Besluit van 5 februari 1998, houdende wijziging van het Besluit inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten
Gemeenten moeten periodiek opgave doen en gegevens aan de minister leveren over afgesproken diensten en uitgaven; de minister kan de verdeelsleutel en modellen via ministeriële regeling vaststellen of herzien.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 11 Jul 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Besluit van 5 februari 1998, houdende wijziging van het Besluit inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Besluit van 5 februari 1998, houdende wijziging van het Besluit inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten
AI-assisted research summary: Gemeenten moeten periodiek opgave doen en gegevens aan de minister leveren over afgesproken diensten en uitgaven; de minister kan de verdeelsleutel en modellen via ministeriële regeling vaststellen of herzien.
Staatsblad Besluit van 5 februari 1998, houdende wijziging van het Besluit inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 9 december 1997, nr. AM/ARV/97/2605; Gelet op de artikelen 132 en 137a, eerste en derde lid, van de Algemene bijstandswet, de artikelen 54 en 59a, eerste en derde lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 54 en 59a, eerste en derde lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; De Raad van State gehoord (advies van 17 december 1997, No. W12.97.0785); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 februari 1998, Directie Arbeidsmarkt, Nr. AM/ARV/98/162; Het Besluit inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten wordt gewijzigd als volgt: Artikel 3 komt te luiden: Onze Minister verstrekt aan een door hem aangewezen gemeente een uitkering voor de vergoedingen, waartoe het gemeentebestuur zich in een kalenderjaar bij de uitvoering van artikel 111, eerste lid, van de Abw en de artikelen 34, eerste lid, van de Ioaw en de Ioaz jegens de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in een schriftelijke overeenkomst heeft verplicht, voor door deze organisatie verleende diensten gericht op het geschikt maken voor inschakeling in de arbeid, in het bijzonder door scholing, en voor bijzondere inspanningen voor de arbeidsbemiddeling, van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden. De diensten en inspanningen, bedoeld in het eerste lid, worden verleend binnen drie jaar na het kalenderjaar van aangaan van de overeenkomst. Burgemeester en wethouders doen vóór 1 april van het kalenderjaar opgave van het bedrag waarvoor de in het eerste lid bedoelde diensten en inspanningen zijn overeengekomen. Deze opgave wordt ingericht volgens een bij ministeriële regeling vast te stellen model. Voor het kalenderjaar 1997 is het voor uitkeringen beschikbare bedrag 45 miljoen gulden, en vervolgens voor ieder kalenderjaar een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag. Bij ministeriële regeling wordt bepaald op welke wijze de maximale uitkering per aangewezen gemeente wordt vastgesteld op basis van het voor uitkeringen beschikbare bedrag aan de hand van de aantallen uitkeringsgerechtigden in de aangewezen gemeenten op een bepaalde peildatum. Bij de toepassing van het vijfde lid worden de aantallen uitkeringsgerechtigden in de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht bij elkaar opgeteld. Vervolgens wordt de maximale uitkering aan de onderscheidenlijke gemeenten bepaald door toepassing van de verdeelsleutel 37,5 : 28,5 : 22 : 12. Op gezamenlijk verzoek van de in het zesde lid genoemde gemeenten kan Onze Minister de in dat lid opgenomen verdeelsleutel herzien. De uitkering aan de gemeente is gelijk aan het in het derde lid bedoelde bedrag, voorzover het in het vijfde en zesde lid bedoelde maximum niet wordt overschreden. In artikel 4 wordt de zinsnede «artikel 3, tweede lid» vervangen door: artikel 3, derde lid. Artikel 4a wordt als volgt gewijzigd: In het eerste lid wordt de zinsnede «artikel 