Wet van 11 maart 2026 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met aanpassingen van het crisisraamwerk voor banken en beleggingsondernemingen ter aanvulling op de implementatie van Richtlijn 2014/59/EU en Richtlijn (EU) 2019/879 betreffende het kader voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen (Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie)
De Nederlandsche Bank en, in sommige gevallen, de toezichthouder of ECB krijgen verschillende bevoegdheden voor vroegtijdig ingrijpen, afwikkeling, bail-in en tijdelijk toezicht bij banken en beleggingsondernemingen.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 24 Mar 2026
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
De Nederlandsche Bank en, in sommige gevallen, de toezichthouder of ECB krijgen verschillende bevoegdheden voor vroegtijdig ingrijpen, afwikkeling, bail-in en tijdelijk toezicht bij banken en beleggingsondernemingen. AFM must withdraw an investment firm’s licence if the firm still has one at the time of bankruptcy; the provision also makes Section 11AA apply, with exceptions, to certain investment firms and Netherlands-based financial holding and related entities.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Wet van 11 maart 2026 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met aanpassingen van het crisisraamwerk voor banken en beleggingsondernemingen ter aanvulling op de implementatie van Richtlijn 2014/59/EU en Richtlijn (EU) 2019/879 betreffende het kader voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen (Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie)
Showing 2 of 2
- document.segment-1 Verify source ↗
Wet van 11 maart 2026 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met aanpassingen van het crisisraamwerk voor banken en beleggingsondernemingen ter aanvulling op de implementatie van Richtlijn 2014/59/EU en Richtlijn (EU) 2019/879 betreffende het kader voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen (Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie) — segment 1
AI-assisted research summary: De Nederlandsche Bank en, in sommige gevallen, de toezichthouder of ECB krijgen verschillende bevoegdheden voor vroegtijdig ingrijpen, afwikkeling, bail-in en tijdelijk toezicht bij banken en beleggingsondernemingen.
Staatsblad Wet van 11 maart 2026 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met aanpassingen van het crisisraamwerk voor banken en beleggingsondernemingen ter aanvulling op de implementatie van Richtlijn 2014/59/EU en Richtlijn (EU) 2019/879 betreffende het kader voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen (Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie) Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: A de financiëlezekerheidsovereenkomst tot overdracht, bedoeld in artikel 51, onderdeel b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; gedekte deposito’s als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 5, van de richtlijn depositogarantiestelsels; hoger management als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 25, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen; B 3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de volgende personen, alsmede in voorkomend geval op de bestuurders, werknemers en leden van het toezichthoudend orgaan, van die personen: een curator als bedoeld in artikel 1:76; een tijdelijk bewindvoerder als bedoeld in artikel 1:76a of een bijzondere bewindvoerder als bedoeld in artikel 1:76aa; het Depositogarantiefonds, genoemd in artikel 3:259a; een overbruggingsinstelling als bedoeld in artikelen 3A:37 en 3A:112; een rechtspersoon als bedoeld in artikelen 3A:38 en 3A:113; een entiteit voor activa- en passivabeheer als bedoeld in artikelen 3A:41 en 3A:117; een bijzonder bestuurder als bedoeld in artikelen 3A:49 en 3A:120; een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:50a; het Afwikkelingsfonds, genoemd in artikel 3A:68. C D E Vroegtijdige interventiemaatregelen 1. De toezichthouder of, al naar gelang de bevoegdheidsverdeling op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht de Europese Centrale Bank, kan bij overtreding door een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2, of overeenkomstig artikel 30 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen door een EU-moederonderneming, van voorschriften gesteld bij of krachtens: de artikelen 2:11, 2:15, 2:20, 2:25, 2:26, 2:96, 2:108, 2:110, 2:112, 2:114; het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen, het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen of de verordening kapitaalvereisten; of de artikelen 3 tot en met 7, 14 tot en met 17 en 24, 25 en 26 van de verordening markten voor financiële instrumenten; de volgende maatregelen treffen ten aanzien van die bank of beleggingsonderneming: vereisen dat een of meer van de in het in artikel 3:17, tweede lid, onderdeel c, onder 4°, bedoelde herstelplan vastgelegde regelingen of maatregelen worden uitgevoerd, of dat het herstelplan bijgewerkt wordt omdat de omstandigheden anders zijn dan bij vaststelling van het herstelplan, waarna regelingen of maatregelen uit het bijgewerkte herstelplan worden uitgevoerd; voorschrijven dat de overtreding onderzocht wordt, maatregelen worden aangegeven om de overtreding te stoppen, een actieprogramma wordt opgesteld inclusief een tijdspad voor de tenuitvoerlegging van het actieprogramma; voorschrijven dat bepaalde besluiten ter goedkeuring aan de algemene vergadering worden voorgelegd, of, indien daaraan niet binnen de gestelde termijn wordt voldaan, deze zelf daartoe bijeenroepen; vereisen dat een of meer leden van het bestuur, de raad van commissarissen of van het hoger management uit hun functie worden ontheven of worden vervangen indien deze personen op grond van artikel 3:8, 3:9, 3:15, 3:21 of 4:9.0a voor de uitvoering van hun taken ongeschikt worden geacht; voorschrijven dat een onderneming een plan opstelt voor het voeren van onderhandelingen met enkele of alle schuldeisers over de herstructurering van de schulden, al naar gelang van toepassing overeenkomstig het herstelplan; vereisen dat de bedrijfsstrategie van de onderneming wordt aangepast; vereisen dat de juridische of operationele structuur van de onderneming wordt gewijzigd; of vereisen dat alle informatie aangeleverd wordt, onder meer via inspecties ter plaatse, die noodzakelijk is om het afwikkelingsplan bij te werken en om de mogelijke afwikkeling van de onderneming en de waardering van de activa en passiva van de onderneming op grond van artikel 3A:17, vijfde lid, 3A:18, vierde lid, onderscheidenlijk artikel 20 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, voor te bereiden. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de overtreding in de nabije toekomst is wegens een snel verslechterende financiële toestand van de onderneming, te beoordelen met inachtneming van de voorwaarden, bedoeld in artikel 27 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen. 3. De Nederlandsche Bank kan, met inachtneming van artikel 1:89 en de voorwaarden in artikel 39, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen voorschrijven dat een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, indien er sprake is van een situatie bedoeld in het eerste of tweede lid, contact opneemt met potentiële verkrijgers om de afwikkeling voor te bereiden. 4. Indien er sprake is van een significante verslechtering van de financiële positie van een bank of beleggingsonderneming, bij ernstige overtredingen van wetten, reglementen of van de statuten van de bank of beleggingsonderneming of ernstige administratieve onregelmatigheden, en de maatregelen uit het eerste lid de verslechtering niet kunnen keren, kan de Nederlandsche Bank de afzetting van het volledige hoger management, het bestuur of de raad van commissarissen van de bank of beleggingsonderneming, dan wel van individuele leden daarvan eisen. 5. Voor elke maatregel, bedoeld in het eerste lid, stelt de Nederlandsche Bank een gepaste termijn vast waarbinnen de maatregel voltooid moet zijn. F 1. De toezichthouder of, al naar gelang de bevoegdheidsverdeling op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, de Europese Centrale Bank kan bij een bank of beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2, of overeenkomstig artikel 30 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bij een EU-moederonderneming een of meer tijdelijk bewindvoerders benoemen om het bestuur van de onderneming of leden daarvan tijdelijk te vervangen, dan wel tijdelijk met het bestuur van de onderneming samen te werken, indien zij van oordeel is dat de maatregel bedoeld in artikel 1:75a, vierde lid, niet volstaat. De tijdelijk bewindvoerder beschikt over de vereiste kwalificaties, vaardigheden en kennis om zijn of haar functies uit te oefenen. 2. Bij het besluit tot benoeming van een tijdelijk bewindvoerder wordt, met inachtneming van artikel 29, tweede, derde en vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, bepaald welke rol, taken en bevoegdheden aan de tijdelijk bewindvoerder worden toegekend en aan welke regels aangaande het raadplegen van de tijdelijk bewindvoerder of het verkrijgen van diens goedkeuring het bestuur van de instelling zich dient te houden alvorens bepaalde besluiten of maatregelen te nemen. 3. De toezichthouder, onderscheidenlijk de Europese Centrale Bank, kan de tijdelijk bewindvoerder op elk moment uit zijn functie ontheffen of de aanstellingsvoorwaarden bedoeld in het tweede lid wijzigen met inachtneming van artikel 29 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen. 4. De toezichthouder, onderscheidenlijk de Europese Centrale Bank, maakt het besluit tot benoeming van een tijdelijk bewindvoerder openbaar. 5. De toezichthouder, onderscheidenlijk de Europese Centrale Bank, benoemt de tijdelijk bewindvoerder voor ten hoogste een jaar. De termijn kan in uitzonderlijke situaties verlengd worden indien de voorwaarden voor het aanstellen van de tijdelijk bewindvoerder nog steeds gelden. 6. Artikel 1:76, zesde en zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. G 5. Het eerste tot en met vierde lid is van overeenkomstige toepassing op een besluit tot toepassing van een crisispreventiemaatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 101, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen door een toezichthoudende instantie van een lidstaat. H I 1. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: een af te wikkelen entiteit als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel 24 bis, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme; een in de Unie gevestigde rechtspersoon die overeenkomstig artikel 12 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen door de afwikkelingsautoriteit is aangemerkt als een entiteit ten aanzien waarvan het afwikkelingsplan in een afwikkelingsmaatregel voorziet; een rechtspersoon die door de Nederlandsche Bank is aangemerkt als een entiteit ten aanzien waarvan het afwikkelingsplan in een afwikkelingsmaatregel voorziet; een af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen, niet zijnde: de af te wikkelen entiteiten zelf; dochterondernemingen van andere af te wikkelen entiteiten; of entiteiten met zetel in een staat die geen lidstaat is die volgens het afwikkelingsplan geen deel uitmaken van de af te wikkelen groep, alsmede de dochterondernemingen daarvan; banken die blijvend aangesloten zijn bij de centrale kredietinstelling en de centrale kredietinstelling zelf, indien ten minste een van deze banken of de centrale kredietinstelling een af te wikkelen entiteit is, en hun dochterondernemingen; een door een lidstaat overeenkomstig artikel 3 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen aangewezen autoriteit of een bevoegde autoriteit van een staat die geen lidstaat is met soortgelijke bevoegdheden als een afwikkelingsautoriteit van een lidstaat; het instrument van overgang van de onderneming als bedoeld in artikel 3A:28; het instrument van de overbruggingsinstelling als bedoeld in artikel 3A:37; het instrument van afsplitsing van activa en passiva als bedoeld in artikel 3A:41; het instrument van bail-in als bedoeld in artikel 3A:44; een besluit op grond van de artikelen 3A:18 tot en met 3A:19, of een besluit op grond van de artikelen 16 of 18 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, de toepassing van een afwikkelingsinstrument of het uitoefenen van een bevoegdheid ingevolge de afdeling 3A.1.5; een maatregel naar het recht van een staat die geen lidstaat is om het falen van een derdeland-instelling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 86, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen of een derdeland-moederonderneming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 87, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen te beheren, die wat de doelstellingen en de te verwachten resultaten betreft, vergelijkbaar is met een afwikkelingsmaatregel zoals gedefinieerd in dit artikel; passiva als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 71, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen; een dochteronderneming als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 16, van de verordening kapitaalvereisten; aandelen, rechten op aandelen, certificaten van aandelen, rechten op certificaten van aandelen, andere deelnemingsrechten of participaties in het kapitaal of certificaten van die rechten en participaties, lidmaatschapsrechten of hiermee vergelijkbare rechten, claims, opties, conversierechten of hiermee vergelijkbare rechten die bij uitoefening omgezet kunnen worden in of recht geven op de verwerving van aandelen, certificaten van aandelen of daarmee vergelijkbare rechten die aanspraken geven op het kapitaal of het vermogen van de desbetreffende entiteit; een vehikel voor activabeheer als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen; een gecombineerd buffervereiste als bedoeld in artikel 128, zesde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten; een regeling, met inbegrip van securitisaties en instrumenten voor hedgingdoeleinden, die integraal deel uitmaakt van de dekkingspool en naar het toepasselijke recht op gelijke wijze als een gedekte obligatie is gedekt, en die het verstrekken en aanhouden van zekerheden door een partij bij de regeling, een trustee, lasthebber of gevolmachtigde inhoudt; een groep van entiteiten als bedoeld in artikel 3A:2, die gezamenlijk onderworpen zijn aan toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig titel II van deel 1 van de verordening kapitaalvereisten; de afwikkelingsautoriteit in de lidstaat waar de consoliderende toezichthouder, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel 41, van de verordening kapitaalvereisten, is gevestigd; deposito’s als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 4, van de richtlijn depositogarantiestelsels; passiva als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 71 bis, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen; instrumenten als bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel a, van de verordening kapitaalvereisten; kritieke functies als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 35, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen; instrumenten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen 69 en 73, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen; een salderingsovereenkomst als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 98, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen; obligaties en andere vormen van overdraagbare schuld, instrumenten die een schuld creëren of erkennen en instrumenten die recht geven op het verwerven van schuldinstrumenten; securitisatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van de securitisatieverordening; een verrekeningsovereenkomst op grond waarvan twee of meer vorderingen of verplichtingen tussen de entiteit in afwikkeling en een tegenpartij met elkaar kunnen worden verrekend; zekerheidsregelingen waarbij een persoon bij wijze van zekerheid een werkelijk of voorwaardelijk belang in de over te dragen goederen heeft, ongeacht of dat belang door geïndividualiseerde goederen dan wel door een zekerheid op een algemeenheid van goederen of soortgelijke regeling is gedekt. J K L Afwikkelingsbesluiten van staten die geen lidstaat zijn M N Uitzondering op consolidatie Afdeling 13 van titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk wetboek is niet van toepassing op de volgende rechtspersonen: een overbruggingsinstelling als bedoeld in artikel 3A:37, voor zover deze overbruggingsinstelling houder is van eigendomsinstrumenten in een andere overbruggingsinstelling of de entiteit in afwikkeling; een rechtspersoon als bedoeld in artikel 3A:42, die tot taak heeft de eigendom in een entiteit voor activa- en passivabeheer als bedoeld in artikel 3A:41 te houden; een bijzonder bestuurder als bedoeld in artikel 3A:49 voor zover deze zeggenschap uitoefent over een entiteit in afwikkeling, overbruggingsinstelling of een entiteit voor activa- en passivabeheer; een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:50a. Uitsluiting contractuele voorwaarden 1. Artikel 1:76b is van overeenkomstige toepassing op een besluit ingevolge de artikelen 3A:11 of 3A:11a, de afdelingen 3A.1.3, 3A.1.4 en 3A.1.5, de artikelen 16, 18 en 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, een besluit van een afwikkelingsautoriteit van een andere lidstaat tot toepassing van een crisisbeheersingsmaatregel of crisispreventiemaatregel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen 101 en 102, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen of een afwikkelingsmaatregel van een staat die geen lidstaat is, dat erkend is ingevolge artikel 3A:5, of een gebeurtenis die daarmee rechtstreeks verband houdt. 2. De uitoefening van een bevoegdheid op grond van dit hoofdstuk of de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, een besluit van een afwikkelingautoriteit van een andere lidstaat of van een staat die geen lidstaat is dat is erkend ingevolge artikel 3A:5, of een gebeurtenis die daarmee rechtstreeks verband houdt, met betrekking tot een bank die een gedekte obligatie heeft uitgegeven, leidt niet tot wijziging van de rechten van de houder van een gedekte obligatie jegens een derde in verband met die gedekte obligatie. Beding in overeenkomst erkenning door partijen van bevoegdheden 1. Een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdelen a tot en met f, neemt in iedere door haar gesloten financiële overeenkomst waarop het recht van een staat die geen lidstaat is van toepassing is, een bepaling op waarbij de partijen erkennen dat de financiële overeenkomst onderworpen kan zijn aan de uitoefening van bevoegdheden door de afwikkelingsautoriteit met het oog op het opschorten of beperken van rechten en verplichtingen uit hoofde van de artikelen 3A:20b, 3A:20e en 3A:52 tot en met 3A:55, en ermee instemmen dat artikel 1:76b in samenhang met 3A:8b van toepassing is boven het recht dat van toepassing is op de financiële overeenkomst. 