Wet van 4 januari 2013 tot nadere wijziging van de Wet verbod pelsdierhouderij
Verify source ↗ De minister kan een tegemoetkoming verlenen aan bepaalde minkhouders van 55 jaar of ouder, en voor een AMvB geldt een wachttijd van vier weken na overlegging van het ontwerp aan beide Kamers.
Staatsblad Wet van 4 januari 2013 tot nadere wijziging van de Wet verbod pelsdierhouderij Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: A B 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over tegemoetkoming in de kosten van sloop of ombouw van gebouwen waarin nertsen beroepsmatig gehouden worden, die als gevolg van het verbod, bedoeld in artikel 2, hun functie verliezen. 2. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. C In artikel 3.54, twaalfde lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001, wordt «herstructurering van een bedrijfstak» vervangen door: herstructurering of beëindiging van een bedrijfstak. Onze Minister is bevoegd degene die op het moment van inwerkingtreding van deze wet nertsen als pelsdier houdt en op 1 januari 2014 55 jaar of ouder is, tegemoetkoming te verlenen bij onbillijkheden van overwegende aard die zich als gevolg van het verbod, bedoeld in artikel 2, ten aanzien van zijn pensioenvoorziening voordoen. Deze wet treedt in werking op het tijdstip waarop het voorstel van wet van de leden Van Gerven en Dijsselbloem houdende een verbod op de pelsdierhouderij (Wet verbod pelsdierhouderij) (Kamerstukken II 2006–07, 30 826, nrs. 1–3) en het voorstel van wet van de leden Van Gerven en Dijsselbloem tot wijziging van de Wet verbod pelsdierhouderij (Kamerstukken II 2009–10, 32 369, nrs. 1–3) na tot wet te zijn verheven in werking zijn getreden. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 33 076