3, derde lid» vervangen door: artikel 3, vierde lid. Het tweede lid komt te luiden: Artikel 3, eerste en vijfde lid, zijn van toepassing. Artikel 5 komt te luiden: Burgemeester en wethouders doen vóór 20 september 1999, en vervolgens vóór 20 september van ieder kalenderjaar, aan Onze Minister opgave van: a. de met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in het aan dat kalenderjaar voorafgaande jaar gesloten overeenkomsten en de daarmee verband houdende uitgaven en ontvangsten; b. de uitgaven en ontvangsten verband houdende met de uitkering over uiterlijk de vijf aan dat kalenderjaar voorafgaande jaren. De jaaropgave, bedoeld in het eerste lid, is ingericht overeenkomstig een bij ministerële regeling vast te stellen model en wordt voorzien van een verklaring van een deskundige, belast met de in artikel 213 van de Gemeentewet voorgeschreven controle omtrent de juistheid van gegevens. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld inzake de in het tweede lid bedoelde verklaring en het onderzoek dat resulteert in deze verklaring. Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd: In onderdeel a wordt de zinsnede «artikel 3, derde lid» vervangen door: artikel 3, vijfde lid. In onderdeel b wordt de zinsnede «de artikelen 3, zesde lid, en 4» vervangen door: de artikelen 3, achtste lid, en 4. Aan artikel 8 wordt een vierde lid toegevoegd, luidende: Burgemeester en wethouders verstrekken Onze Minister inlichtingen en gegevens voor de beleidsvorming met betrekking tot de uitvoering van dit besluit volgens een bij ministeriële regeling vast te stellen model. In artikel 9 wordt onder verlettering van de onderdelen b en c tot c en d een nieuw onderdeel b ingevoegd, luidende: b. niet is voldaan aan artikel 3, tweede lid; Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1998. Stb. 1997, 48, gewijzigd bij besluit van 24 september 1997, Stb. 443. Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State). NOTA VAN TOELICHTING Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten verstrekt Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan een door hem aangewezen gemeente een uitkering voor de vergoedingen, waartoe het gemeentebestuur zich in een kalenderjaar bij de uitvoering van artikel 111, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) en de artikelen 34, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) jegens de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in een schriftelijke overeenkomst heeft verplicht, voor door deze organisatie verleende diensten gericht op het geschikt maken voor inschakeling in de arbeid, in het bijzonder door scholing, en voor bijzondere inspanningen voor de arbeidsbemiddeling, van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden. Voor het kalenderjaar 1997 is aan de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Groningen, Nijmegen, Arnhem, Almelo, Deventer, Enschede, Tilburg, Breda, Eindhoven, Leeuwarden, Maastricht, Hengelo (O), 's-Hertogenbosch, Helmond, Zwolle, Dordrecht, Haarlem, Heerlen, Leiden, Schiedam en Venlo een bedrag beschikbaar gesteld in het kader van het grote-stedenbeleid. In de Begroting 1998 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Kamerstukken II, 1997–1998, 25 600, hoofdstuk XV, nr. 2) is aangegeven dat, in aanvulling op de in het kader van het grote-stedenbeleid ter beschikking gestelde middelen, het budget voor inkoop van diensten bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie met ingang van 1998 structureel wordt uitgebreid met een extra, jaarlijks budget van 50 miljoen gulden. Doelgroep van dit extra budget zijn gemeenten met een groot aantal bijstandsgerechtigden. Het onderhavige besluit strekt ertoe wijzigingen in de verdeling van de beschikbare middelen naar aanleiding van de toevoeging van het extra bedrag voor de doelgroep van gemeenten met een groot aantal uitkeringsgerechtigden met ingang van 1 januari 1998 mogelijk te maken en wel zodanig, dat binnen de totale