2. De Nederlandsche Bank kan eisen dat een EU-moederonderneming met zetel in Nederland ervoor zorgt dat een of meer van haar dochterondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is en die een bank, beleggingsonderneming of financiële instelling zijn of die een beleggingsonderneming zou zijn indien zij hun zetel in Nederland zouden hebben een bepaling opnemen in hun financiële overeenkomsten die uitsluit dat de uitoefening van de bevoegdheden tot opschorting of beperking van rechten en verplichtingen van de EU-moederonderneming op grond van de artikelen 3A:20b, 3A:20e, 3A:52 tot en met 3A:54 een geldige reden vormt voor vroegtijdige beëindiging, opschorting, wijziging, verrekening, uitoefening van rechten op saldering of tenuitvoerlegging van zekerheidsrechten met betrekking tot die overeenkomsten. De EU-moederonderneming behoeft niet aan de eis te voldoen indien zij aantoont dat zij daartoe rechtens of feitelijk niet in staat is. 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op financiële overeenkomsten die zijn aangegaan voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit artikel, tenzij na de inwerkingtreding van dit artikel daarin een nieuwe verbintenis wordt gecreëerd of een daarin opgenomen verbintenis wezenlijk wordt gewijzigd. O Afwikkelingsplan buiten SRM 1. De Nederlandsche Bank stelt overeenkomstig artikel 10 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen een afwikkelingsplan vast dat voldoet aan de vereisten, bedoeld in artikel 10 van die richtlijn, voor een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b. 2. De Nederlandsche Bank stelt, indien zij de groepsafwikkelingsautoriteit is van een groep die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, een afwikkelingsplan vast voor de groep, overeenkomstig de procedures en vereisten in de artikelen 12 en 13 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen. 3. Het afwikkelingsplan voor een groep als bedoeld in het tweede lid dat is vastgesteld door de groepsafwikkelingsautoriteit in een andere lidstaat, is op de entiteiten van de groep met zetel in Nederland van toepassing, tenzij de Nederlandsche Bank overeenkomstig artikel 13, zesde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, afzonderlijke afwikkelingsplannen opstelt voor deze entiteiten. 4. De Nederlandsche Bank kan met inachtneming van artikel 4, eerste en tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen besluiten dat het eerste en tweede lid op vereenvoudigde wijze worden toegepast als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die richtlijn, indien het falen van de entiteit of groep waarschijnlijk niet gepaard zal gaan met significante nadelige gevolgen voor de financiële markten, op andere instellingen, op de financieringsvoorwaarden of op de economie in ruimere zin. 5. De Nederlandsche Bank kan op grond van artikel 4, achtste en negende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen besluiten dat vaststelling van een herstel- of afwikkelingsplan niet noodzakelijk is. 6. Indien er vereenvoudigde verplichtingen worden toegepast kan de Nederlandsche Bank te allen tijde de bevoegdheden bedoeld in artikel 4, derde en vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen uitoefenen. P Afwikkelingsplan binnen SRM Indien de Nederlandsche Bank op grond van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme een groepsafwikkelingsplan opstelt voor een EU-moederonderneming strekt dit plan zich ook uit, onder voorbehoud van titel VI van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tot dochterondernemingen met zetel in een staat die geen lidstaat is. Q Beoordeling afwikkelbaarheid buiten SRM 1. De Nederlandsche Bank beoordeelt aan de hand van artikel 15, eerste tot en met derde lid, onderscheidenlijk artikel 16 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen bij het opstellen van een afwikkelingsplan ingevolge artikel 3A:9 de mate waarin de betrokken entiteit of groep afwikkelbaar is. De Nederlandsche Bank neemt hierbij de overwegingen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die richtlijn, in aanmerking. 2. Indien de Nederlandsche Bank op grond van het eerste lid, constateert dat er wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid van een betrokken entiteit of groep zijn, deelt zij dit mede aan de entiteit. R Voorstellen entiteit betreffende afwikkelbaarheid Indien de betrokken entiteit een mededeling ontvangt als bedoeld in artikel 3A:10, tweede lid, doet die entiteit voorstellen als bedoeld in artikel 17, derde lid, eerste tot en met derde alinea van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen aan de Nederlandsche Bank om de wezenlijke belemmeringen aan te pakken of weg te nemen binnen de in artikel 17, derde lid, van die richtlijn voorgeschreven termijnen. S Maatregelen t.a.v. afwikkelbaarheid buiten SRM 1. De Nederlandsche Bank stelt op grond van de beoordeling van de afwikkelbaarheid van een entiteit of groep ingevolge artikel 3A:10, en de voorstellen van de entiteit ingevolge artikel 3A:10a, overeenkomstig de procedure in artikel 17, derde lid, vijfde alinea, en zevende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, vast of de door de entiteit voorgestelde maatregelen de wezenlijke belemmeringen daadwerkelijk aanpakken of wegnemen. 2. Indien de Nederlandsche Bank op basis van de in het eerste lid bedoelde beoordeling vaststelt dat de door de entiteit voorgestelde maatregelen niet de wezenlijke belemmeringen daadwerkelijk aanpakken of wegnemen, legt zij overeenkomstig artikel 17, vierde en zesde lid van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen en indien van toepassing overeenkomstig artikel 18 van die richtlijn, de maatregelen op als bedoeld in artikel 17, vijfde lid van die richtlijn om deze belemmeringen in voldoende mate te verminderen of weg te nemen. T U Niet-meegerekende verplichtingen Indien een entiteit moet voldoen aan de verplichting, bedoeld in artikel 3A:13, eerste lid, en voor die passiva in een overeenkomst niet de bepaling, bedoeld in artikel 3A:13, eerste lid, is opgenomen, worden de passiva niet meegerekend voor het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva. V MREL voor entiteiten buiten SRM 1. Een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b tot en met f, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, voldoet te allen tijde aan een door de Nederlandsche Bank vast te stellen minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva tenzij er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 45 quaterdecies, derde en vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen. 2. De Nederlandsche Bank stelt het minimumvereiste als bedoeld in het eerste lid vast op grond van de artikelen 45 tot en met 45 nonies en 45 quaterdecies, eerste lid en vijfde tot en met achtste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen. 3. Ten behoeve van de vaststelling van de minimumvereisten voor het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva rapporteert een in het eerste lid bedoelde entiteit met inachtneming van de ingevolge artikel 45 decies, vijfde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen gestelde regels de informatie, bedoeld in artikel 45 decies, eerste lid, van die richtlijn aan de Nederlandsche Bank. 4. Een in het eerste lid bedoelde entiteit rapporteert de informatie bedoeld in het derde lid met de frequenties bedoeld in artikel 45 decies, tweede lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen. De Nederlandsche Bank kan verzoeken om frequentere rapportages. 5. Een in het eerste lid bedoelde entiteit maakt de informatie, bedoeld in artikel 45 decies, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, ten minste jaarlijks openbaar met inachtneming van de ingevolge artikel 45 decies, zesde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen gestelde regels en neemt daarbij het zevende lid van dat artikel in acht. 6. Het derde tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op een liquidatie-entiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 83 bis bis, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tenzij de Nederlandsche Bank voor die entiteit het minimumvereisten voor het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 45 quater, tweede lid bis, tweede alinea, van die richtlijn. De Nederlandsche Bank bepaalt in dat geval de inhoud en frequentie van de rapportage- en openbaarmakingsverplichting als bedoeld in het vierde en vijfde lid en deelt die mede aan de entiteit. 7. Indien een entiteit als bedoeld in het eerste lid niet voldoet aan het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva bedoeld in het eerste lid, past de Nederlandsche Bank tenminste een van de maatregelen toe uit de artikelen 1:74, 1:75a, 1:79, 1:80, 3:111a, 3A:11, 3A:11b of 3A:11c ongeacht de vereisten voor toepassing die in die artikelen genoemd zijn. W X 1. De Nederlandsche Bank besluit onverwijld tot afschrijving en omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en de in het zesde lid bedoelde in aanmerking komende passiva van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2 die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, indien wordt voldaan aan een van de omstandigheden, bedoeld in artikel 59, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, met inachtneming van artikel 59, eerste lid, laatste alinea, eerste lid bis, en vierde tot en met zesde lid, van die richtlijn. 2. De bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in het zesde lid bedoelde in aanmerking komende passiva af te schrijven of om te zetten kan als volgt worden uitgeoefend: zonder dat er een afwikkelingsmaatregel genomen wordt; of onmiddellijk voorafgaand aan of tegelijk met een afwikkelingsmaatregel, indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor afwikkeling, bedoeld in artikel 32, 32 bis of 33 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen en deze afwikkelingsmaatregel tot gevolg zou hebben dat schuldeisers verliezen lijden of dat hun vorderingen zouden worden omgezet. 5. Ter voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt een waardering verricht, overeenkomstig artikel 36, eerste tot en met dertiende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, van de activa en passiva waarop de voorgenomen maatregelen bedoeld in het eerste lid zien. Y 1. De Nederlandsche Bank besluit tot afwikkeling van en het nemen van een afwikkelingsmaatregel voor een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b tot en met f, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, indien wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in de artikelen 32, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen met inachtneming van artikel 31 en 32, eerste lid, derde lid, vierde lid, eerste tot en met derde alinea, en vijfde lid, van die richtlijn. 4. Ter voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt een waardering verricht, overeenkomstig artikel 36, eerste tot en met dertiende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, van de activa en passiva van de entiteit. Z Afwikkeling centrale kredietinstelling De Nederlandsche Bank kan besluiten tot afwikkeling en het nemen van een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 32 bis van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen van een centrale kredietinstelling en alle blijvend aangesloten banken die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep indien de af te wikkelen groep als geheel voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen. AA BB Afwikkelingsmaatregel bijkantoren staten die geen lidstaat zijn 2. Ter voorbereiding van een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt een waardering verricht, overeenkomstig artikel 36, eerste tot en met dertiende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, van de activa en passiva waarop de voorgenomen maatregelen bedoeld in het eerste lid zien. CC 1. Indien de Nederlandsche Bank een afwikkelingsmaatregel neemt, een besluit neemt als bedoeld in artikel 3A:17 of op basis van afdeling 3A.1.4, of een besluit neemt op grond van artikel 21 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, lijden de houders van kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten en schuldeisers van de entiteit in afwikkeling, geen grotere verliezen dan zij zouden hebben geleden indien de entiteit onmiddellijk voorafgaand aan dat besluit in een faillissement zou zijn geliquideerd. DD EE Melding dat de entiteit faalt of waarschijnlijk zal falen Het bestuur of de raad van commissarissen van een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdelen a tot en met f, stellen de Nederlandsche Bank, of de Europese Centrale Bank indien dit volgt uit de artikelen 4, 5 en 6 van de verordening bankentoezicht, op de hoogte indien zij van oordeel zijn dat de bewuste entiteit faalt of waarschijnlijk gaat falen als bedoeld in artikel 32, vierde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen met inachtneming van de ingevolge artikel 82, derde lid, van die richtlijn gestelde regels. FF GG 2. De Nederlandsche Bank kan de opschorting beperken tot bepaalde betalings- en leveringsverplichtingen, inclusief betalingsverplichtingen voortvloeiend uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 4, van de richtlijn depositogarantiestelsels. 