Wet van 11 maart 2010 tot aanpassing van een aantal wetten aan de Wet veiligheidsregio’s en enkele wijzigingen in de Wet veiligheidsregio’s (Aanpassingswet veiligheidsregio’s)
This section gives emergency and inspection-related powers, duties, penalties, and rule-making authority linked to the veiligheidsregio framework.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 30 Jun 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 11 maart 2010 tot aanpassing van een aantal wetten aan de Wet veiligheidsregio’s en enkele wijzigingen in de Wet veiligheidsregio’s (Aanpassingswet veiligheidsregio’s)
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Wet van 11 maart 2010 tot aanpassing van een aantal wetten aan de Wet veiligheidsregio’s en enkele wijzigingen in de Wet veiligheidsregio’s (Aanpassingswet veiligheidsregio’s)
AI-assisted research summary: This section gives emergency and inspection-related powers, duties, penalties, and rule-making authority linked to the veiligheidsregio framework.
Staatsblad Wet van 11 maart 2010 tot aanpassing van een aantal wetten aan de Wet veiligheidsregio’s en enkele wijzigingen in de Wet veiligheidsregio’s (Aanpassingswet veiligheidsregio’s) Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: MINISTERIE VAN JUSTITIE A B A B MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES A B C D A B 5. De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, bedoeld in artikel 57 van de Wet veiligheidsregio’s, is belast met de werkzaamheden die in het kader van het eerste en het vierde lid worden uitgevoerd. C 3. De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, bedoeld in artikel 57 van de Wet veiligheidsregio’s, is belast met de werkzaamheden die in het kader van het eerste en het tweede lid worden uitgevoerd. A B A B C D 1. In artikel 10 van de Wet van 18 juli 2009 tot herindeling van de gemeenten Horst aan de Maas, Meerlo-Wanssum, Sevenum en Venray (Stb. 2009, 338), artikel 8 van de Wet van 18 juli 2009 tot samenvoeging van de gemeenten Reiderland, Scheemda en Winschoten (Stb. 2009, 339), artikel 8 van de Wet van 18 juli 2009 tot samenvoeging van de gemeenten Helden, Kessel, Maasbree en Meijel (Stb. 2009, 340), artikel 8 van de Wet van 18 juli 2009 tot samenvoeging van de gemeenten Arcen en Velden en Venlo en een deel van het grondgebied van de gemeente Bergen Lb (Stb. 2009, 341) en artikel 8 van de Wet van 18 juli 2009 tot samenvoeging van de gemeenten Moordrecht, Nieuwerkerk aan den IJssel en Zevenhuizen-Moerkapelle (Stb. 2009, 342) wordt «in de bijlage, genoemd in artikel 7 van de Wet veiligheidsregio’s» telkens vervangen door: in de bijlage, genoemd in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s. 2. Indien het bij koninklijke boodschap van 21 januari 2009 ingediende voorstel van wet tot samenvoeging van de gemeenten Abcoude, Breukelen, De Ronde Venen en Loenen (31 840), na tot wet te zijn verheven, in werking treedt, wordt in artikel 8 van die wet «in de bijlage, genoemd in artikel 7 van de Wet veiligheidsregio’s» telkens vervangen door: in de bijlage, genoemd in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s. 3. Indien het bij koninklijke boodschap van 7 april 2009 voorstel van wet tot herindeling van de gemeenten Rotterdam en Rozenburg (31 916), na tot wet te zijn verheven, in werking treedt, wordt in artikel 9 van die wet telkens «in de bijlage, genoemd in artikel 7 van de Wet veiligheidsregio’s» telkens vervangen door: in de bijlage, genoemd in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s. A Aa 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke ruimten, niet zijnde bouwwerken, en worden regels gesteld over de basishulpverlening in die ruimten. Ab 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de informatievoorziening, bedoeld in het eerste en tweede lid. B C D de artikelen 4 tot en met 7 van deze wet; de artikelen 172 tot en met 177 van de Gemeentewet, met uitzondering van artikel 176, derde tot en met zesde lid; de artikelen 12, 15, eerste lid, 54, eerste lid, 57, eerste lid en 60b, eerste lid, van de Politiewet 1993; de artikelen 5 tot en met 9 van de Wet openbare manifestaties. Da Db 5. