Besluit van 28 januari 2000, houdende tijdelijke voorzieningen voor de medezeggenschap van de bij de gerechten werkzame rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding (Tijdelijk besluit medezeggenschap rechters)
Dit besluit regelt een tijdelijke medezeggenschap voor rechterlijke ambtenaren bij gerechten via een gerechtsvertegenwoordiging.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 9 Jul 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
Dit besluit regelt een tijdelijke medezeggenschap voor rechterlijke ambtenaren bij gerechten via een gerechtsvertegenwoordiging. De aangewezen gerechtsbestuurders moeten zorgen dat er binnen drie maanden na inwerkingtreding een gerechtsvertegenwoordiging is; de kiesgerechtigde leden krijgen een maand om het aantal leden tussen drie en negen vast te stellen.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Besluit van 28 januari 2000, houdende tijdelijke voorzieningen voor de medezeggenschap van de bij de gerechten werkzame rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding (Tijdelijk besluit medezeggenschap rechters)
Showing 2 of 2
- document.segment-1 Verify source ↗
Besluit van 28 januari 2000, houdende tijdelijke voorzieningen voor de medezeggenschap van de bij de gerechten werkzame rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding (Tijdelijk besluit medezeggenschap rechters) — segment 1
AI-assisted research summary: Dit besluit regelt een tijdelijke medezeggenschap voor rechterlijke ambtenaren bij gerechten via een gerechtsvertegenwoordiging.
Staatsblad Besluit van 28 januari 2000, houdende tijdelijke voorzieningen voor de medezeggenschap van de bij de gerechten werkzame rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding (Tijdelijk besluit medezeggenschap rechters) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 21 oktober 1999, Directie Wetgeving, nr. 795959/99/6; Gelet op artikel 54, tweede lid, onder e, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren; De Raad van State gehoord (advies van 10 december 1999, nr. W03.99.0526/I); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 24 januari 2000, Directie Wetgeving, nr. 770493/99/6; Algemeen In dit besluit wordt verstaan onder: a. bestuurders: 1. ten aanzien van de rechtersvertegenwoordiging: de president van de arrondissementsrechtbank, de directeur beheer gerechten in eerste aanleg, en de coördinerend kantonrechter in het arrondissement; 2. ten aanzien van de raadsherenvertegenwoordiging: de president van het gerechtshof en de directeur beheer bij het gerechtshof; b. gerechtsvertegenwoordiging: rechtersvertegenwoordiging onderscheidenlijk raadsherenvertegenwoordiging; c. geschillencommissie: de Geschillencommissie Tijdelijk besluit medezeggenschap rechters, bedoeld in artikel 23; d. raadsherenvertegenwoordiging: de raadsherenvertegenwoordiging, bedoeld in artikel 4; e. rechtersvertegenwoordiging: de rechtersvertegenwoordiging, bedoeld in artikel 3. In dit besluit worden onder raadsheren, rechters en kantonrechters hun bezoldigde plaatsvervangers, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, mede begrepen. Rechters- en raadsherenvertegenwoordiging De president van de arrondissementsrechtbank en de coördinerend kantonrechter in het arrondissement dragen ervoor zorg dat er een rechtersvertegenwoordiging is. De rechtersvertegenwoordiging bestaat uit leden die rechtstreeks worden gekozen door en uit het midden van de kiesgerechtigde leden van de arrondissementsrechtbank en van de kantongerechten in het arrondissement. De kiesgerechtigde leden zijn: de bij de in het tweede lid bedoelde gerechten benoemde kantonrechters – niet zijnde coördinerend kantonrechter –, coördinerend vice-presidenten, vice-presidenten, rechters, gerechtsauditeurs en de rechterlijke ambtenaren in opleiding. Ten minste één van de leden van de rechtersvertegenwoordiging is, indien een of meer van hen zich kandidaat hebben gesteld, afkomstig uit het midden van de kantonrechters die binnen het arrondissement zijn benoemd. Ten minste één van de leden van de rechtersvertegenwoordiging is, indien een of meer van hen zich kandidaat hebben gesteld, afkomstig uit het midden van de gerechtsauditeurs en rechterlijke ambtenaren in opleiding, tenzij zij gezamenlijk