doelgroep een deelverzameling van gemeenten een nader accent kan krijgen. Daarnaast worden in het kader van de informatievoorziening van gemeenten aan het rijk nadere regelen gesteld ten aanzien van door de gemeenten aan het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te leveren gegevens. Als laatste wordt in het besluit aangegeven dat nadere regels worden gesteld ten aanzien van termijnen, waarbinnen de bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie ingekochte diensten moeten zijn verleend, en de uiterste termijn, waarbinnen hierover financiële verantwoording aan het rijk moet zijn afgelegd. De wettelijke basis voor dit laatste is gelegen in de wijziging daartoe van de artikelen 137a van de Abw, 59a van de Ioaw en 59a van de Ioaz. Vanuit de filosofie dat de beste wijze van armoedebestrijding het vergroten van de mogelijkheden op betaald werk is, is aangekondigd dat in 1998 voor gemeenten met een groot aantal bijstandsgerechtigden 50 miljoen gulden extra aan het beschikbare inkoopbudget wordt toegevoegd. De in aanmerking komende gemeenten kunnen met die extra middelen meer diensten inkopen bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, wat de kans op uitstroom uit de uitkering voor een groter aantal uitkeringsgerechtigden doet toenemen. Tot 1998 wordt het inkoopbudget ter beschikking gesteld van de gemeenten, inmiddels 25 in aantal, waar het grote-stedenbeleid op van toepassing is. Aangezien nu meer middelen beschikbaar zijn is het mogelijk een groter aantal gemeenten middelen voor inkoop bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te verschaffen. Dit sluit enerzijds aan bij de wens van veel gemeenten om ook in aanmerking te komen voor middelen ten behoeve van inkoop en anderzijds bij de door de regering uitgezette lijn van uitbreiding van het inkoopmodel. Meer gemeenten ervaring op laten doen met het inkoopmodel sluit ook aan op het regeringsbeleid, dat succesvolle maatregelen in het kader van het grote-stedenbeleid zo mogelijk ook ingezet zouden moeten worden bij overige gemeenten. Wel dient hierbij in het oog te worden gehouden dat een al te grote versnippering van het beschikbare bedrag, door verdeling over bijvoorbeeld alle gemeenten, de effectiviteit van de beschikbare inkoopmiddelen negatief beïnvloedt. Per gemeente zou dan een dermate gering bedrag beschikbaar zijn, dat hiervan nauwelijks meer positieve impulsen voor moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden mogen worden verwacht. Voor de vaststelling welke gemeenten in aanmerking komen voor het extra inkoopbudget is het streven een zo groot mogelijke uitkeringspopulatie te bereiken, zonder dat dit tot versnippering mag leiden. Voor de omvang van de uitkeringspopulatie wordt uitgegaan van het aantal Abw-gerechtigden jonger dan 65 jaar plus het aantal uitkeringsgerechtigden Ioaw en Ioaz in een gemeente. Als concreet criterium zal voor 1998 gekozen worden voor gemeenten met een hiervoor beschreven populatie van meer dan 900. Daarmee wordt immers driekwart van de populatie bestreken, zonder dat sprake is van versnippering. Met deze selectie van gemeenten heeft tevens ieder Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (RBA) in meer of mindere mate gemeenten in zijn regio, die contracten in het kader van de inkoopregeling afsluiten. Hiermee wordt het mogelijk dat alle regio's van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie ervaring met deze inkoopconstructie kunnen opdoen. Door middel van het voorlopig nog handhaven van de verplichte winkelnering bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie kunnen zij zich positioneren op deze markt en zich voorbereiden op een situatie met vrije winkelnering in de toekomst. Toepassing van dit criterium leidt ertoe dat de volgende gemeenten in aanmerking komen voor het extra inkoopbudget ad f 50 mln: Alkmaar, Almelo, Almere, Alphen aan den Rijn, Amersfoort, Amstelveen, Amsterdam, Apeldoorn, Arnhem, Assen, Bergen