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de informatievoorziening, bedoeld in het tweede en derde lid. Dc 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de informatievoorziening, bedoeld in het eerste en tweede lid. E F Fa de werkzaamheden die in het kader van artikel 53a, eerste lid, van de Politiewet 1993 worden uitgevoerd; het toezicht op de kwaliteit van de opleidingen, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs. 2. De inspectie is onder gezag van Onze Minister van Justitie belast met de werkzaamheden die in het kader van artikel 53a, vierde lid, van de Politiewet 1993 worden uitgevoerd. 3. De inspectie is onder gezag van Onze Minister en Onze Minister van Justitie gezamenlijk belast met het toezicht op de kwaliteit van de opleidingen, bedoeld in artikel 32, tweede lid, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijs. 4. Het hoofd van de inspectie wordt aangewezen door Onze Minister na overleg met Onze Minister van Justitie. De overige ambtenaren van de inspectie worden aangewezen door Onze Minister. 5. De artikelen 5:12 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaren van de inspectie. Fb Fc Fd 1. Overtreding van de regels, gesteld krachtens artikel 3, tweede en derde lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. 2. De raad van een gemeente kan bij verordening bepalen dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd voor overtreding van de regels, gesteld krachtens artikel 3, tweede en derde lid. De boete is niet hoger dan het bedrag, genoemd in de Arbeidsomstandighedenwet artikel 34, vierde lid, onder 1°. 3. Overtreding van het bij of krachtens artikel 30 bepaalde wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. 7. De in het eerste en vierde lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. G het verwerven, beheren en aan de veiligheidsregio’s en aan de gemeenten met een gemeentelijke brandweer zo nodig ter beschikking stellen van materieel, uitrusting en telecommunicatievoorzieningen. H Naast de taken, bedoeld in artikel 66, tweede lid, heeft het instituut tot taak het verwerven, beheren en zo nodig aan de politie ter beschikking stellen van bijzonder materieel en bijzondere uitrusting ten behoeve van de uitvoering van de politietaak. I K L MINISTERIE VAN DEFENSIE MINISTERIE VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER A B De voorbereiding door het bestuur van de veiligheidsregio van de bestrijding van ongevallen met categorie A-objecten en categorie B-objecten geschiedt overeenkomstig paragraaf 3 van de Wet veiligheidsregio’s. Bij de voorbereiding houdt het bestuur van de veiligheidsregio rekening met de, overeenkomstig artikel 40, eerste lid, tot stand gekomen afspraken. C D E F G H I J A B MINISTERIE VAN VERKEER EN WATERSTAAT A B 8. Na de instemming, bedoeld in het zevende lid, wordt de havenveiligheidsbeoordeling ter kennisgeving gezonden aan het bestuur van de veiligheidsregio. C 5. Het bestuur van de veiligheidsregio wordt in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven over een ontwerp van het havenveiligheidsplan of een wijziging van dat plan, voor zover dat van belang is in verband met het crisisplan, bedoeld in artikel 16 van de Wet veiligheidsregio’s. D 3. Met het oog op de afstemming met het crisisplan, bedoeld in artikel 16 van de Wet veiligheidsregio’s, wordt het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven over een ontwerp van een plan als bedoeld in het eerste lid of een wijziging van dat plan. Behoeft de voorzitter van een veiligheidsregio, in geval van een ramp of crisis, bijstand van de Gemeenschappelijk Nautische Autoriteit, genoemd in artikel 6 van het Verdrag inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer, dan dient hij een daartoe strekkend verzoek in bij Onze Minister. Onze Minister geleidt dit verzoek door aan de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit. A B A een beschrijving van het moment en de wijze van het door de beheerder informeren van burgemeesters en wethouders van de gemeenten, dan wel, in een situatie als bedoeld in artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s, de voorzitters van de veiligheidsregio’s waarbinnen de waterstaatswerken zijn gelegen; B A de raadpleging van de in artikel 4.6, eerste lid, bedoelde beheerders alsmede gedeputeerde staten van de provincies en de besturen van de veiligheidsregio’s waarbinnen de watersystemen of onderdelen daarvan zijn gelegen, alsmede de ten aanzien van grensvormende