minder dan een tiende deel van de kiesgerechtigde leden uitmaken. In het laatste geval wijst de rechtersvertegenwoordiging, met instemming van de gerechtsauditeurs en rechterlijke ambtenaren in opleiding, een van haar leden aan als degene die in het bijzonder de gerechtsauditeurs en rechterlijke ambtenaren in opleiding vertegenwoordigt. De rechtersvertegenwoordiging maakt de namen van haar leden terstond bekend aan de kiesgerechtigde leden. Indien van toepassing wordt daarbij aangegeven wie is aangewezen als bedoeld in het zesde lid. De president van het gerechtshof draagt ervoor zorg dat er een raadsherenvertegenwoordiging is. De raadsherenvertegenwoordiging bestaat uit leden die rechtstreeks worden gekozen door en uit het midden van de kiesgerechtigde leden van het gerechtshof. De kiesgerechtigde leden zijn: de bij het gerechtshof benoemde coördinerend vice-presidenten, vice-presidenten, raadsheren en gerechtsauditeurs. Ten minste één van de leden van de raadsherenvertegenwoordiging is, indien een of meer van hen zich kandidaat hebben gesteld, afkomstig uit het midden van de gerechtsauditeurs, tenzij zij minder dan een tiende deel van de kiesgerechtigde leden uitmaken. In het laatste geval wijst de raadsherenvertegenwoordiging, met instemming van de gerechtsauditeurs, een van haar leden aan als degene die in het bijzonder de gerechtsauditeurs vertegenwoordigt. De raadsherenvertegenwoordiging maakt de namen van haar leden terstond bekend aan de kiesgerechtigde leden. Indien van toepassing wordt daarbij aangegeven wie is aangewezen als bedoeld in het vijfde lid. Het aantal leden van de gerechtsvertegenwoordiging wordt door haar bepaald op een aantal van ten minste drie en ten hoogste negen. De gerechtsvertegenwoordiging kan commissies instellen. Artikel 15, tweede tot en met vierde lid, van de Wet op de ondernemingsraden is van overeenkomstige toepassing. De gerechtsvertegenwoordiging stelt een reglement vast. In het reglement worden de onderwerpen geregeld die in dit besluit ter regeling aan de gerechtsvertegenwoordiging zijn opgedragen of overgelaten. Alvorens het reglement vast te stellen, stelt de gerechtsvertegenwoordiging de bestuurders in de gelegenheid hun zienswijze over een ontwerp voor het reglement kenbaar te maken. De gerechtsvertegenwoordiging regelt in het reglement haar werkwijze. Het reglement bevat in ieder geval regels omtrent: a. de gevallen waarin de gerechtsvertegenwoordiging ten behoeve van de uitoefening van haar taak bijeenkomt, b. de wijze van bijeenroeping van de gerechtsvertegenwoordiging, c. het aantal leden dat aanwezig moet zijn om een vergadering te kunnen houden, d. de uitoefening van het stemrecht in de vergaderingen, e. de voorziening in het secretariaat, f. het opmaken en het bekend maken aan de bestuurders, de leden van de gerechtsvertegenwoordiging en de kiesgerechtigde leden van de agenda van de vergaderingen van de gerechtsvertegenwoordiging, g. het tijdstip waarop de bestuurders, de leden van de gerechtsvertegenwoordiging en de kiesgerechtigde leden uiterlijk in kennis dienen te worden gesteld van de agenda, welk tijdstip niet later kan worden gesteld dan zeven dagen voor de vergadering, behoudens in spoedeisende gevallen, en h. het opmaken en het bekend maken aan de bestuurders, de leden van de gerechtsvertegenwoordiging en de kiesgerechtigde leden van de verslagen van de vergaderingen van de gerechtsvertegenwoordiging en van het jaarverslag van de gerechtsvertegenwoordiging. De bestuurders zijn verplicht de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies het gebruik toe te staan van de voorzieningen waarover zij als zodanig kunnen beschikken en die de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig hebben. De gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies vergaderen zoveel mogelijk tijdens de normale werktijd. De kosten die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies komen ten laste van het arrondissement onderscheidenlijk het gerechtshof. Met inachtneming van het eerste lid komen de kosten van het raadplegen van een deskundige door de gerechtsvertegenwoordiging of een van haar commissies slechts ten laste van het arrondissement onderscheidenlijk het gerechtshof indien de bestuurders van de te maken