Besluit van 27 juli 1998, houdende regels omtrent de tijdelijk verplichte inkoop van diensten voor arbeidsgehandicapten bij Arbeidsvoorziening (Besluit tijdelijk verplichte inkoop dienstverlening arbeidsgehandicapten Lisv – Arbeidsvoorziening)
This decision requires the social insurance institute to annually commission services for difficult-to-place disabled workers, with rules on minimum volumes, budgeting, agreements, and funding.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 11 Jul 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
This decision requires the social insurance institute to annually commission services for difficult-to-place disabled workers, with rules on minimum volumes, budgeting, agreements, and funding. This passage explains that most provisions do not apply retroactively, but Article 5 does backdate to the start of the Wet REA, and the decision will be repealed from a date set by ministerial regulation.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Besluit van 27 juli 1998, houdende regels omtrent de tijdelijk verplichte inkoop van diensten voor arbeidsgehandicapten bij Arbeidsvoorziening (Besluit tijdelijk verplichte inkoop dienstverlening arbeidsgehandicapten Lisv – Arbeidsvoorziening)
Showing 2 of 2
- document.segment-1 Verify source ↗
Besluit van 27 juli 1998, houdende regels omtrent de tijdelijk verplichte inkoop van diensten voor arbeidsgehandicapten bij Arbeidsvoorziening (Besluit tijdelijk verplichte inkoop dienstverlening arbeidsgehandicapten Lisv – Arbeidsvoorziening) — segment 1
AI-assisted research summary: This decision requires the social insurance institute to annually commission services for difficult-to-place disabled workers, with rules on minimum volumes, budgeting, agreements, and funding.
Staatsblad Besluit van 27 juli 1998, houdende regels omtrent de tijdelijk verplichte inkoop van diensten voor arbeidsgehandicapten bij Arbeidsvoorziening (Besluit tijdelijk verplichte inkoop dienstverlening arbeidsgehandicapten Lisv – Arbeidsvoorziening) Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 april 1998, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/UB/98/1905; Gelet op artikel 14, tweede lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten; De Raad van State gehoord (advies van 27 mei 1998, no. W12.98.0180); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 juli 1998, Directie Sociale Verzekeringen, Nr. SV/UB/98/3027; Algemene begrippen In dit besluit wordt verstaan onder: a. arbeidsgehandicapte: een arbeidsgehandicapte als bedoeld in artikel 10 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, mits deze arbeidsgehandicapte moeilijk plaatsbaar is; b. bemiddelingsplan: een planmatige beschrijving van de dienstverlening die een bepaalde arbeidsgehandicapte nodig heeft om geschikt te worden voor inschakeling in de arbeid en van de bijzondere inspanningen die voor zijn arbeidsbemiddeling nodig zijn; c. diensten: werkzaamheden gericht op het totstandkomen van een bemiddelingsplan, op het geschikt maken van arbeidsgehandicapten voor inschakeling in de arbeid of op het leveren van bijzondere inspanningen voor hun arbeidsbemiddeling. Inkoop voor arbeidsgehandicapten Het Landelijk instituut sociale verzekeringen verleent de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en derden die bemiddelingswerkzaamheden voor werkzoekenden verrichten ieder jaar opdracht om tegen vergoeding diensten te verrichten voor arbeidsgehandicapten. Bij ministeriële regeling wordt per jaar bepaald voor hoeveel nieuw bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie aan te melden arbeidsgehandicapten het Landelijk instituut sociale verzekeringen ten minste opdrachten aan die organisatie verstrekt. Daarbij kunnen voor verschillende groepen arbeidsgehandicapten verschillende aantallen worden vastgesteld. Tevens wordt in de ministeriële regeling bepaald welk budget voor vergoeding van diensten door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in het betreffende jaar ten minste beschikbaar is. In het in het tweede lid bedoelde budget zijn de kosten die het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen maken bij de uitvoering van dit besluit niet begrepen. Overeenkomst Landelijk instituut sociale verzekeringen en Arbeidsvoorzieningsorganisatie Het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie regelen hetgeen ter uitvoering van dit besluit nodig is in een overeenkomst. In deze overeenkomst worden ten minste opgenomen: a. de termijn waarbinnen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, nadat haar daartoe opdracht is verleend, een in overeenstemming met de arbeidsgehandicapte opgesteld bemiddelingsplan aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen voorlegt, dan wel het Landelijk instituut sociale verzekeringen mededeelt, waarom voor de betrokken arbeidsgehandicapte nog geen bemiddelingsplan kon worden opgesteld; b. de termijn waarbinnen het Landelijk instituut sociale verzekeringen, nadat het het bemiddelingsplan heeft ontvangen, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie mededeelt of het met het plan kan instemmen en of het de uitvoering ervan aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie opdraagt; c. de gevolgen van overschrijding van de termijnen bedoeld in de onderdelen a en b; d. de wijze waarop en de termijnen waarbinnen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie voor haar diensten wordt vergoed; e. een regeling krachtens welke het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie een bedrag betaalt indien in het betreffende kalenderjaar door het Landelijk instituut sociale verzekeringen minder arbeidsgehandicapten nieuw voor diensten bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie blijken te zijn aangemeld, dan het in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 2, tweede lid, genoemde totaalaantal arbeidsgehandicapten. In de overeenkomst wordt in ieder geval opgenomen, dat het opstellen van een bemiddelingsplan slechts wordt vergoed nadat het Landelijk instituut sociale verzekeringen met het plan heeft ingestemd. De in het eerste lid bedoelde overeenkomst, alsmede alle wijzigingsovereenkomsten en overeenkomsten ter vervanging van die overeenkomst, worden onmiddellijk na het sluiten ervan door het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan Onze Minister aangeboden. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de onderwerpen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b, en e. Indien de in het vierde lid bedoelde ministeriële regeling wordt getroffen, brengen het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie hun in het eerste lid bedoelde overeenkomst onverwijld in overeenstemming met de inhoud van die regeling. Financiering Het Landelijk instituut sociale verzekeringen brengt ten laste van het Reïntegratiefonds, genoemd in artikel 41 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten: a. de vergoedingen voor de diensten van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie; b. de kosten die het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen in een bepaald jaar maken voor de uitvoering van dit besluit; c. het bedrag dat het Landelijk insitituut sociale verzekeringen op grond van de regeling bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel e, aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie heeft betaald. Specifieke bepaling voor het jaar 1998 Personen als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet arbeid gehandicapte werknemers die in de periode van 1 januari 1998 tot de datum van inwerkingtreding van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten door het Landelijk instituut sociale verzekeringen nieuw bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn aangemeld voor werkzaamheden gericht op het totstandkomen van een bemiddelingsplan, op het geschikt maken voor inschakeling in de arbeid of op het leveren van bijzondere inspanningen voor hun arbeidsbemiddeling, worden voor de toepassing van dit besluit, alsmede voor de toepassing van de regeling bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel e, beschouwd als arbeidsgehandicapten die in 1998 voor diensten bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn aangemeld. De eerste zin is niet van toepassing op personen die bij hun aanmelding uitsluitend recht hadden op een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen of de Algemene nabestaandenwet, noch op personen die werkzaam waren in een dienstbetrekking als bedoeld in de Wet inschakeling werkzoekenden dan wel die geen werkgever en geen recht op uitkering hadden. Vergoedingen die voor de inwerkingtreding van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten zijn betaald voor in 1998 door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie verrichte of nog te verrichten diensten, worden beschouwd als vergoedingen betaald uit het budget, bedoeld in artikel 2, tweede lid. In afwijking van het tweede lid worden vergoedingen voor in 1998 door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie verrichte of nog te verrichten diensten voor personen bedoeld in de tweede zin van het eerste lid niet beschouwd als vergoedingen betaald uit het budget, bedoeld in artikel 2, tweede lid. In afwijking van artikel 4, onderdelen a en b, brengt het Landelijk instituut sociale verzekeringen in 1998 ten laste van het Reïntegratiefonds: a. de vergoedingen voor in 1998 door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie verleende diensten, met uitzondering van de vergoedingen die tot de inwerkingtreding van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten reeds aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn betaald voor in dat jaar verleende of nog te verlenen diensten als bedoeld in de eerste zin van het eerste lid; b. de kosten die het Landelijk instituut sociale verzekeringen en de uitvoeringsinstellingen in 1998 na de inwerkingtreding van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten maken voor de uitvoering van dit besluit. Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en vervalt op een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip. Artikel 5 van dit besluit werkt terug tot en met de dag waarop artikel 14 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten in werking is getreden. Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit tijdelijk verplichte inkoop dienstverlening arbeidsgehandicapten Lisv – Arbeidsvoorziening. Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vierde lid, onder b, van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat. NOTA VAN TOELICHTING In artikel 10 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) wordt aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) de taak opgelegd de arbeidsinschakeling van bepaalde groepen arbeidsgehandicapten te bevorderen. Kort gezegd gaat het hier om arbeidsgehandicapten die nog in dienst zijn bij een werkgever maar van wie is vastgesteld dat zij niet meer bij deze werkgever kunnen reïntegreren, arbeidsgehandicapten met een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG), de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), de Werkloosheidswet (WW) of de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (WBIA) dan wel met een wachtgelduitkering, en verzekerden voor de WAZ. Onder deze reïntegratietaak van het Lisv valt niet de basisdienstverleningstaak: die is bij uitsluiting opgedragen aan de Arbeidsvoorzieningorganisatie (Arbeidsvoorziening). Artikel 14, tweede lid, van de Wet REA geeft de mogelijkheid bij of krachtens algemene maatregel van bestuur (amvb) nadere regels te stellen met betrekking tot de wijze waarop het Lisv zijn reïntegratietaak uitvoert. Hierbij kan worden bepaald dat werkzaamheden gericht op het geschikt maken van moeilijk plaatsbare arbeidsgehandicapten voor inschakeling in de arbeid tijdelijk in bepaalde mate aan Arbeidsvoorziening worden opgedragen. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (kamerstukken II 1996/97, 25 478, nr. 3, blz. 42) is reeds aangegeven, dat van deze mogelijkheid gebruik zou worden gemaakt. Het Lisv – en daarmee de uitvoeringsinstellingen (uvi's) waaraan het Lisv de uitvoering van zijn taken opdraagt – zullen, aldus de memorie van toelichting, de eerste tijd in belangrijke mate verplicht diensten moeten inkopen bij Arbeidsvoorziening. Ook is aangegeven, waarom voor deze tijdelijke verplichte inkoop bij Arbeidsvoorziening is gekozen. Arbeidsvoorziening moet namelijk in de gelegenheid worden gesteld zich te ontwikkelen tot een goede opdrachtnemer voor de inkoop van diensten voor arbeidsgehandicapten. Met het oog hierop heeft het kabinet zich uitgesproken voor overheveling van de bemiddelingswerkzaamheden ten behoeve van arbeidsgehandicapten naar Arbeidsvoorziening. In het verlengde van deze beslissing is het personeel van het onderdeel ArbeidsIntegratie van het Gemeenschappelijk administratiekantoor (Gak AI), dat in 1996 circa 80% van de bemiddelingsmarkt voor deze groep bediende, met ingang van 1 januari 1998 in dienst bij Arbeidsvoorziening. Om ervoor te zorgen dat het naar Arbeidsvoorziening overgekomen personeel de eerste tijd van werk verzekerd is, is aangegeven dat de mate van verplichte inkoop