over zichzelf zou moeten oordelen is de evaluatie en advisering dus niet aan de Raad toebedeeld maar aan de onderhavige adviescommissie. Uiteraard zal de Raad voor cultuur in een volgend stadium in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen over het regeringsstandpunt dat zal worden ingenomen naar aanleiding van het advies van de onderhavige commissie. De adviestaak van de commissie is naar zijn aard eenmalig en tijdelijk. Het bestaan van de commissie is dan ook beperkt tot het tijdstip waarop zij haar eindrapport heeft uitgebracht. Volgens de huidige planning zal dat uiterlijk 1 juli 1998 gebeuren. Om te voorkomen dat een geringe overschrijding van deze planning tot een verlenging van het instellingsbesluit van de commissie zou moeten leiden, is ervoor gekozen het besluit zelf per 1 september 1998 te laten vervallen. De commissie zal allereerst een analyse maken van de wijze waarop de Wet tot behoud van cultuurbezit op dit moment functioneert. Daarbij zal antwoord worden gegeven op de vraag of de doelstellingen van de wet worden bereikt en op de vraag of het instrumentarium doeltreffend en efficiënt is. Vervolgens zal de commissie op basis van haar bevindingen aanbevelingen over het wettelijke systeem moeten doen. Met inachtneming van de Kaderwet adviescolleges regelt de commissie haar werkzaamheden overigens naar eigen inzicht. De commissie wordt bijgestaan door een secretaris (en de aan deze secretaris toegevoegde medewerkers). De commissie kan de secretaris en diens medewerkers onder meer met de uitwerking van bepaalde evaluatievragen belasten. De benoeming van de leden van de adviescommissie zal op basis van artikel 6, derde lid, van de Kaderwet adviescolleges plaats vinden door de eerste ondertekenaar. Bij dat benoemingenbesluit zal tevens de secretaris van de commissie worden benoemd. Eveneens zal daarbij – met inachtneming van het Vergoedingenbesluit adviescolleges – het bedrag worden vastgesteld dat de leden van de commissie per vergadering als vergoeding ontvangen.