Besluit van 14 december 1999 tot intrekking van het Sanctiebesluit betalingsverkeer en financiële-dienstenverkeer Libië
Verify source ↗ AI-assisted research summary: This provision repeals the Libya payments and financial-services sanctions decree and sets when the repeal takes effect.
Staatsblad Besluit van 14 december 1999 tot intrekking van het Sanctiebesluit betalingsverkeer en financiële-dienstenverkeer Libië Op de voordracht van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 25 oktober 1999, nr. DJZ/BR/1982-99, gedaan mede namens Onze Minister van Financiën; Gelet op artikel 2 van de Sanctiewet 1977; De Raad van State gehoord (advies van 18 november 1999, nr. W02.99.0534/II); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Buitenlandse Zaken van 8 december 1999, nr. DJZ/BR/2444-99, uitgebracht mede namens Onze Minister van Financiën; Het Sanctiebesluit betalingsverkeer en financiële-dienstenverkeer Libië wordt ingetrokken. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag liggende twee maanden na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst wordt uitgegeven na 21 december 1999 werkt het besluit terug tot en met 22 februari 2000. Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 25a, vijfde lid jo vierde lid, onder b van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt. NOTA VAN TOELICHTING Deze nota is opgesteld mede namens de Minister van Financiën. De medewerking van Libië aan de berechting van de twee verdachten van de bomaanslag in 1988 op PanAm vlucht 103 boven Lockerbie leidde tot opschorting van de sancties jegens dat land. Op 5 april 1999 heeft de Veiligheidsraad aangekondigd dat alle economische sancties die werden ingesteld of bevestigd bij resolutie 731(1992) van 21 januari 1992, 748 (1992) van 31 maart 1992 en 883 (1993) van 11 november 1993 tegen Libië onmiddellijk worden opgeschort. De Veiligheidsraad is tot de aankondiging gekomen nadat Secretaris-Generaal Kofi Annan aan de Veiligheidsraad had gerapporteerd dat de twee personen die worden verdacht van betrokkenheid bij de bomaanslag op de PanAm vlucht 103 boven het Schotse Lockerbie, op maandag 5 april 1999 in Nederland zijn gearriveerd en zijn overgedragen aan de Nederlandse justitiële autoriteiten. Hiermee is voldaan aan resolutie 1192(1998). Binnen 90 dagen zou door de Secretaris-Generaal Kofi Annan conform paragraaf 16 van resolutie 883 (1993) aan de Veiligheidsraad worden gerapporteerd of, afhankelijk van de volledige medewerking van Libië aan de eisen en beslissingen van eerder genomen resoluties, de sancties kunnen worden opgeheven dan wel dat de opschorting dient te worden beëindigd. Tot op heden is er echter door de Secretaris-Generaal nog geen standpunt ingenomen. Ook zijn er geen signalen dat dit op korte termijn wel zal gebeuren. Het – vooralsnog – uitblijven van een definitieve opheffing van de sancties jegens Libië brengt mee dat de opschorting van die sancties voor onbepaalde duur wordt gecontinueerd. Die opschorting heeft in Nederland vorm gekregen in een tweetal ministeriële regelingen tot buitenwerkingstelling van respectievelijk: a. het Sanctiebesluit betalingsverkeer en financiële-dienstenverkeer Libië en b. het Sanctiebesluit Libië 1993. Ingevolge artikel 8 van de Sanctiewet 1977 komen deze ministeriële regelingen tien maanden na hun inwerkingtreding automatisch te vervallen. Om een onbedoelde herleving van het sanctieregime te voorkomen is het noodzakelijk om bij algemene maatregel van bestuur een voorziening te treffen. Overwogen is om bij algemene maatregel van bestuur beide sanctiebesluiten «buiten werking» te stellen. Een dergelijke ingreep heeft eenzelfde effect als intrekking – het niet toepasselijk zijn van enige sanctie jegens Libië – maar brengt als bezwaar mee dat niet werkende algemene maatregelen van bestuur voor onbepaalde duur in de rechtsorde worden gehandhaafd en dat voor een eventuele herleving van de sancties toch een ministeriële regeling, gevolgd door een algemene maatregel van bestuur, tot stand moet worden gebracht. Daar komt bij dat de kans niet denkbeeldig is dat, indien in internationaal verband tot herleving van de sancties wordt besloten, wijzigingen in het sanctiepakket worden aangebracht, waardoor de «slapende» algemene maatregelen van bestuur op slag verouderd zouden zijn. Gelet op de uiteenlopende inwerkingtredingstermijn voor beide besluiten en de betrokkenheid van verschillende bewindspersonen zal deze intrekking bij afzonderlijke algemene maatregelen van bestuur worden bewerkstelligd. Het onderhavige besluit strekt ertoe het Sanctiebesluit betalingsverkeer en financiële-dienstenverkeer Libië in te trekken. Buitenwerkingstelling van het Sanctiebesluit betalingsverkeer en financiële-dienstenverkeer Libië heeft plaatsgevonden bij ministeriële regeling van 19 april 1999 (Stcrt. 75). Deze regeling is op 22 april 1999 in werking getreden en vervalt derhalve met ingang van 22 februari 2000. Aangezien de inwerkingtreding van het onderhavige besluit ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Sanctiewet 1977 eerst twee maanden na publicatie kan plaatsvinden, dient het besluit uiterlijk op 21 december van dat jaar te worden gepubliceerd. Mochten op enig moment in de toekomst internationale ontwikkelingen onverhoopt aanleiding geven tot herleving van de opgeschorte sancties of tot instelling van nieuwe sancties jegens Libië, dan zal wederom een nationale sanctieregeling tot stand moeten – en kunnen – worden gebracht. De continuering van de opschorting heeft – uiteraard – geen gevolgen voor overeenkomstig het burgerlijk recht gelegde beslagen op in Nederland aangehouden Libische tegoeden, zoals in het kader van een faillissement of ter uitoefening van een retentierecht. Dergelijke tegoeden kunnen pas worden vrijgegeven zodra naar Nederlands burgerlijk recht over dergelijke geschillen is beslist.