bij Arbeidsvoorziening in 1998 zou worden gerelateerd aan het marktaandeel van Gak AI (in 1996). Dat betekent dat het Lisv en de uvi's in 1998 voor 80% van het totale inkoopbudget diensten moeten inkopen bij Arbeidsvoorziening. In de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven dat dit neerkomt op een verplichte-inkoopbedrag van f 88 mln. (80% van f 110 mln.). Bij brief van 21 oktober 1997 is dit aan de betrokken organisaties medegedeeld. Bij de berekening van het totale-inkoopbudget van f 110 mln. was noodgedwongen uitgegaan van de realisatiecijfers 1996, waarop vervolgens een beleidsintensivering was toegepast. Begin 1998 heeft het Lisv op basis van de inmiddels beschikbaar gekomen cijfers over 1997 aannemelijk gemaakt, dat het totale-inkoopbudget (inclusief beleidsintensivering ten gevolge van de Wet REA) f l25 mln. zou moeten bedragen. Gegeven het uitgangspunt dat 80% van het budget verplicht bij Arbeidsvoorziening moet worden aanbesteed, leidt dit tot een verplichte-inkoopbudget van f 100 mln. in 1998. Het verplichte-inkoopbudget zal overigens fasegewijs worden afgeschaft. Het voorliggende besluit geeft het wettelijke kader waarbinnen de verplichte inkoop van diensten door het Lisv bij Arbeidsvoorziening dient plaats te vinden. Opgemerkt wordt dat het besluit niet ziet op eventuele aanvullende inkoop van diensten door het Lisv bij Arbeidsvoorziening of bij derden (vrije inkoop). Daarnaast wordt opgemerkt dat dit besluit niet ziet op de diensten die de gemeenten ten behoeve van arbeidsgehandicapten verplicht bij Arbeidsvoorziening zullen moeten inkopen. Dit laatste wordt geregeld in een amvb ter wijziging van het Besluit uitvoering en financiering Wet inschakeling werkzoekenden. De reikwijdte van het voorliggende besluit wordt duidelijk verwoord in zijn citeertitel: Besluit tijdelijk verplichte inkoop dienstverlening arbeidsgehandicapten Lisv – Arbeidsvoorziening. Het is van belang dat het verplichte-inkoopbudget volledig wordt besteed. Immers, Arbeidsvoorziening maakt door de overname van het personeel van Gak AI kosten, waar voldoende inkomsten tegenover moeten staan. Daarnaast is Arbeidsvoorziening sinds de overkomst van dat personeel veruit de grootste aanbieder van specifiek op de arbeidsinschakeling van arbeidsgehandicapten gerichte diensten. Het is derhalve ook met het oog op het aantal arbeidsgehandicapten voor wie op de reïntegratie gerichte inspanningen worden verricht, van belang dat bij Arbeidsvoorziening wordt ingekocht. Met het oog hierop zijn in het voorliggende besluit prikkels opgenomen die zowel het Lisv en de uvi's als Arbeidsvoorziening belang geven bij een optimaal gebruik van het budget. In het hiernavolgende wordt de structurele werkwijze waartoe dit besluit noopt aangegeven. In paragraaf 3 wordt ingegaan op een aantal voor deze werkwijze geldende bijzondere omstandigheden voor 1998. Zoals in de memorie van toelichting (kamerstukken II 1996/97, 25 478, nr. 3, blz. 62) en de nota naar aanleiding van het verslag (kamerstukken II 1996/97, 25 478, nr. 6, blz. 59–61) bij de Wet REA is verwoord, dient het Lisv jaarlijks in zijn plan van werkzaamheden aan te geven, voor hoeveel arbeidsgehandicapten het in het komende jaar reïntegratie-inspanningen zal (laten) verrichten en hoeveel arbeidsgehandicapten het verwacht te reïntegreren. Het is wenselijk dat het Lisv in zijn plan specifiek ingaat op het aantal moeilijk plaatsbare arbeidsgehandicapten voor wie het Lisv – via de uvi's – diensten zal inkopen. Over dit plan wordt met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) overlegd, en het plan wordt daarna naar het parlement gezonden. Op grond van deze macro-taakstelling, wordt geraamd hoeveel geld nodig zal zijn voor de uitvoering van deze taakstellingen en worden sub-taakstellingen voor de uvi's opgesteld. In de voorliggende amvb wordt bij deze systematiek aangesloten. De omvang van de verplichte inkoop bij Arbeidsvoorziening wordt – als het ware binnen bovengenoemd aantal en binnen het door het Lisv daarvoor te ramen totale-inkoopbudget – ieder jaar in een ministeriële regeling bepaald. Allereerst wordt bepaald voor hoeveel moeilijk plaatsbare arbeidsgehandicapten het Lisv en daarmee de uvi's in het daaropvolgende kalenderjaar ten minste op de arbeidstoeleiding en de intensieve bemiddeling gerichte diensten moeten inkopen bij Arbeidsvoorziening. In de ministeriële regeling wordt tevens neergelegd welk totaalbudget voor de verplichte inkoop bij Arbeidsvoorziening in het betreffende jaar beschikbaar is. Opgemerkt wordt, dat budget en aantal nieuw aan te melden klanten niet direct gekoppeld zijn in die zin, dat het budget alleen mag worden gebruikt voor inkoop van in het betreffende jaar nieuw aan te melden arbeidsgehandicapten. Ook affinanciering van reeds in het jaar voorafgaande aan het betreffende inkoopjaar gestarte trajecten die in het betreffende jaar doorlopen is mogelijk. Zoals reeds is aangegeven, zal het verplichte-inkoopbudget fasegewijs worden afgebouwd. Omdat Lisv en Arbeidsvoorziening het beste zicht hebben op de gemiddelde kosten per reïntegratietraject, zijn wij voornemens deze organisaties, gegeven het voor het betreffende jaar vast te stellen verplichte-inkoopbudget, in de gelegenheid te stellen voordat de ministeriële regeling wordt getroffen gezamenlijk een voorstel te doen over het in de regeling neer te leggen aantal vanuit dat budget te bedienen arbeidsgehandicapten. Na vaststelling van de ministeriële regeling dient het Lisv de macro-inkooptaakstelling en het inkoopbudget te verdelen. Conform de systematiek van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (OSV 1997), dient de verdeling plaats te vinden over sectoren en sectoronderdelen. Gezien het aantal sectoren kan dit, zeker indien een sectorbudget ook nog over een aanzienlijk aantal werkgebieden van de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening (RBA's) moet worden verdeeld, afhankelijk van de omvang van de sector tot een te grote mate van versnippering leiden. Het is aan het Lisv om hier op verstandige wijze mee om te gaan, bijvoorbeeld door kleinere sectoren die door dezelfde sectorraad worden vertegenwoordigd te clusteren. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat het feit dat het Lisv mag clusteren en dat de uvi's in dat geval ook per cluster mogen uitvoeren, niet betekent dat geen rekening meer hoeft te worden gehouden met sectorale belangen binnen ieder cluster. Voorzover mogelijk moet dat wel degelijk gebeuren. De sectorraden hebben hier een adviserende rol. Het Lisv dient tevens te bepalen op welke gronden de taakstelling en het budget verdeeld worden. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan een verdeling op basis van het aantal gedeeltelijk arbeidsongeschikten binnen iedere sector of sectoronderdeel dan wel cluster daarvan. Het ligt voor de hand dat het Lisv in zijn plan van werkzaamheden aangeeft welke verdeelsleutel zal worden gehanteerd. De verdeling door het Lisv leidt ertoe, dat voor iedere uvi helder is voor welk aantal arbeidsgehandicapten zij in het betreffende jaar diensten moet inkopen en welk budget daarvoor beschikbaar is. De uvi's zullen hiertoe binnen de kaderovereenkomst Lisv-Arbeidsvoorziening (zie paragraaf 4) in de vorm van plannen van aanpak regionale afspraken moeten maken met Arbeidsvoorziening. Binnen de kaders van de plannen van aanpak worden vervolgens daadwerkelijk inkoopklanten bij Arbeidsvoorziening aangeleverd. Het proces op individueel niveau ziet er daarbij als volgt uit. Nadat de uvi heeft vastgesteld dat een wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid uitgevallen persoon arbeidsgehandicapt is en dat reïntegratie naar een nieuwe werkgever aan de orde is, zal betrokkene zich bij het arbeidsbureau of bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) dienen te melden voor (inschrijving voor) werk. Indien aannemelijk wordt geacht dat betrokkene specifieke dienstverlening nodig heeft, wil hij werk kunnen vinden – derhalve behoort tot fase 2 of 3 – wordt, als onderdeel van de basisdienstverlening van Arbeidsvoorziening, de kwalificerende intake verricht. Bij deze en eventueel volgende werkzaamheden maakt het arbeidsbureau c.q. het CWI gebruik van de reïntegratievisie die de uvi heeft opgesteld. In deze reïntegratievisie heeft de uvi voor de reïntegratie van belang zijnde informatie over het bij haar plaatsgevonden hebbende voortraject opgenomen (reïntegratieplan betreffende de (on)mogelijkheden reïntegratie eigen werkgever, belastbaarheidsprofiel, uitdraai uit het functie informatiesysteem (FIS), uitkomsten oordeelsvorming «arbeidsgehandicapt»). Na de kwalificerende intake besluit de uvi welke arbeidsgehandicapten die ingevolge die intake als moeilijk plaatsbaar kunnen worden aangemerkt, worden aangemeld voor inkoop. Naar verwachting zullen Lisv en Arbeidsvoorziening het begrip «moeilijk plaatsbaar» in hun kaderovereenkomst operationaliseren als «personen die op grond van de kwalificerende intake geïndiceerd zijn voor fase 2 en 3». In de regionale plannen van aanpak kunnen binnen deze doelgroep vervolgens nadere accenten worden gelegd. Het is van belang dat de uvi's zich bij het voor inkoop aanmelden van klanten bij Arbeidsvoorziening houden aan de afspraken op dit punt. Anders ontstaat immers het risico dat klanten door Arbeidsvoorziening wegens onbemiddelbaarheid worden teruggestuurd dan wel dat Arbeidsvoorziening voor de betrokken klanten «lege» of zeer dure bemiddelingsplannen opstelt. De inkoop zal steeds starten met de opdracht aan Arbeidsvoorziening, voor de aangemelde klant een bemiddelingsplan op te stellen. Het opstellen van dit plan dient uiteraard altijd in overleg met de klant te geschieden. Om een goede voortgang op dit punt te bewerkstelligen, is in het besluit geregeld dat het Lisv en Arbeidsvoorziening in een overeenkomst – dit is de kaderovereenkomst geworden, zie paragraaf 4 – enkele reactietermijnen moeten afspreken. Allereerst dient te worden afgesproken binnen welke termijn na de opdrachtverlening Arbeidsvoorziening een in overeenstemming met de arbeidsgehandicapte opgesteld plan aan de uvi voorlegt, dan wel de uvi mededeelt waarom een dergelijk plan nog niet kon worden opgesteld. In het laatste geval kan de uvi eventueel besluiten de opdracht in te trekken. Ten tweede dienen Lisv en Arbeidsvoorziening af te spreken binnen welke termijn na voorlegging van een plan door Arbeidsvoorziening de uvi aan Arbeidsvoorziening meedeelt of zij met het plan kan instemmen en zo ja, of zij de uitvoering aan Arbeidsvoorziening zal opdragen. Uiteraard kan een uvi die niet direct met het plan instemt, Arbeidsvoorziening vragen het bij te stellen, waarna de uvi binnen laatstbedoelde termijn na de indiening van dit nieuwe plan dient te besluiten of zij er alsnog mee instemt. In het besluit wordt tevens aan partijen opgedragen, af te spreken wat de gevolgen zullen zijn van het overschrijden van de termijnen. Om ervoor te zorgen dat Arbeidsvoorziening snel en inhoudelijk goede bemiddelingsplannen opstelt, is in het besluit tevens bepaald, dat partijen in de overeenkomst opnemen dat de betaling voor het opstellen van een bemiddelingsplan pas geschiedt nadat instemming aan het plan is verleend. Nadat dit is gebeurd en de uitvoering van het plan aan Arbeidsvoorziening is opgedragen, dient de uitvoering zo snel mogelijk een aanvang te nemen. In het besluit wordt partijen echter niet opgedragen een termijn af te spreken waarbinnen de uitvoering moet zijn gestart. De reden daarvoor is, dat Arbeidsvoorziening wat dit betreft vaak afhankelijk zal zijn van derden, bijvoorbeeld wat betreft de data waarop een door de arbeidsgehandicapte te volgen opleiding start. Het is echter in het belang van Arbeidsvoorziening zo spoedig mogelijk na de opdracht het plan uit te voeren ook daadwerkelijk met de uitvoering te starten. Immers, voor niet aan de aangemelde klanten verleende diensten wordt niet betaald. In het besluit wordt aan het Lisv en Arbeidsvoorziening opgedragen afspraken te maken over de wijze waarop Arbeidsvoorziening voor de uitvoering van bemiddelingsplannen wordt betaald. De betaling geschiedt overigens ten laste van het Reïntegratiefonds. Het Lisv dient er dan ook voor te zorgen dat in het Reïntegratiefonds voldoende geld aanwezig is om Arbeidsvoorziening te betalen. Uit de eerste ervaringen met de zogenoemde Veegwetbudgetten (inkoop bij Arbeidsvoorziening ten behoeve van niet-arbeidsgehandicapte werklozen met een WW-uitkering) blijkt onder meer dat de aanmelding van cliënten bij Arbeidsvoorziening door de uvi's te wensen overliet: de uvi's meldden te weinig werklozen aan c.q. de aanmelding geschiedde te traag. Zou dit ook bij de aanmelding van arbeidsgehandicapten gebeuren, dan wordt de in de ministeriële regeling neer te leggen taakstelling niet gehaald, hetgeen, zoals in het voorgaande reeds gesteld, onwenselijk is. Om het Lisv en de uvi's extra te prikkelen ieder jaar voldoende reïntegratiekandidaten aan te melden, is in het besluit bepaald dat partijen in hun overeenkomst een leegloopkostenregeling moeten opnemen. Deze regeling moet inhouden dat het Lisv Arbeidsvoorziening een bedrag betaalt indien het in de ministeriële regeling opgenomen aantal