op Zoom, Breda, Brunssum, Capelle aan den IJssel, Delft, Delfzijl, Den Haag, Den Helder, Deventer, Doetinchem, Dordrecht, Ede, Eindhoven, Emmen, Enschede, Geleen, Gorinchem, Gouda, Groningen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemskerk, Heerenveen, Heerlen, Hellevoetsluis, Helmond, Hengelo (O), 's-Hertogenbosch, Hilversum, Hoogeveen, Hoogezand-Sappemeer, Hoorn, Kerkrade, Landgraaf, Leeuwarden, Leiden, Lelystad, Maassluis, Maastricht, Middelburg, Nieuwegein, Nijmegen, Noordoostpolder, Oosterhout, Oss, Purmerend, Rheden, Ridderkerk, Rijswijk (Z-H), Roermond, Roosendaal, Rotterdam, Schiedam, Sittard, Smallingerland, Sneek, Spijkenisse, Stadskanaal, Terneuzen, Tiel, Tilburg, Utrecht, Veenendaal, Velsen, Venlo, Vlaardingen, Vlissingen, Waalwijk, Wageningen, Weert, Zaanstad, Zeist, Zoetermeer, Zutphen, Zwijndrecht en Zwolle. Om gestalte te geven aan uitstroombeleid is het nodig dat gemeenten voor een langere periode inkoopgelden kunnen verwachten. Alleen indien na verloop van tijd de feitelijke ontwikkeling van de aantallen uitkeringsgerechtigden in aanmerkelijke mate gaat afwijken van de stand op de oorspronkelijke peildatum kan hernieuwde aanwijzing van gemeenten aan de orde zijn. De regering wil om beleidsmatige redenen binnen de totale groep van inkoopgemeenten de gemeenten, behorend tot de doelgroep van het grote-stedenbeleid nader kunnen accentueren. Zij – oorspronkelijk 19 in getal, in de loop van 1997 uitgebreid tot 25 – kregen op grond van de inkoopregelgeving in 1996 en 1997 de beschikking over een inkoopbudget. Met dat beleid wordt beoogd extra impulsen te geven aan die gemeenten in verband met de daar aanwezige complexe en onderling verweven economische en sociale problematiek. Ondanks de uitbreiding van het aantal gemeenten dat in aanmerking komt voor het inkoopbudget blijft een nadere accentuering van deze gemeenten binnen het inkoopbeleid gewenst; de noodzaak tot extra aandacht ten behoeve van het instandhouden van de sociale cohesie en het versterken van het sociale en economische fundament blijft immers aanwezig. Dit leidt tot het uitgangspunt dat de steden van het grote-stedenbeleid, behalve dat zij naar rato meedelen in de structurele beleidsintensivering van 50 miljoen gulden extra, daarnaast ter accentuering van hun positie binnen de gemeenten de reeds voor hen geraamde middelen ad 55,5 mln zullen blijven behouden. Om deze reden is artikel 3 gewijzigd. Op basis van het vijfde lid kunnen bij ministeriële regeling de beleidsmatig noodzakelijk geachte accenten, in de vorm van gedifferentieerde bijdragen, worden gelegd. Voor de verdeling van de gelden binnen de groepen gemeenten, wordt dezelfde verdeelsleutel gebruikt. Dat wil zeggen, het relatieve aandeel in de populatie Abw-gerechtigden jonger dan 65 jaar plus het aantal uitkeringsgerechtigden Ioaw en Ioaz. Met dien verstande dat voor specifieke gemeenten binnen de afzonderlijke groepen specifieke verdeelsleutels mogelijk zijn. Concreet betekent dit, dat de specifieke verdeelsleutel voor de vier steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht onderling, zoals reeds eerder toegepast en gebaseerd op afspraken in het grote-stedenbeleid, blijft gelden. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) bepleit een verruiming van de doelgroep van dit besluit naar alle uitkeringsgerechtigden en de doelgroep van de Wet inschakelijking werkzoekenden (Wiw). Daarmee kan haars inziens het inkoopbudget eenvoudiger en flexibeler worden ingezet in samenhang met andere lokale en regionale budgetten. De regering acht uitbreiding naar alle uitkeringsgerechtigden niet in lijn met het doel van het inkoopbudget. Dit budget is naar analogie van de doelgroep van de prestatiebijdrage van het Rijk aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, namelijk de moeilijk plaatsbaren, bedoeld voor de moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden. Ook zou uitbreiding van het beperkte inkoopbudget tot