kosten vooraf in kennis zijn gesteld. De bestuurders kunnen een regeling treffen waarin, onverminderd de artikelen 8 en 10, de kosten die de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies in een bepaald jaar zullen maken, worden vastgesteld op een bepaald bedrag, dat de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies naar eigen inzicht kunnen besteden. Kosten waardoor het vastgestelde bedrag zou worden overschreden, komen slechts ten laste van het arrondissement onderscheidenlijk het gerechtshof voor zover de bestuurders daarin toestemmen. De bestuurders treffen een regeling waarin: a. aan de leden van de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies gedurende een bepaald aantal uren per jaar in werktijd de gelegenheid wordt geboden voor onderling beraad en overleg met andere personen over aangelegenheden waarbij zij in de uitoefening van hun taak zijn betrokken, alsmede voor kennisneming van de arbeidsomstandigheden bij de gerechten, en b. aan de leden van de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies gedurende een bepaald aantal dagen per jaar in werktijd de gelegenheid wordt geboden voor het ontvangen van de scholing en vorming die zij in verband met de vervulling van hun taak nodig oordelen. De leden van de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies, alsmede de geraadpleegde deskundigen zijn verplicht tot geheimhouding van alle gegevens die zij in hun hoedanigheid vernemen en ten aanzien waarvan de bestuurders dan wel de gerechtsvertegenwoordiging of de betrokken commissie hun geheimhouding hebben opgelegd of waarvan zij, in verband met opgelegde geheimhouding, het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden. Het voornemen om geheimhouding op te leggen wordt zoveel mogelijk voor de behandeling van de betrokken aangelegenheid medegedeeld. Degene die de geheimhouding oplegt, deelt daarbij tevens mede welke schriftelijk of mondeling verstrekte gegevens onder de opgelegde geheimhouding vallen en hoe lang deze dient te duren, alsmede of er personen zijn ten aanzien van wie de opgelegde geheimhouding niet in acht behoeft te worden genomen. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degenen die zijn belast met het secretariaat van de gerechtsvertegenwoordiging of een van haar commissies. De in het eerste lid bedoelde verplichting geldt niet ten opzichte van degene die door een lid van de gerechtsvertegenwoordiging of een van haar commissies wordt benaderd voor overleg, mits de bestuurders onderscheidenlijk degene die geheimhouding heeft opgelegd, vooraf toestemming hebben gegeven voor het overleg met de betrokken persoon en deze laatste schriftelijk heeft verklaard dat hij zich ten aanzien van de betrokken aangelegenheid tot geheimhouding verplicht. In dat geval is ten aanzien van de betrokken persoon het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De in het eerste lid bedoelde verplichting vervalt niet door beëindiging van het lidmaatschap van de gerechtsvertegenwoordiging of van haar betrokken commissie, noch door het ophouden kiesgerechtigd lid te zijn. De bestuurders dragen ervoor zorg, dat de kiesgerechtigde leden die zich kandidaat stellen of hebben gesteld voor verkiezing tot lid van de gerechtsvertegenwoordiging, alsmede de leden en de gewezen leden van de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies niet uit hoofde van hun kandidaatstelling of hun lidmaatschap worden benadeeld in hun positie bij het desbetreffende gerecht of gerechten. De bestuurders en de gerechtsvertegenwoordiging komen met elkaar bijeen in een overlegvergadering binnen twee weken nadat hetzij de gerechtsvertegenwoordiging hetzij de bestuurders daarom gemotiveerd hebben verzocht. Het overleg wordt voor de bestuurders gevoerd door degene die daartoe door hen uit hun midden is aangewezen. In een overlegvergadering worden de aangelegenheden, de gerechten onderscheidenlijk het gerecht betreffende, aan de orde gesteld ten aanzien waarvan hetzij de bestuurder hetzij de gerechtsvertegenwoordiging overleg wenselijk acht of waarover op grond van dit besluit overleg tussen de bestuurder en de gerechtsvertegenwoordiging moet plaatsvinden. De gerechtsvertegenwoordiging is bevoegd omtrent de bedoelde aangelegenheden voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken. In ieder geval is onder de aangelegenheden, bedoeld in het derde lid, begrepen het desbetreffende projectplan voor de uitvoering van het Programma Versterking Rechterlijke Organisatie op lokaal niveau, bedoeld in artikel 9 van het Convenant Programma Versterking Rechterlijke Organisatie (Stcrt. 