aan te melden arbeidsgehandicapten niet wordt gehaald. Aangezien tegenover dit bedrag geen concrete diensten van Arbeidsvoorziening staan, wordt hiermee bij Lisv en uvi's een belang gecreëerd het bedrag zo laag mogelijk te houden, d.w.z. tijdig in het betreffende jaar voldoende arbeidsgehandicapten aan te melden. Tevens wordt Arbeidsvoorziening hiermee vergoed voor eventuele leegloopkosten die in het betreffende jaar zijn opgetreden. Wellicht ten overvloede wordt hier nog opgemerkt dat uit de systematiek van de OSV 1997 volgt, dat het Lisv de uvi's die verantwoordelijk zijn voor een eventueel te klein aantal aangemelde arbeidsgehandicapten, daarop aanspreekt. Overigens wordt nog het volgende opgemerkt. De af te spreken termijnen en de vormgeving van de leegloopkostenvergoeding kunnen de mate van succes van de verplichte inkoop aanzienlijk beïnvloeden. Met het oog daarop is in het besluit geregeld, dat de overeenkomst waarin het Lisv en Arbeidsvoorziening dergelijke afspraken opnemen, aan de Minister van SZW ter kennisname wordt voorgelegd. Mocht hij van mening zijn dat de afspraken anders dienen te luiden en zijn partijen niet bereid hun afspraken in de door hem gewenste richting bij te stellen, dan voorziet dit besluit in de mogelijkheid een ministeriële regeling te treffen. In dat geval dienen partijen de inhoud van hun overeenkomst onverwijld zo aan te passen, dat deze op die regeling aansluit. Hoewel in dit besluit al zelfstandig werkende prikkels zijn opgenomen om zowel het Lisv als Arbeidsvoorziening goed te laten presteren, geldt ten slotte nog, dat het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) toezicht dient te houden op een recht- en doelmatige uitvoering door het Lisv en de uvi's. De Minister van SZW houdt toezicht op de uitvoering door Arbeidsvoorziening. Het jaar 1998 is om de volgende redenen een bijzonder inkoopjaar: a. De Wet REA en daarmee het voorliggende besluit kunnen pas gedurende het jaar 1998 in plaats van op 1 januari van dat jaar in werking treden. Dit betekent dat het Lisv gedurende een aantal maanden van 1998 op grond van artikel 16 Wet arbeid gehandicapte werknemers (WAGW) nog verantwoordelijk is voor de reïntegratie van alle arbeidsgehandicapten. Na inwerkingtreding van de Wet REA zal het Lisv niet meer verantwoordelijk zijn voor de reïntegratie van arbeidsgehandicapten met louter een ABW- , IOAW-, IOAZ- of ANW-uitkering, dan wel arbeidsgehandicapten zonder werkgever èn zonder uitkering (met dien verstande dat in de Regeling overgang arbeidstoeleidingstaken arbeidsgehandicapten de reïntegratietaak van het Lisv is verlengd voor diegenen, voor wie de reïntegratie reeds voor de datum van inwerkingtreding van de Wet REA – 1 juli 1998 – een aanvang had genomen. b. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Wet REA is het personeel van Gak AI met ingang van 1 januari 1998 bij Arbeidsvoorziening in dienst gekomen. Inkooprelaties die de uvi's namens het Lisv met het Gak hadden, zijn omgezet in inkooprelaties met Arbeidsvoorziening en het Lisv heeft de uvi's opgedragen al per 1 januari 1998 bij Arbeidsvoorziening in te kopen als ware de Wet REA al in werking. Besloten is met deze bijzondere omstandigheden op zo'n manier rekening te houden, dat reeds in 1998 zoveel mogelijk volgens de structurele wijze kan worden ingekocht. In de op dit besluit te baseren ministeriële regeling zal dan ook het totale verplichte-inkoopbudget voor heel 1998 worden bepaald (f 100 mln.) en zal het totaal aantal arbeidsgehandicapten worden genoemd dat in 1998 voor diensten bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie moet worden aangemeld (40 000). Arbeidsgehandicapten die tussen 1 januari 1998 en de datum van inwerkingtreding van de Wet REA door de uvi's nieuw voor diensten bij Arbeidsvoorziening zijn aangemeld, tellen mee als in 1998 aangemelde arbeidsgehandicapten. Is voor deze klanten voor de datum van inwerkingtreding van de Wet REA een bemiddelingsplan goedgekeurd en zijn voor hen in 1998 producten ingezet, dan geschiedt de financiering daarvan ten laste van het voor 1998 gereserveerde verplichte-inkoopbudget, dat wil zeggen ten laste van de f 100 mln. Overigens zullen ook de in 1998 door Arbeidsvoorziening geleverde diensten voor cliënten wier traject reeds voor 1998 is gestart, ten laste van het budget 1998 moeten worden gebracht. Het bovenstaande geldt echter niet voor in 1998 door Arbeidsvoorziening verrichte of te verrichten diensten voor arbeidsgehandicapten met louter een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (ABW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) of de Algemene nabestaandenwet (ANW), voor arbeidsgehandicapten die werkzaam waren in een dienstbetrekking als bedoeld in de Wet inschakeling werkzoekenden (WIW) of die geen werkgever èn geen recht op uitkering hadden. Indien zij voor de datum van inwerkingtreding van de Wet REA onder verantwoordelijkheid van het Lisv voor diensten bij Arbeidsvoorziening zijn aangemeld, geschiedt de financiering van de in 1998 reeds verrichte of nog te verrichten diensten buiten de 100 mln. verplichte inkoop om. Daar staat tegenover dat deze klanten niet meetellen voor het bereiken van het aantal van 40 000 in 1998 nieuw aan te melden arbeidsgehandicapten. Omdat het Reïntegratiefonds pas met de inwerkingtreding van de Wet REA wordt opgericht, is het niet mogelijk vergoedingen die voor de datum van inwerkingtreding van de Wet REA aan Arbeidsvoorziening worden betaald, ten laste te brengen van dat fonds. Dergelijke vergoedingen zullen op grond van de Regeling toerekening uitvoeringskosten sociale verzekeringen vanaf 1 januari 1998 tot de datum van inwerkingtreding van de Wet REA ten laste komen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof). Kort gezegd is het dus zo dat het verplichte-inkoopbudget over heel 1998 f 100 mln. zal bedragen, maar dat de financiering daarvan uit verschillende fondsen geschiedt. Conform hetgeen is geschied voor de aanbesteding en uitvoering van de Veegwetbudgetten 1997 en 1998, hebben het Lisv en Arbeidsvoorziening op 5 juni 1998 een kaderovereenkomst inkoop arbeidsgehandicapten gesloten. Hierin zijn onder meer bepalingen opgenomen over de wijze van aanbesteding van deelbudgetten door de uvi's, de operationalisering van het begrip «moeilijk plaatsbaar», de soorten en prijzen van de in te kopen producten, de betaling en de door Arbeidsvoorziening op te leveren rapportages. Daarnaast hebben partijen er de op grond van dit besluit verplicht te maken afspraken in opgenomen. Omdat in de parlementaire stukken bij het wetsvoorstel leidende tot de Wet REA