4. Indien de Nederlandsche Bank betalingsverplichtingen voortvloeiend uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in het tweede lid opschort, stelt zij een passend bedrag per dag vast waar depositohouders toegang tot hebben. HH de hoofdsom van de door of met medewerking van een entiteit uitgegeven kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten verminderen, of deze instrumenten intrekken of doen overgaan op: houders van de rechten, bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d; houders van de rechten bedoeld in artikel 3A:44, eerste lid waarbij de instemming van de verkrijger ingevolge artikel 3A:6, eerste lid, niet benodigd is; of de stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:50a; II 1. De Nederlandsche Bank kan voorschrijven dat een entiteit kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten uitgeeft, of haar medewerking verleent aan de uitgifte daarvan, aan de houders van de rechten, bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d. 2. Teneinde gevolg te geven aan de in het eerste lid bedoelde uitgifte, kan de Nederlandsche Bank voorschrijven dat een entiteit kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten uitgeeft aan: een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A: 50a ten behoeve van de houders van rechten bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d, en hun rechtsopvolgers; of een rechtspersoon met als statutaire doelstelling het tegen toekenning van certificaten ten titel van beheer verwerven en administreren van aandelen. 3. Teneinde gevolg te geven aan de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde uitgifte kan de Nederlandsche Bank de in dat lid bedoelde rechtspersoon instrueren om certificaten van aandelen uit te geven en toe te kennen aan een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:50a ten behoeve van de houders van rechten bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d, en hun rechtsopvolgers. 4. Bij de uitgifte bedoeld in het eerste tot en met derde lid kunnen geen andere rechten worden uitgeoefend dan die bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d. 5. De voorwaarden, bedoeld in artikel 60, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, zijn van toepassing op de uitgifte bedoeld in het eerste lid al dan niet in samenhang met een uitgifte als bedoeld in het tweede of derde lid. JJ 1. De Nederlandsche Bank bepaalt in haar besluiten op grond van artikel 3A:21 of 3A:22 nader: op welke wijze en onder welke voorwaarden de afschrijving, uitgifte of omzetting plaatsvindt; de gevolgen van deze besluiten voor zover nodig; of de nominale waarde van nieuw uit te geven eigendomsinstrumenten of de bestaande eigendomsinstrumenten bij overgang op de houders van de rechten bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d. KK LL 1. De Nederlandsche Bank kan, indien na toepassing van artikel 3A:21 op basis van een voorlopige waardering als bedoeld in artikel 20, tiende lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk artikel 36, negende lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, uit de definitieve waardering, bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk artikel 3A:17, zesde lid, 3A:18, vijfde lid of 3A:19, tweede lid, blijkt dat met een beperktere vermindering van de hoofdsom van een kernkapitaalinstrument, eigendomsinstrument, relevant kapitaalinstrument of een in aanmerking komend passivum als bedoeld in het tweede lid van artikel 3A:21 had kunnen worden volstaan, de hoofdsom verhogen in overeenstemming met de definitieve waardering. MM NN Van overeenkomstige toepassing van afwikkelingsbevoegdheden De artikelen 3A:50, eerste lid, 3A:51, derde lid, 3A:58 en 3A:63 zijn van overeenkomstige toepassing op de afschrijving en omzetting als bedoeld in artikel 3A:21. OO Toepassingsbereik 1. Deze afdeling is van toepassing indien een besluit tot afwikkeling wordt genomen op grond van artikel 16 of 18 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, onderscheidenlijk de artikelen 3A:18 tot en met 3A:19 in combinatie met een besluit op basis van artikel 21 van die verordening, onderscheidenlijk artikel 3A:17, en de toepassing van artikel 3A:21. 2. De Nederlandsche Bank kan de afwikkelingsinstrumenten uit deze afdeling individueel of gecombineerd toepassen, tenzij de wet anders bepaalt. PP 2. De Nederlandsche Bank kan, bij toepassing van het eerste lid, meermaals een overgang bewerkstelligen. 3. Teneinde de overgang in het eerste lid tot stand te brengen kan de Nederlandsche Bank besluiten tot verkoop van de in het eerste lid bedoelde aandelen of andere eigendomsinstrumenten, activa, rechten, of passiva van die instelling die de autoriteit wil overdragen, of treft zij regelingen voor de verkoop ervan. Pools van rechten, activa en passiva kunnen afzonderlijk worden verkocht. QQ RR SS 2. Bij toepassing op een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b tot en met f, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, is de totale waarde van de aan de overbruggingsinstelling overgedragen passiva niet groter dan de totale waarde van de door de entiteit overgedragen of uit andere bronnen afkomstige rechten en activa. 3. De Nederlandsche Bank kan, bij toepassing van het eerste lid, meermaals een overgang bewerkstelligen. TT UU 4. De toepassing van het instrument van bail-in op een entiteit als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b tot en met f, die niet valt onder de werking van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, geschiedt in overeenstemming met artikel 43, tweede en derde lid, artikel 44, tweede, derde, negende en tiende lid, artikel 46, eerste en tweede lid, en artikel 48 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen. VV 1. De Nederlandsche Bank kan voorschrijven dat een entiteit kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten uitgeeft, of haar medewerking verleent aan de uitgifte daarvan, aan de houders van de rechten, bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d. 2. Teneinde gevolg te geven aan de in het eerste lid bedoelde uitgifte, kan de Nederlandsche Bank voorschrijven dat een entiteit kernkapitaalinstrumenten of eigendomsinstrumenten uitgeeft aan: een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:50a ten behoeve van de houders van rechten bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d, en hun rechtsopvolgers; of een rechtspersoon met als statutaire doelstelling het tegen toekenning van certificaten ten titel van beheer verwerven en administreren van aandelen. 