1999, 171). Onder de in het derde lid bedoelde aangelegenheden zijn niet begrepen de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van, alsmede de beslissing in een concrete zaak of in categorieën van zaken. Evenmin zijn daaronder begrepen de publiekrechtelijke vaststelling van taken van publiekrechtelijke lichamen en onderdelen. Het beleid ten aanzien daarvan en de uitvoering daarvan zijn evenmin onder die aangelegenheden begrepen, behoudens voor zover het betreft de gevolgen daarvan voor de werkaamheden van de in de desbetreffende gerechten werkzame personen. De gerechtsvertegenwoordiging is ook buiten de overlegvergadering bevoegd aan de bestuurders voorstellen te doen omtrent de in het derde lid bedoelde aangelegenheden. Een dergelijk voorstel wordt schriftelijk en voorzien van een toelichting aan de bestuurders voorgelegd. De bestuurders beslissen over het voorstel niet dan nadat daarover ten minste eenmaal overleg is gevoerd in een overlegvergadering. Na het overleg delen de bestuurders zo spoedig mogelijk schriftelijk en gemotiveerd aan de gerechtsvertegenwoordiging mede of, en zo ja in hoeverre, zij overeenkomstig het voorstel zullen besluiten. Wanneer de bestuurders of de gerechtsvertegenwoordiging te kennen geven daarop prijs te stellen, wordt het besluit in een overlegvergadering kenbaar gemaakt. In de overlegvergadering wordt ten minste twee maal per jaar de algemene gang van zaken van de desbetreffende gerechten onderscheidenlijk het gerechtshof besproken. De bestuurders doen in dit kader mededeling over besluiten die zij in voorbereiding hebben met betrekking tot de aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 15 en 16. Daarbij worden afspraken gemaakt wanneer en op welke wijze de gerechtsvertegenwoordiging in de besluitvorming wordt betrokken. De bestuurders behoeven de instemming van de gerechtsvertegenwoordiging voor elk door een of meer van hen voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van: a. een regeling inzake werktijden, b. een regeling inzake vakantie en verlof, c. een regeling inzake de veiligheid, de gezondheid of het welzijn in verband met de werkzaamheden of het ziekteverzuim, d. een regeling inzake opleiding en verdere vorming, e. een regeling inzake loopbaanvorming, f. een regeling inzake werkoverleg, g. een regeling als bedoeld in artikel 9, derde lid, h. een regeling als bedoeld in artikel 10, en i. een regeling omtrent de persoonsgegevens van de bij de gerechten werkzame personen. De gerechtsvertegenwoordiging beslist niet dan nadat over de betrokken aangelegenheid ten minste eenmaal overleg is gepleegd in een overlegvergadering. Artikel 27, derde lid, van de Wet op de ondernemingsraden, is van overeenkomstige toepassing. Hebben de bestuurders voor het voorgenomen besluit geen instemming van de gerechtsvertegenwoordiging verkregen, dan kunnen zij de geschillencommissie toestemming vragen om het besluit te nemen. Artikel 27, vierde , vijfde en zesde lid van de Wet op de ondernemingsraden is van overeenkomstige toepassing. De gerechtsvertegenwoordiging wordt door de bestuurders in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit tot: a. belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de werkzaamheden van een gerecht; b. belangrijke wijziging in de organisatie van een gerecht, dan wel in de verdeling van bevoegdheden binnen een gerecht; c. wijziging van de plaats waar een gerecht, of onderdeel daarvan, haar werkzaamheden uitoefent; d. het groepsgewijze werven of inlenen van arbeidskrachten; e. het doen van een belangrijke investering ten behoeve van een gerecht; f. het aantrekken van een belangrijk krediet ten behoeve van een gerecht; g. het verstrekken van een belangrijk krediet en het stellen van zekerheid voor belangrijke schulden van een ander gerecht; h. invoering of wijziging van een belangrijke technologische voorziening; i. het treffen van een belangrijke maatregel