alle uitkeringsgerechtigden leiden tot versnippering van gelden. Voorts is in de toelichting op het Besluit inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten, van 10 januari 1997 (Staatsblad 1997, 48) aangegeven dat op termijn de wenselijkheid om dit besluit in de Wiw op te laten gaan aan de orde zal zijn, waarbij sprake is van een bredere doelgroep. Het moment voor deze afweging is thans nog niet aangebroken, aangezien de Wiw net op 1 januari jl. in werking is getreden. De werking daarvan in relatie tot het prestatiebudget van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en het gemeentelijke inkoopbudget kan nog niet overzien worden. Ten aanzien van doelgroepen dient er aandacht te zijn voor een bijzondere groep moeilijk plaatsbaren: nieuwkomers die een inburgeringsprogramma volgen of recentelijk hebben gevolgd. De inspanningen die in het kader van inburgering voor en door nieuwkomers zijn geleverd, zullen pas werkelijk tot integratie in de samenleving leiden als er, voor diegenen die direct beschikbaar zijn voor arbeid, aansluitend op of in combinatie met het inburgeringsprogramma een traject gericht op toeleiding naar arbeid kan worden gevolgd. Het is daarom van belang om bij de besteding van inkoopmiddelen in het bijzonder aandacht te besteden aan de nieuwkomers onder de moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden. Daartoe zal bestuurlijk overleg tussen VNG, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en het Rijk gevoerd worden om tot concrete afspraken te komen over de inzet van middelen, waaronder die van inkoop, voor nieuwkomers. Voorts heeft de VNG de wens geuit om de extra gelden ad 50 mln niet te oormerken richting de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, aangezien volgens haar in het kader van het project Samenwerking, Werk en Inkomen de bestaande oormerking zal worden afgebouwd. De uitbreiding van inkoop moet geleidelijk en gefaseerd worden uitgevoerd. In de huidige fase is uitbreiding van het aantal gemeenten aan de orde. Wanneer er vrije winkelnering komt, en in welke mate, zal bezien worden mede op basis van de meerjarige evaluatie van de praktijkresultaten in het huidige inkoopmodel. Het inkoopmodel zal gefaseerd worden ingevoerd en uitgebreid, waarbij ook vrije winkelnering aan de orde komt. Met ingang van 1998 wordt de werkingssfeer van de inkoopregeling uitgebreid van 25 gemeenten naar 86 gemeenten. Dit impliceert dat ten behoeve van de verdere implementatie en uitwerking de ontwikkelingen nauwlettend zullen moeten worden gevolgd. Deels gebeurt dit door het longitudinale evaluatie-onderzoek, dat in 1996 is gestart. Dit onderzoek heeft echter betrekking op een deel van de bij de inkoopregeling betrokken gemeenten en loopt volgens de planning af in 1999. Ten behoeve van blijvende, goede beleidsinformatie is het ook noodzakelijk dat er enige uniformering wordt aangebracht ten aanzien van de informatie die door alle betrokken gemeenten aan het rijk wordt aangeleverd. Een dergelijke aanpak maakt het mogelijk op een aantal relevante variabelen de ontwikkelingen van het inkoopmodel in de praktijk te volgen en mede aan de hand daarvan de verdere implementatie vorm te geven. Qua variabelen moet onder meer gedacht worden aan de mate waarin trajecten daadwerkelijk leiden tot plaatsing op zowel reguliere als bijzondere arbeidsplaatsen. Op grond van het vierde lid van artikel 8 kan de minister een model vaststellen terzake van de door hem gewenste inlichtingen en gegevens die hij met betrekking tot de uitvoering van dit besluit behoeft. De grondslag wordt gevormd door artikel 132 van de Abw, artikel 54 van de Ioaw en artikel 54 van de Ioaz. Door middel van de wijziging van de artikelen 137a van de Abw, 59a van de Ioaw en 59a van de Ioaz is het mogelijk gemaakt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur termijnen kunnen worden gesteld waarbinnen de diensten en de bijzondere inspanningen, die door de betrokken