of grensoverschrijdende wateren bevoegde Belgische, Duitse of Britse autoriteiten;. B C A 3. Met het oog op de afstemming met het crisisplan als bedoeld in artikel 16 van de Wet veiligheidsregio’s, zenden provinciale staten een ontwerp van hun besluit aan de besturen van veiligheidsregio’s. B 4. Met het oog op de afstemming met het crisisplan, bedoeld in artikel 16 van de Wet veiligheidsregio’s, zendt de gemeenteraad een ontwerp van zijn besluit aan het bestuur van de veiligheidsregio. MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID een ramp of een crisis als bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s;. MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT A B 2. De centrale posten zijn werkzaam voor de regio’s, bedoeld in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s. C D A meldkamer: meldkamer voor de ambulancezorg, onderdeel van de meldkamer, bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s. veiligheidsregio: veiligheidsregio als bedoeld in artikel 8 van de Wet veiligheidsregio’s. B C de uitvoering van de taken in het kader van de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen, rampen en crises. 3. Voor zover de eisen, bedoeld in het eerste lid, betrekking hebben op de meldkamer stelt Onze Minister deze vast overeenkomstig de eisen die de besturen van de veiligheidsregio’s hebben vastgesteld op grond van artikel 35, vierde lid, van de Wet veiligheidsregio’s D E A B C D 4. Het bestuur van de veiligheidsregio stelt de eisen vast waaraan de Regionale Ambulancevoorziening met betrekking tot de meldkamer voor de daadwerkelijke ambulancezorg moet voldoen, en brengt deze ter kennis van Onze minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Die eisen hebben betrekking op de locatie, het beleid en beheer, de financiën, de prestaties, de ondersteunende systemen, de voorbereiding op en het daadwerkelijk optreden bij ongevallen, rampen en crises en de samenwerking van ambulancezorg met brandweer, geneeskundige hulpverlening en politie in de meldkamer. E A voorzitter van de veiligheidsregio: de voorzitter van het bestuur van de veiligheidsregio, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s. B 3. De voorzitter van de veiligheidsregio draagt zorg voor de bestrijding van een epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A, of een directe dreiging daarvan, en is dan ten behoeve van deze bestrijding bij uitsluiting bevoegd om toepassing te geven aan de artikelen 34, vierde lid, 47, 51, 54, 55 of 56. C 1. In de situatie, bedoeld in artikel 6, derde lid, geeft Onze Minister leiding aan de bestrijding en kan Onze Minister de voorzitter van de veiligheidsregio opdragen hoe de bestrijding ter hand te nemen, waaronder begrepen het opdragen tot het toepassen van de maatregelen, bedoeld in hoofdstuk V. 2. In afwijking van artikel 6, tweede lid, geeft Onze Minister leiding aan de bestrijding van een infectieziekte behorend tot groep B1 of B2, indien de burgemeester van een gemeente die het aangaat daartoe verzoekt. Onze Minister kan dan de burgemeester opdragen hoe de bestrijding ter hand te nemen, waaronder begrepen het opdragen tot het toepassen van de maatregelen, bedoeld in hoofdstuk V. 3. Onze Minister kan de burgemeester opdragen om, ter uitvoering van de aanbevelingen, bedoeld in de artikelen 15 en 16 van de Internationale Gezondheidsregeling, toepassing te geven aan de maatregelen, bedoeld in de artikelen 51, 54 en 55, alsook om de maatregelen, bedoeld in artikel 22a van de Wet op de lijkbezorging, toe te passen. 4. Voordat toepassing wordt gegeven aan het eerste, tweede of derde lid, voert Onze Minister een bestuurlijk afstemmingsoverleg waarbij in ieder geval Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en de veiligheidsregio’s of gemeenten die het aangaat, worden betrokken. 5. Zodra toepassing wordt gegeven aan het eerste of tweede lid, informeert Onze Minister de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 6. Indien toepassing wordt gegeven aan het eerste, tweede of derde lid, verstrekt de voorzitter van de veiligheidsregio of de burgemeester aan Onze Minister, indien deze daarom verzoekt, de gegevens die Onze Minister nodig heeft ter uitoefening van die taak. D E F G 1. De gemeentelijke gezondheidsdienst geeft de ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onverwijld door aan de voorzitter van de veiligheidsregio en de burgemeester van de gemeente waarin de betrokken persoon zijn woon- of verblijfplaats heeft. 