in verband met de zorg voor het milieu, waaronder begrepen het treffen of wijzigen van een beleidsmatige, organisatorische en administratieve voorziening in verband met het milieu; j. het verstrekken en het formuleren van een adviesopdracht aan een deskundige buiten een gerecht betreffende een der hiervoor bedoelde aangelegenheden; k. overdracht van de zeggenschap over een of meer van de gerechten; l. het vestigen van, dan wel het overnemen of afstoten van de zeggenschap over, een ander gerecht, alsmede het aangaan van, het aanbrengen van een belangrijke wijziging in of het verbreken van duurzame samenwerking met een ander gerecht, waaronder begrepen het aangaan, in belangrijke mate wijzigen of verbreken van een belangrijke financiële deelneming vanwege of ten behoeve van een dergelijk gerecht; m. beëindiging van de werkzaamheden van een gerecht of van een belangrijk onderdeel daarvan; n. vaststelling van een regeling met betrekking tot het zelf dragen van het risico, bedoeld in artikel 75, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Een advies als bedoeld in het eerste lid wordt op een zodanig tijdstip gevraagd, dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit. De gerechtsvertegenwoordiging brengt met betrekking tot een voorgenomen besluit als bedoeld in het eerste lid geen advies uit dan nadat over de betrokken aangelegenheid ten minste eenmaal overleg is gepleegd in een overlegvergadering. De gerechtsvertegenwoordiging kan bij de geschillencommissie beroep instellen tegen een besluit van de bestuurders, hetzij wanneer dat besluit niet in overeenstemming is met het advies van de gerechtsvertegenwoordiging, hetzij wanneer feiten of omstandigheden bekend zijn geworden die, waren zij aan de gerechtsvertegenwoordiging bekend geweest ten tijde van het uitbrengen van haar advies, aanleiding zouden kunnen zijn geweest om dat advies niet uit te brengen zoals het is uitgebracht. Artikel 26, tweede tot en met achtste lid, van de Wet op de ondernemingsraden is van overeenkomstige toepassing. De gerechtsvertegenwoordiging wordt tijdig in de gelegenheid gesteld een profielschets op te stellen voor een te benoemen bestuurder als bedoeld in artikel 1, onderdeel a. De gerechtsvertegenwoordiging wordt tijdig in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen omtrent de benoeming van een bestuurder als bedoeld in artikel 1, onderdeel a. De gerechtsvertegenwoordiging bevordert zoveel als in haar vermogen ligt de naleving van de voor de gerechten onderscheidenlijk het gerecht geldende voorschriften op het gebied van de rechtspositie en van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn in verband met de werkzaamheden. De gerechtsvertegenwoordiging stelt jaarlijks over het voorgaande jaar een jaarverslag op en zendt voor 1 april een afschrift daarvan in ieder geval aan Onze Minister van Justitie en aan de vergadering van presidenten van de appèlcolleges en de vergadering van rechtbankpresidenten. De artikelen 31 tot en met 31c van de Wet op de ondernemingsraden zijn van overeenkomstige toepassing. De gerechtsvertegenwoordiging en de bij de gerechten onderscheidenlijk het gerecht ingestelde ondernemingsraad of onderdeelscommissie kunnen gezamenlijk vergaderen. De gerechtsvertegenwoordiging en de ondernemingsraad of onderdeelscommissie kunnen gezamenlijk het overleg met de bestuurders voeren. De bestuurders en de gerechtsvertegenwoordiging kunnen de geschillencommissie verzoeken te bepalen dat de bestuurders, onderscheidenlijk de gerechtsvertegenwoordiging gevolg dienen te geven aan hetgeen bij of krachtens deze regeling is bepaald, een en ander voor zover dit van de bestuurders, onderscheidenlijk de gerechtsvertegenwoordiging afhangt. Artikel 36, vijfde, zesde en zevende lid, van de Wet op de ondernemingsraden is van overeenkomstige toepassing. Geschillencommissie Er is een Geschillencommissie Tijdelijk besluit medezeggenschap rechters. De geschillencommissie is belast met de krachtens dit besluit aan haar opgedragen beslissing van geschillen. Bij of krachtens regeling van Onze Minister van Justitie worden regels vastgesteld omtrent de samenstelling, inrichting en werkwijze van de geschillencommissie. Slotbepalingen Voor de overeenkomstige toepassing van dit besluit