al was aangekondigd dat gebruik zou worden gemaakt van de in artikel 14 Wet REA opgenomen mogelijkheid om een besluit inzake verplichte inkoop te treffen, hebben het Lisv en Arbeidsvoorziening op 15 december 1997 een intentieverklaring inzake die inkoop opgesteld. In die verklaring spreken zij uit in 1998 voor 40 000 arbeidsgehandicapten diensten in te kopen respectievelijk te verrichten, tegen een bedrag van f 100 mln. (de werkelijke kosten worden op basis van nacalculatie berekend). In die intentieverklaring is tevens neergelegd, dat Arbeidsvoorziening van de 40 000 klanten voor wie diensten zullen worden verricht, ten minste 12 000 klanten zal reïntegreren. Deze aantallen cliënten stroken met hetgeen in de toelichtende parlementaire stukken op het wetsvoorstel leidende tot de Wet REA is aangegeven. In die stukken wordt gesproken van 50 000 arbeidsgehandicapten voor wie in 1998 reïntegratie-inspanningen moeten worden verricht, met een na te streven resultaat van 15 000 reïntegraties. Daarbij is het de bedoeling dat het gaat om plaatsingen op dienstbetrekkingen met een duur van ten minste zes maanden (dit loopt parallel met het feit dat de werkgever in dat geval recht heeft op een plaatsingsbudget). Op dit moment wordt als totaal benodigd inkoopbudget een bedrag van f 125 mln. voorzien (exclusief een bedrag van f 6,6 mln. voor vóór 1 juli 1998 gestarte trajecten voor personen met louter een sociale voorziening, een ANW-uitkering, geen werkgever èn geen uitkering, of met een WIW-dienstbetrekking, welke personen overigens dan ook niet meetellen voor de 40 000 in 1998 nieuw aan te melden klanten). Gegeven het feit dat in 1998 80% van het totale inkoopbudget gebruikt moet worden voor inkoop bij Arbeidsvoorziening, is het begrijpelijk dat partijen hebben afgesproken dat Arbeidsvoorziening voor dat geld ook 80% van de te bedienen klanten voor haar rekening zal nemen en dat uitgangspunt is dat zij (ten minste) 80% van de 15 000 klanten zal plaatsen. In de ministeriële regeling voor 1998 zal dan ook van een aantal aan te melden klanten van 40 000 worden uitgegaan. Drie opmerkingen zijn hier nog op hun plaats. Ten eerste is het de bedoeling, dat het niet-verplichte inkoopbudget, dat in 1998 wordt geraamd op f 25 mln. (exclusief het eerdergenoemde bedrag van f 6,6 mln.), zoveel mogelijk bij andere intermediairen dan Arbeidsvoorziening wordt besteed (en wel voor reïntegratie-inspanningen voor in totaal 10 000 cliënten, exclusief de eerdergenoemde groep). Immers, voor de inkoop bij Arbeidsvoorziening is via dit besluit al een flink bedrag gereserveerd. De door derden – bijvoorbeeld AVO, die gespecialiseerd is in reïntegratie als zelfstandige – opgebouwde expertise moet in stand kunnen blijven. Ten tweede kan het zijn, dat gedurende het jaar of achteraf blijkt dat het totale inkoopbudget van f 125 mln. te laag is om alle 50 000 cliënten van een toeleidingstraject te voorzien. Dit kan zich openbaren bij de verplichte inkoop bij Arbeidsvoorziening – indien blijkt dat f 100 mln. te weinig is om 40 000 klanten te bedienen – bij de vrije inkoop, of bij beide. In dat geval kan het totale inkoopbudget worden verhoogd. Uiteraard zal het Lisv dan wel eerst goed moeten nagaan of verhoging werkelijk aan de orde dient te zijn. Voorzover het eventuele meerdere bij Arbeidsvoorziening wordt besteed, gaat het om vrije inkoop. Het verplichte-inkoopbudget in de ministeriële regeling zal in dat geval dus niet verhoogd worden. Ook heeft het feit dat alsdan uiteindelijk voor een hoger bedrag bij Arbeidsvoorziening zal zijn ingekocht dan voor het bedrag van het verplichte-inkoopbudget, geen gevolgen voor het in de komende jaren fasegewijs te verlagen verplichte-inkoopbudget. Anders gezegd: bij het vastellen van het verplichte-inkoopbudget voor 1999 zal worden uitgegaan van het verplichte-inkoopbudget over 1998 en niet van een eventueel hoger uiteindelijk in 1998 bij Arbeidsvoorziening besteed bedrag. Ten slotte wordt opgemerkt, dat dit besluit geen regels kent met betrekking tot het aantal te realiseren plaatsingen. Het is aan het Lisv om ervoor te zorgen dat de beoogde 12 000 plaatsingen worden bereikt (waarbij, als eerder gezegd, gestreefd dient te worden naar plaatsingen van een half jaar of langer). Het Lisv kan hiertoe onder andere met Arbeidsvoorziening afspreken dat – binnen het in de ministeriële regeling bepaalde budget – voor iedere plaatsing in een dienstbetrekking van ten minste zes maanden een plaatsingsbonus wordt verstrekt. Deze drie opmerkingen gelden overigens niet alleen voor het jaar 1998, maar – mutatis mutandis – ook voor volgende inkoopjaren. Op grond van artikel 87 van de OSV 1997 en van de artikelen 85 en 91 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 dienen de bij de inkoop betrokken partijen desgevraagd kosteloos gegevens en inlichtingen met betrekking tot de uitvoering van dit besluit te verstrekken aan de minister of aan door hem aangewezen derden. Wat dit laatste betreft kan worden gedacht aan onderzoeksbureaus. Daarnaast is het op grond van de artikelen 87 van de OSV 1997 en 91 van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 mogelijk in een ministeriële regeling neer te leggen welke gegevens perdiodiek aan de minister moeten worden verstrekt. In ieder geval zal geregeld worden dat het Lisv ieder kwartaal aangeeft in welke mate het budget voor het betreffende jaar is uitgeput, hoeveel klanten daadwerkelijk bij Arbeidsvoorziening zijn aangemeld, met hoeveel bemiddelingsplannen is ingestemd, en hoeveel klanten zijn geplaatst op dienstbetrekkingen met een (verwachte) duur van ten minste zes maanden enerzijds en op andere dienstbetrekkingen anderzijds. Op deze wijze zal de voortgang van de verplichte inkoop gedurende het inkoopjaar kunnen worden gevolgd. Voor het overige zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij de rapportage-afspraken die het Lisv en Arbeidsvoorziening in de kaderovereenkomst hebben gemaakt. In dit artikel wordt een aantal begrippen omschreven waarnaar in het vervolg van dit besluit zal worden verwezen. Het begrip «arbeidsgehandicapte» wordt in onderdeel a ten opzichte van het begrip zoals dat in artikel 2 van de Wet REA is gedefinieerd voor de toepassing van dit besluit op twee manieren verengd. Ten eerste wordt het begrip beperkt tot die arbeidsgehandicapten, die moeilijk plaatsbaar zijn. Voor makkelijk plaatsbare arbeidsgehandicapten is inkoop van diensten namelijk niet nodig. Zij kunnen een beroep doen op de basisdienstverlening van Arbeidsvoorziening. Zoals in het algemene deel van deze toelichting reeds gesteld, dienen het Lisv en