2. De gemeentelijke gezondheidsdienst geeft de ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 21, eerste lid, onverwijld door aan de burgemeester van de gemeente waarin de betrokken persoon zijn woon- of verblijfplaats heeft. H 1. De voorzitter van de veiligheidsregio kan een persoon onverwijld ter isolatie in een ziekenhuis doen opnemen, indien: de betrokkene lijdt aan een infectieziekte behorend tot groep A, dan wel de voorzitter van de veiligheidsregio gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de betrokkene daaraan lijdt, ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat door verspreiding van die infectieziekte, dit gevaar niet op andere wijze effectief kan worden afgewend, en de betrokkene niet tot opneming ter isolatie bereid is. 2. De burgemeester kan een persoon onverwijld ter isolatie in een ziekenhuis doen opnemen, indien: ten aanzien van de betrokkene de melding ingevolge artikel 22, derde lid, heeft plaatsgevonden, of de betrokkene lijdt aan een infectieziekte behorend tot groep B1, ernstig gevaar voor de volksgezondheid bestaat door verspreiding van die infectieziekte, dit gevaar niet op andere wijze effectief kan worden afgewend, en de betrokkene niet tot opneming ter isolatie bereid is. 3. De voorzitter van de veiligheidsregio dan wel de burgemeester kan een ter isolatie opgenomen persoon door een arts doen onderzoeken, indien: ten gevolge van de infectieziekte onmiddellijk gevaar dreigt voor de gezondheid van derden, de aard en de omvang van dit gevaar niet op andere wijze dan door onderzoek kunnen worden vastgesteld, de uitkomst van het onderzoek noodzakelijk is om dit gevaar effectief te kunnen afwenden, en de betrokkene niet bereid is het onderzoek te ondergaan. 4. De voorzitter van de veiligheidsregio dan wel de burgemeester kan een ter isolatie opgenomen persoon door een arts in het lichaam doen onderzoeken indien aan de voorwaarden, bedoeld in het derde lid, is voldaan en de rechter daartoe een machtiging heeft verleend. 5. Het onderzoek, bedoeld in het derde en vierde lid, omvat niet meer dan nodig is ter afwending van het gevaar voor derden. I J 1. De voorzitter van de veiligheidsregio dan wel de burgemeester doet de beschikking tot het onderzoek, bedoeld in artikel 31, vierde lid, aan de betrokkene uitreiken. K L M 1. De voorzitter van de veiligheidsregio kan een persoon die gevaar oplevert voor de verspreiding van een infectieziekte behorend tot groep A het verbod opleggen om beroeps- of bedrijfsmatig werkzaamheden te verrichten, die een ernstig risico inhouden voor de verspreiding van die infectieziekte. N O P Q R S 1. Indien Onze Minister op grond van artikel 7, eerste of derde lid, de voorzitter van de veiligheidsregio dan wel de burgemeester opdraagt maatregelen te treffen, kan ten behoeve van de bekostiging daarvan een beroep worden gedaan op het Rijk. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN 1. Op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel XI, onderdelen G tot en met I, zijn de personeelsleden van de baten-lastendienst Landelijke Faciliteit Rampenbestrijding van wie naam en functie zijn vermeld op een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde lijst, van rechtswege ontslagen en aangesteld als ambtenaar in dienst van het Nederlands instituut fysieke veiligheid. 2. De personen die op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel XI, onderdelen G tot en met I, krachtens een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht behoren tot het personeel van de baten-lastendienst Landelijke Faciliteit Rampenbestrijding, en van wie naam en functie zijn vermeld op een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde lijst, zijn op dat tijdstip van rechtswege ontslagen en aangesteld in dienst van het Nederlands instituut fysieke veiligheid met een rechtspositie die in totaliteit ten minste gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij de baten-lastendienst Landelijke Faciliteit Rampenbestrijding. 1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bepaalt in overeenstemming met Onze Minister van Financiën welke vermogensbestanddelen van de Staat die aan de baten-lastendienst Landelijke Faciliteit Rampenbestrijding worden toegerekend, worden toebedeeld aan het Nederlands instituut fysieke veiligheid. 