3. Teneinde gevolg te geven aan de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde uitgifte kan de Nederlandsche Bank de in dat lid bedoelde rechtspersoon instrueren om certificaten van aandelen uit te geven en toe te kennen aan een stichting administratiekantoor afwikkeling als bedoeld in artikel 3A:50a ten behoeve van de houders van rechten bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d, en hun rechtsopvolgers of aan een door de Nederlandsche Bank aan te wijzen persoon. 4. Bij de uitgifte bedoeld in het eerste tot en met derde lid kunnen geen andere rechten worden uitgeoefend dan die bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, onderdeel c of d. 5. De voorwaarden, bedoeld in artikel 60, derde lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, zijn van toepassing op de uitgifte bedoeld in het eerste lid al dan niet in samenhang met een uitgifte als bedoeld in het tweede of derde lid. WW XX 1. De Nederlandsche Bank stelt de entiteit in afwikkeling binnen een maand in kennis van de beoordeling van het bedrijfssaneringsplan. Voorzover van toepassing neemt de Nederlandsche Bank artikel 27, zestiende lid, van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme in acht. YY Bijzonder bestuurder en overname zeggenschap 1. De Nederlandsche Bank kan een bijzonder bestuurder bij een entiteit in afwikkeling aanstellen of de zeggenschap over die entiteit overnemen. De bijzonder bestuurder beschikt over de vereiste kwalificaties, vaardigheden en kennis om zijn of haar functies uit te oefenen. 2. De Nederlandsche Bank maakt de benoeming van een bijzonder bestuurder openbaar. De Nederlandsche Bank benoemt een bijzonder bestuurder voor ten hoogste een jaar. De termijn kan bij wijze van uitzondering worden verlengd als de Nederlandsche Bank van oordeel is dat nog steeds aan de voorwaarden voor de aanstelling van een bijzonder bestuurder wordt voldaan. De Nederlandsche Bank kan de bijzonder bestuurder op elk moment uit zijn of haar functie ontheffen. 3. De bijzonder bestuurder treedt in de rechten en bevoegdheden van de organen van de entiteit in afwikkeling, haar aandeelhouders, haar certificaathouders, of haar leden. 4. De bijzonder bestuurder neemt alle noodzakelijke maatregelen om de in artikel 31 van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen genoemde afwikkelingsdoelstellingen te bewerkstelligen en afwikkelingsmaatregelen uit te voeren overeenkomstig het besluit van de Nederlandsche Bank. Het verwezenlijken van de voornoemde afwikkelingsdoelstellingen en het uitvoeren van besluiten van de Nederlandsche Bank gaat boven elke andere bestuurstaak op grond van de wet of de statuten van de entiteit in afwikkeling ingeval deze niet consistent zijn. 5. De bijzonder bestuurder oefent de rechten en bevoegdheden uit onder toezicht van de Nederlandsche Bank. De Nederlandsche Bank kan grenzen stellen aan het optreden van de bijzonder bestuurder of eisen dat voor bepaalde handelingen van de bijzonder bestuurder voorafgaande toestemming van de Nederlandsche Bank vereist is. Indien van toepassing stelt de Nederlandsche Bank de bevoegdheidsverdeling tussen de bijzonder bestuurder en de organen van de entiteit in afwikkeling vast. 6. Na de benoeming van een bijzonder bestuurder: verlenen de organen en de vertegenwoordigers van de entiteit in afwikkeling de bijzonder bestuurder alle medewerking; is voor schade ten gevolge van handelingen, die zijn verricht in strijd met de aanstelling van de bijzonder bestuurder of de besluiten van de bijzonder bestuurder die daarmee verband houden, elke persoon die deel uitmaakt van het orgaan van de entiteit dat deze handelingen verrichtte, hoofdelijk aansprakelijk tegenover de entiteit in afwikkeling, tenzij het verrichten van deze handelingen niet aan hem is te verwijten en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden; zijn de handelingen, bedoeld in onderdeel b, voorzover deze rechtshandelingen zijn, vernietigbaar, indien de wederpartij wist of behoorde te weten dat de handeling is verricht in strijd met de aanstelling van de bijzonder bestuurder of de besluiten van de bijzonder bestuurder die daarmee verband houden. 7. De bijzonder bestuurder stelt in elk geval aan het begin en einde van zijn benoemingstermijn een verslag op over de economische en financiële positie van de entiteit in afwikkeling en over de handelingen die hij bij de uitoefening van zijn taken heeft verricht. De Nederlandsche Bank stelt vast met welke frequentie de bijzonder bestuurder tijdens zijn aanstelling verslag doet. 8. Tegen een besluit van een bijzonder bestuurder kan administratief beroep worden ingesteld bij de Nederlandsche Bank. 9. Het tweede lid, eerste zin, derde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op overname van de zeggenschap door de Nederlandsche Bank als bedoeld in het eerste lid. ZZ AAA Stichting administratiekantoor afwikkeling 1. De Nederlandsche Bank kan, indien dit bijdraagt aan de uitvoering van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting, bedoeld in artikel 3A:21, eerste lid, of de toepassing van het instrument van bail-in, bedoeld in artikel 3A:44, een stichting administratiekantoor afwikkeling oprichten. 2. De Nederlandsche Bank kan de stichting een aanwijzing geven met betrekking tot de taakuitoefening. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de oprichting en beëindiging, de taak, de financiering, de inrichting, het bestuur en de werkwijze van een stichting administratiekantoor afwikkeling. 