Arbeidsvoorziening het begrip moeilijk plaatsbaar nader te operationaliseren, waarbij aansluiting zou kunnen worden gezocht bij de fase-indeling die in het kader van SWI wordt gehanteerd, met als gevolg dat kan worden ingekocht voor degenen die zijn geïndiceerd voor fase 2 of 3. Daarnaast wordt het begrip beperkt tot die moeilijk plaatsbare arbeidsgehandicapten, voor wie het Lisv op grond van artikel 10 van de Wet REA de reïntegratietaak heeft. Voor 1998 is dit overigens anders in die zin, dat als arbeidsgehandicapte voor de taakstellingen en voor de toepasselijkheid van de door het Lisv en Arbeidsvoorziening vorm te geven leegloopkostenvergoeding (zie artikel 3, eerste lid, onderdeel e), ook moeilijk plaatsbare personen mogen worden meegeteld die op basis van de WAGW tussen 1 januari 1998 en de datum van inwerkingtreding van de Wet REA nieuw door de uvi's bij Arbeidsvoorziening zijn aangemeld voor het opstellen van een bemiddelingsplan, het geschikt maken voor inschakeling in de arbeid of het leveren van bijzondere inspanningen gericht op de arbeidsbemiddeling, met uitzondering van personen met louter een sociale voorziening, een ANW-uitkering, geen werkgever èn geen uitkering, of met een WIW-dienstbetrekking. Dit laatste is neergelegd in artikel 5, eerste lid. Zoals uit onderdeel c kan worden afgeleid, omvat het begrip «diensten» alle werkzaamheden die tot de plaatsing van een moeilijk plaatsbare arbeidsgehandicapte kunnen leiden. Dat wil zeggen: het opstellen van bemiddelingsplannen en de uitvoering ervan, waarbij men de uitvoering zou kunnen onderscheiden in een deel gericht op het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt van betrokkenen (bijvoorbeeld door middel van scholing of sollicitatietraining) en het na intensieve bemiddeling plaatsen van betrokkenen op een vacature (en, eventueel, nazorg). Het is aan het Lisv en Arbeidsvoorziening om de in te kopen diensten nader te operationaliseren, waarbij uiteindelijk steeds per individu na moet worden gegaan welke diensten in het concrete geval het best kunnen worden ingekocht. Het eerste lid stipuleert de algemene verplichting van het Lisv om ieder jaar voor arbeidsgehandicapten diensten in te kopen bij Arbeidsvoorziening en bij derden. Na deze algemene verplichting gaat de rest van het besluit in op de verplichte inkoop bij Arbeidsvoorziening. In het tweede lid is neergelegd, dat het aantal nieuw aan te melden arbeidsgehandicapten voor wie in een bepaald jaar diensten bij Arbeidsvoorziening moeten worden ingekocht in een ministeriële regeling wordt bepaald, tezamen met het totale in dat jaar voor inkoop beschikbare budget. Voor het jaar 1998 zal worden aangesloten bij de aantallen die het Lisv en Arbeidsvoorziening hebben neergelegd in hun intentieverklaring zie paragraaf 4 van het algemene deel van deze toelichting). Merk overigens op, dat het voor een bepaald jaar geldend inkoopbudget niet per se alleen hoeft te worden besteed aan de dienstverlening aan in dat jaar nieuw aan te melden arbeidsgehandicapten. Afhankelijk van de betalingsafpraken die het Lisv en Arbeidsvoorziening met elkaar maken, kan ook besloten worden in het jaar t verleende diensten voor personen die in het jaar t-1 zijn aangemeld, ten laste te laten komen van het budget voor het jaar t. (In ieder geval voor 1998 zal dit het geval zijn.) Betrokkenen worden echter voor het halen van de in de ministeriële regeling neergelegde taakstelling en voor de toepassing van de door partijen op te stellen leegloopkostenregeling, alleen meegeteld voor het jaar t-1. In het tweede lid is daarnaast de mogelijkheid opgenomen, binnen de totale verplichte-inkooptaakstelling onderscheid te maken naar verschillende groepen arbeidsgehandicapten. In de parlementaire stukken bij de Wet REA is aangegeven, dat het met het oog op de wens afroming te voorkomen (in die zin dat binnen de groep moeilijk plaatsbaren vooral de relatief gemakkelijk plaatsbaren worden bediend) wenselijk is dat het Lisv onderscheid maakt naar moeilijkheidsgraad. Indien dit op aanvaardbare wijze gebeurt, zal de Minister van SZW kunnen afzien van een nadere uitsplitsing in de ministeriële regeling. Het Lisv heeft overigens aangegeven er voor 1998 naar te streven het aantal van 40 000 aan te melden arbeidsgehandicapten zo te verdelen, dat er voor 20 000 arbeidsgehandicapten uit fase 2 en voor 20 000 arbeidsgehandicapten uit fase 3 diensten bij Arbeidsvoorziening worden ingekocht. Het inkoopbudget zoals dit ieder jaar zal worden neergelegd in de ministeriële regeling, is een budget dat volledig bestemd is voor vergoedingen aan Arbeidsvoorziening. De uitvoeringskosten die het Lisv en de uvi's maken voor de inkoop (wat betreft de uvi's ook wel het case managerschap genoemd) worden niet ten laste gebracht van het inkoopbudget, maar worden apart uit het Reïntegratiefonds gefinancierd. Dit is geregeld in het derde lid, en in artikel 4, aanhef en onderdeel b. Dit artikel verplicht het Lisv en Arbeidsvoorziening ter nadere uitwerking van dit besluit een overeenkomst te sluiten. Het eerste en tweede lid van artikel 3 geven aan over welke onderwerpen in die overeenkomst in ieder geval afspraken moeten worden gemaakt c.q. wat in ieder geval moet worden geregeld. Zoals in de het algemene deel van deze toelichting is aangegeven, behouden wij ons de mogelijkheid voor bij ministeriële regeling termijnen of een leegloopkostenvergoeding te regelen indien naar onze mening de in de overeenkomst opgenomen afspraken daarover ongewenst zijn. Dit is geregeld in het vierde lid. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt, dat deze ministeriële regeling ook getroffen zal kunnen worden indien de afspraken in de overeenkomst in eerste instantie goed lijken te kunnen werken, maar in de praktijk anders blijken uit te pakken dan bedoeld (en partijen niet uit zichzelf hun overeenkomst aanpassen). Omdat het niet mogelijk is, in een ministeriële regeling van afspraken afwijkende regels te stellen indien de inhoud van die afspraken niet bekend is, is in het derde lid geregeld, dat iedere overeenkomst (en alle wijzigingsovereenkomsten) onmiddellijk na het sluiten daarvan aan Onze Minister worden aangeboden. Het vijfde lid, ten slotte, bevat de verplichting van partijen hun overeenkomst aan te passen op eventuele van die overeenkomst afwijkende bepalingen in de ministeriële regeling. In dit artikel is voor de helderheid met zoveel woorden neergelegd, dat de vergoeding van door Arbeidsvoorziening verrichte diensten en de vergoeding voor leegloop ten laste worden gebracht van het Reïntegratiefonds. Deze kosten zijn namelijk te zien als