gemeente bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie worden ingekocht, moeten zijn verleend. Doelstelling van de inkoopregeling is dat door middel van het inkopen van deze diensten en bijzondere inspanningen bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de mogelijkheden tot toeleiding van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden naar de arbeidsmarkt worden vergroot. Naast het gegeven dat er op grond hiervan een direct verband moet bestaan tussen genoemde doelstelling van de regeling en de te leveren diensten, zal er daarom ook sprake moeten zijn van een overzienbare termijn tussen de door de gemeente en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie afgesproken diensten en de feitelijke levering en afronding daarvan. Het zal immers moeten gaan om diensten die het concrete uitzicht van de moeilijk plaatsbare op een plaats in het arbeidsproces dichterbij brengt; dit verdraagt zich slecht met een te lange afwikkeling van de gemaakte afspraken. In het verlengde van het voorgaande is tevens onderkend dat het ten behoeve van een beheersbare financiële verantwoording en afwikkeling van de jaarlijkse uitkering aan de gemeenten wenselijk is een meer omlijnd regime voor de financiële afwikkeling tot stand te brengen. Hiertoe wordt bij lagere regelgeving een horizon aangebracht aan de duur van de uitvoering van de contractueel ingekochte dienstverlening en aan de financiële verantwoording daarover. Zonder een dergelijke horizon in de tijd zou het jaren kunnen duren voordat een budgetjaar verantwoord en afgesloten wordt. Een dergelijke onoverzichtelijkheid is ongewenst. De systematiek werkt als volgt. De uitvoering van contracten, afgesloten in het jaar t, mag doorlopen tot en met uiterlijk het jaar t + 3. Met ingang van het jaar t + 1 wordt jaarlijks verantwoording afgelegd over het voorafgaande jaar middels de jaaropgave. De laatste verantwoording over het jaar t dient uiterlijk plaats te vinden in de jaaropgave over het jaar t + 4, die in het jaar t + 5 wordt gedaan. Hiermee hebben de gemeenten de mogelijkheid om de financiële afwikkeling van de uitvoering van het contract met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie uiterlijk in het jaar t + 4 af te ronden. Op deze wijze wordt enerzijds recht gedaan aan het feit dat de te leveren dienstverlening enige tijd in beslag zal kunnen nemen, aangezien het hier gaat om het verbeteren van de kwalificaties van moeilijk plaatsbare uitkeringsgerechtigden, terwijl anderzijds het doel van de regeling, uiteindelijke plaatsing van betrokkene op de arbeidsmarkt, niet uit het oog wordt verloren. De regeling richt zich tot de gemeenten; daarmee bestaat immers de uitkeringsrelatie. Er wordt derhalve niets geregeld ten aanzien van de (financiële) verantwoording van de contractuele verplichtingen van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie aan de gemeente. Het spreekt echter voor zich dat de gemeenten zich jegens de Arbeidsvoorzieningsorganisatie moeten verzekeren van een tijdige uitvoering en verantwoording van de te leveren dienstverlening, die voortvloeit uit de afgesloten contracten. Bij een niet tijdige uitvoering en verantwoording kan gehele of gedeeltelijke terugvordering van de door het rijk verstrekte uitkering plaatsvinden. Een en ander is geregeld in de artikelen 3, tweede lid (de overeenkomst terzake van de in het eerste lid genoemde diensten dient binnen drie jaar na het aangaan daarvan te worden uitgevoerd) en 5, eerste lid, onderdeel b (burgemeester en wethouders dienen uiterlijk binnen vijf jaar na het aangaan van de overeenkomst bedoeld in artikel 3, eerste lid, opgave te doen van de uitgaven en ontvangsten verband houdende met de uitkering).
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Besluit van 5 februari 1998, houdende wijziging van het Besluit inkoop dienstverlening Arbeidsvoorzieningsorganisatie door gemeenten
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in