4. Een stichting administratiekantoor afwikkeling kan in bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen eigendomsinstrumenten verkopen en gelden consigneren waarop rechthebbenden geen aanspraak hebben gemaakt. BBB CCC 5. De Nederlandsche Bank kan de opschorting beperken tot bepaalde betalings- en leveringsverplichtingen, inclusief betalingsverplichtingen voortvloeiend uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 4, van de richtlijn depositogarantiestelsels. 7. Indien de Nederlandsche Bank betalingsverplichtingen voortvloeiend uit in aanmerking komende deposito’s als bedoeld in het vijfde lid opschort, stelt zij een passend bedrag per dag vast waar depositohouders toegang tot hebben. DDD EEE Verzoek opschorting gerechtelijke procedures Onverminderd artikel 3A:53, kan de Nederlandsche Bank indien nodig voor de doeltreffendheid van een of meer afwikkelingsmaatregelen een bevoegd gerecht verzoeken elke gerechtelijke maatregel of procedure waaraan een entiteit in afwikkeling onderworpen is, op te schorten gedurende een in het licht van de nagestreefde doelstelling passende termijn. FFF GGG 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een liquidatie-entiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel 83 bis bis, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen, tenzij de Nederlandsche Bank voor die entiteit het minimumvereisten voor het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 45 quater, tweede lid bis, tweede alinea, van die richtlijn. De Nederlandsche Bank bepaalt in dat geval de inhoud en frequentie van de rapportage- en openbaarmakingsverplichting als bedoeld in het eerste en tweede lid en deelt die mede aan de entiteit. GGGa HHH 2. Toepassing van het eerste lid geschiedt overeenkomstig artikel 44, vierde tot en met achtste lid, van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen. III JJJ KKK 3A:14, eerste, derde en vierde lid 3A:15, eerste, vierde en vijfde lid 3A:16, eerste, derde en vierde lid 3A:16b 3A:57a «3A:8c» «3A:10a» «3A:14, eerste en derde tot en met vijfde lid» «3A:15» «3A:20aa» «3A:22, derde lid» «3A:23, tweede lid» «3A:49, zesde lid, onderdeel a» A 3. Een bank die een door de Europese Centrale Bank of De Nederlandsche Bank N.V. verleende vergunning heeft kan aangifte doen van haar eigen faillissement. In dat geval stelt de rechtbank De Nederlandsche Bank N.V. en al naar gelang de bevoegdheidsverdeling op grond van de artikelen 4 en 6 van de verordening bankentoezicht, tevens de Europese Centrale Bank, onverwijld in kennis van deze aangifte. 4. De rechtbank beslist niet op de aangifte, bedoeld in het derde lid, voordat: De Nederlandsche Bank N.V. de rechtbank in kennis heeft gesteld dat zij of de Afwikkelingsraad, genoemd in artikel 42 van de verordening gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme, al naar gelang welke autoriteit bevoegd is, niet voornemens is een afwikkelingsmaatregel als bedoeld in artikel 3A:1 van de Wet op het financieel toezicht te nemen met betrekking tot de bank; of een termijn van zeven dagen na dagtekening van de kennisgeving bedoeld in het derde lid is verstreken. B C D E VAN HET FAILLISSEMENT VAN EEN BELEGGINGSONDERNEMING EN VAN EEN ENTITEIT ONDER DE RICHTLIJN HERSTEL EN AFWIKKELING VAN BANKEN EN BELEGGINGSONDERNEMINGEN 1. Afdeling 11AA is, met uitzondering van de artikelen 212ha tot en met 212hi, de artikelen 212k tot en met artikel 212n, en de artikelen 212ra tot en met 212rf, van overeenkomstige toepassing op een beleggingsonderneming met zetel in Nederland waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2:96 van de Wet op het financieel toezicht is verleend en, waar van toepassing, op haar bijkantoor in een andere lidstaat, met dien verstande dat voor «De Nederlandsche Bank N.V.» wordt gelezen «de Autoriteit Financiële Markten». 2. - document.segment-2 Verify source ↗
Wet van 11 maart 2026 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met aanpassingen van het crisisraamwerk voor banken en beleggingsondernemingen ter aanvulling op de implementatie van Richtlijn 2014/59/EU en Richtlijn (EU) 2019/879 betreffende het kader voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen (Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie) — segment 2
AI-assisted research summary: AFM must withdraw an investment firm’s licence if the firm still has one at the time of bankruptcy; the provision also makes Section 11AA apply, with exceptions, to certain investment firms and Netherlands-based financial holding and related entities.
In afwijking van het eerste lid, is afdeling 11AA, met uitzondering van de artikelen 212k, 212ra en 212re van overeenkomstige toepassing op een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 3A:2, onderdeel b, van de Wet op het financieel toezicht met dien verstande dat in artikel 212ha, tweede en derde lid, en artikel 212hb voor «Europese Centrale Bank of De Nederlandsche Bank N.V.» wordt gelezen «de Autoriteit Financiële Markten». 3. De Autoriteit Financiële Markten trekt de vergunning van een beleggingsonderneming bedoeld in het eerste of tweede lid in, indien deze op het tijdstip van de faillietverklaring nog een vergunning heeft. Afdeling 11AA is, met uitzondering van de artikelen 212hb, 212k, 212ra en 212re van overeenkomstige toepassing op een financiële holding, gemengde financiële holding, gemengde holding of financiële instelling als bedoeld in artikel 3A:2, onderdelen c tot en met f, van de Wet op het financieel toezicht, met zetel in Nederland, met dien verstande dat de passages omtrent het hebben van een vergunning niet relevant zijn voor de hiervoor genoemde ondernemingen. 4. Indien de Bank uit hoofde van de uitvoering van haar wettelijke taken en bevoegdheden zeggenschap verwerft over een entiteit, wordt dit niet beschouwd als overheersende zeggenschap als bedoeld in artikel 406 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Deze wet wordt aangehaald als: Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie. Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden. Kamerstuk 36 822
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Wet van 11 maart 2026 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Faillissementswet en de Bankwet 1998 in verband met aanpassingen van het crisisraamwerk voor banken en beleggingsondernemingen ter aanvulling op de implementatie van Richtlijn 2014/59/EU en Richtlijn (EU) 2019/879 betreffende het kader voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen (Wet nadere uitvoering BRRD-implementatie)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in