kosten die verband houden met de uitvoering van artikel 10 van de Wet REA (zie de aanhef van artikel 43, eerste lid, van de Wet REA). Het Lisv dient er als fondsbeheerder voor te zorgen, dat er voldoende gelden in het Reïntegratiefonds aanwezig zijn om deze kosten te financieren. Ook de uitvoeringskosten die het Lisv en de uvi's maken terzake van de inkoop worden ten laste gebracht van het Reïntegratiefonds. Laatstgenoemde uitvoeringskosten maken echter geen deel uit van het ieder jaar in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 2, tweede lid, neer te leggen inkoopbudget. Voor de toelichting op dit artikel wordt verwezen naar paragraaf 3 van de algemene toelichting. Specifiek wat betreft het tweede lid wordt nog het volgende opgemerkt. Dit lid geeft aan dat vergoedingen die voor de inwerkingtredingsdatum van de Wet REA zijn betaald voor in 1998 door Arbeidsvoorziening verrichte of nog te verrichten diensten, ten laste worden gebracht van het verplichte-inkoopbudget. Dit geldt derhalve ook voor bedragen die reeds vóór 1998 aan Arbeidsvoorziening zijn betaald voor in 1998 te verrichten diensten. Het derde lid maakt daar vervolgens weer een uitzondering op voor in 1998 onder verantwoordelijkheid van het Lisv door Arbeidsvoorziening verrichte of nog te verrichten diensten voor arbeidsgehandicapten met louter een sociale voorziening of een ANW-uitkering, dan wel zonder werkgever èn zonder uitkering of met een WIW-dienstbetrekking. Voor deze personen ligt de reïntegratietaak vanaf 1 juli 1998 bij de gemeenten of bij Arbeidsvoorziening. Indien zij echter voor 1 juli 1998 onder verantwoordelijkheid van het Lisv bij Arbeidsvoorziening zijn aangemeld voor trajectbemiddeling, zal het Lisv het traject moeten affinancieren. Dat betekent dat het Lisv voor deze mensen in 1998 nog kosten zal maken. Het wordt wenselijk geacht deze kosten buiten de f 100 mln. verplichte inkoop om te laten financieren. Tegenhanger hiervan is dat deze personen indien zij in het eerste halfjaar van 1998 voor diensten zijn aangemeld, niet meetellen voor het bereiken van het aantal van 40 000 in 1998 aan te melden personen. Dit laatste is geregeld in de tweede zin van het eerste lid. Het vierde lid regelt de fondsbelasting in 1998. Omdat het Reïntegratiefonds pas op de datum van inwerkingtreding van de Wet REA wordt ingesteld, is het niet mogelijk reeds voor deze datum in het kader van de inkoop betaalde vergoedingen ten laste van dit fonds te brengen. Hetzelfde geldt voor de uitvoeringskosten van het Lisv en van de uvi's. Deze kosten zullen derhalve uit het Aof of, daar waar vóór 1998 al gelden voor de dienstverlening in 1998 zijn vooruitbetaald mogelijkerwijs zelfs het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds, worden betaald. Dat doet er niet aan af dat deze kosten – met uitzondering uiteraard van de uitvoeringskosten van het Lisv en de uvi's – «meedoen» wat betreft de uitputting voor het totaal in 1998 geldende verplichte-budget van 100 mln. Slechts de fondsbelasting is wat dit betreft anders dan in de structurele regeling. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. - document.segment-2 Verify source ↗
Besluit van 27 juli 1998, houdende regels omtrent de tijdelijk verplichte inkoop van diensten voor arbeidsgehandicapten bij Arbeidsvoorziening (Besluit tijdelijk verplichte inkoop dienstverlening arbeidsgehandicapten Lisv – Arbeidsvoorziening) — segment 2
AI-assisted research summary: This passage explains that most provisions do not apply retroactively, but Article 5 does backdate to the start of the Wet REA, and the decision will be repealed from a date set by ministerial regulation.
De meeste bepalingen krijgen geen terugwerkende kracht. Enerzijds is dat niet nodig. Immers, zelfs voor de inwerkingtreding van de Wet REA werd al ingekocht als ware de Wet REA in werking (artikel 16 WAGW en de Regeling uitbesteding door uitvoeringsinstellingen staan dit toe), terwijl ook de Wet REA (in combinatie met laatstgenoemde regeling) inkoop bij Arbeidsvoorziening toestaat. Het voorliggende besluit stelt slechts zeker, dat de inkoop ook daadwerkelijk (op een in dit besluit geregelde wijze) geschiedt. Anderzijds is terugwerkende kracht ook gedeeltelijk onmogelijk. Zo kan aan Arbeidsvoorziening bijvoorbeeld niet met terugwerkende kracht het vaststellen van een bemiddelingsplan binnen een bepaalde termijn worden opgelegd. Artikel 5 krijgt echter wel terugwerkende kracht tot en met de datum van inwerkingtreding van de Wet REA. De reden daarvoor is, dat alle vergoedingen voor door Arbeidsvoorziening verleende diensten die nog niet voor de datum van inwerkingtreding van de Wet REA zijn betaald, ten laste dienen te worden gebracht van het Reïntegratiefonds (of het nu gaat om diensten verricht in het kader van voor de inwerkingtredingsdatum van de Wet REA gestarte trajecten of om diensten in het kader van trajecten die pas daarna zijn gestart). Hetzelfde geldt voor de uitvoeringskosten van het Lisv en de uvi's. Het is niet de bedoeling dat er tussen de inwerkingtreding van de Wet REA en de latere inwerkingtreding van dit besluit een periode ligt, ingevolge welke inkoopkosten toch nog ten laste van het Aof komen. Bovendien dienen alle in 1998 nieuw voor diensten bij Arbeidsvoorziening aangemelde (moeilijk plaatsbare) arbeidsgehandicapte klanten (behalve die genoemd in artikel 5, eerste lid, tweede zin) mee te tellen voor het halen van de taakstelling van 40 000. De terugwerkende kracht stelt zeker dat arbeidsgehandicapten, aangemeld tussen de inwerkingtreding van de Wet REA en de eventueel latere inwerkingtreding van dit besluit, ook meetellen als aangemelde cliënten. In de toelichtende stukken op de Wet REA is opgenomen, dat de verplichte inkoop bij Arbeidsvoorziening fasegewijs zal worden afgebouwd. In artikel 14 van de Wet REA is dan ook opgenomen, dat de in dit besluit bedoelde diensten tijdelijk in bepaalde mate aan Arbeidsvoorziening kunnen worden opgedragen. Hoewel de termijn waarover en de mate waarin zal worden afgebouwd op dit moment nog niet bekend zijn, is derhalve duidelijk dat het voorliggende besluit moet worden ingetrokken. Daarom wordt het besluit op grond van artikel 6 ingetrokken met ingang van een bij ministeriële regeling te bepalen datum.
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Besluit van 27 juli 1998, houdende regels omtrent de tijdelijk verplichte inkoop van diensten voor arbeidsgehandicapten bij Arbeidsvoorziening (Besluit tijdelijk verplichte inkoop dienstverlening arbeidsgehandicapten Lisv – Arbeidsvoorziening)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in