2. De in het eerste lid bedoelde vermogensbestanddelen gaan met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel XI, onderdelen G tot en met I, onder algemene titel over op het Nederlands instituut fysieke veiligheid tegen een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Financiën te bepalen waarde. 3. Ingeval krachtens het eerste en het tweede lid registergoederen overgaan, doet Onze Minister van Financiën de overgang van die registergoederen onverwijld inschrijven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 24, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing. Archiefbescheiden van de baten-lastendienst Landelijke Faciliteit Rampenbestrijding betreffende zaken die op de datum van inwerkingtreding van artikel XI, onderdelen G tot en met I, nog niet zijn afgedaan, worden overgedragen aan het Nederlands instituut fysieke veiligheid, voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats. 1. In wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij de baten-lastendienst Landelijke Faciliteit Rampenbestrijding is betrokken, treedt met ingang van de datum van inwerkingtreding van artikel XI, onderdelen G tot en met I, het Nederlands instituut fysieke veiligheid dan wel het bestuur van het Nederlands instituut fysieke veiligheid in de plaats van de Staat dan wel Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 2. In zaken waarin voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel XI, onderdelen G tot en met I, aan de Nationale ombudsman is verzocht een onderzoek te doen dan wel de Nationale ombudsman een onderzoek heeft ingesteld naar een gedraging die kan worden toegerekend aan de batenlastendienst Landelijke Faciliteit Rampenbestrijding, treedt het bestuur van het Nederlands instituut fysieke veiligheid op dat tijdstip als bestuursorgaan in de zin van de Wet Nationale ombudsman in de plaats van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 1. Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit draagbare blustoestellen 1997 op artikel 30, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s. 2. Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit risico’s zware ongevallen 1999, voor zover het berustte op de Brandweerwet 1985 en de Wet rampen en zware ongevallen, op de artikelen 31, vierde lid, 48, zesde lid, 49, eerste lid, en artikel 61, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s. 3. Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen, voor zover het berustte op de Wet rampen en zware ongevallen, op de artikelen 7, vierde lid, 46, vijfde lid, 47, derde lid, 48, zesde lid, 49, eerste lid en 50, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s. 4. Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit rijksbijdragen bijstands- en bestrijdingskosten op artikel 55, zesde lid, van de Wet veiligheidsregio’s. 5. Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Warenwetbesluit drukapparatuur, voor zover het berustte op artikel 17, eerste lid, van de Brandweerwet 1985, op artikel 30, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s. 6. Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit Nederlands instituut voor brandweer en rampenbestrijding op artikel 71 van de Wet veiligheidsregio’s. 7. Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit Nederlands bureau brandweerexamens op artikel 75, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s. 8. Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit van 3 november 2008, houdende wijziging van het Besluit draagbare blustoestellen 1997 (Stb. 2008, 444) op artikel 30, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s. 9. Na de inwerkingtreding van deze wet berust de Regeling provinciale risicokaart op artikel 45, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s. Deze wet wordt aangehaald als: Aanpassingswet veiligheidsregio’s. XLI Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 31 968
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 11 maart 2010 tot aanpassing van een aantal wetten aan de Wet veiligheidsregio’s en enkele wijzigingen in de Wet veiligheidsregio’s (Aanpassingswet veiligheidsregio’s)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in