worden het College van Beroep Studiefinanciering, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Centrale Raad van Beroep gelijkgesteld met een gerechtshof. Voor de overeenkomstige toepassing van dit besluit worden de voorzitter, de coördinerend ondervoorzitter, de ondervoorzitters en de leden van de Tariefcommissie begrepen onder de kiesgerechtigde leden van het gerechtshof Amsterdam. Ten minste één van de leden van de raadsherenvertegenwoordiging van het gerechtshof Amsterdam is, indien een of meer van hen zich kandidaat hebben gesteld, afkomstig uit het midden van de kiesgerechtigde leden, bedoeld in het vorige lid, van de Tariefcommissie. De president van de arrondissementsrechtbank en de coördinerend kantonrechter in het arrondissement onderscheidenlijk de president van het gerechtshof dragen ervoor zorg, dat er uiterlijk op de eerste dag van de derde kalendermaand na de maand waarin dit besluit in werking is getreden, een gerechtsvertegenwoordiging is. De kiesgerechtigde leden maken binnen 30 dagen na de dag van inwerkingtreding van dit besluit schriftelijk aan de president van de arrondissementsrechtbank en de coördinerend kantonrechter in het arrondissement onderscheidenlijk de president van het gerechtshof bekend op welk aantal leden als bedoeld in artikel 5, eerste lid, de omvang van de eerste gerechtsvertegenwoordiging dient te worden vastgesteld. Bij gebreke daarvan stellen de president van de arrondissementsrechtbank en de coördinerend kantonrechter in het arrondissement onderscheidenlijk de president van het gerechtshof zelf dat aantal leden vast. Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag van de eerste kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt aangehaald als: Tijdelijk besluit medezeggenschap rechters. Het kan worden afgekort als: Tbmr. Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Justitie. Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 14 maart 2000, nr. 52. NOTA VAN TOELICHTING Dit besluit bevat een tijdelijke medezeggenschapsregeling voor de bij de gerechten werkzame rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding (raio's). Sinds de inwerkingtreding op 5 mei 1995 van de Wet van 13 april 1995 (Stb. 231) is de Wet op de ondernemingsraden (Wor) ook van toepassing op ambtenaren. In artikel 53b Wor wordt echter op de toepasselijkheid van de Wor een uitzondering gemaakt voor de rechterlijke ambtenaren en de raios. Rechterlijke ambtenaren zijn: de met rechtspraak belaste rechterlijke ambtenaren in de Hoge Raad, de hoven, de rechtbanken, de kantongerechten, de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven, de Tariefcommissie en het College van beroep studiefinanciering; de leden van het openbaar ministerie (OM); de gerechtsauditeurs en griffiers bij de genoemde gerechten. Bij de parlementaire behandeling van bedoelde wijziging van de Wor is ten aanzien van deze uitzondering, aangekondigd dat de Minister van Justitie voor de in artikel 53b Wor uitgezonderde ambtenaren specifieke medezeggenschapsregelingen tot stand zal brengen. Voor het openbaar ministerie is inmiddels een regeling van de medezeggenschap tot stand gebracht. Sinds 1 april 1996, de aanvang van de reorganisatie van het openbaar ministerie, geldt de Tijdelijke regeling medezeggenschap openbaar ministerie. Voor de andere rechterlijke ambtenaren en de raio's bij de gerechten is, gelet op het voornemen de bestuursstructuur van de gerechten te vernieuwen, gewacht met het regelen van de medezeggenschap. Nu ook bij de gerechten de feitelijke reorganisatie een aanvang neemt, is het tijd om ook daar een tijdelijke regeling te treffen. Daartoe strekt dit besluit. Het gaat hier om een tijdelijke regeling van de medezeggenschap voor de duur van het vernieuwingsproces in de rechtspraak. De definitieve medezeggenschapsregeling voor zowel de bij de gerechten werkzame rechterlijke ambtenaren en raio's (hierna tezamen ook kortweg aan te duiden als: rechters) als voor de niet-rechterlijke ambtenaren werkzaam bij de gerechten (ofwel: de ondersteuning) wordt meegenomen in de wetgeving die het bestuur van de gerechten en de invoering van integraal management regelt. Dat zal een geïntegreerde medezeggenschapsregeling zijn. Dat wil zeggen dat er een gemeenschappelijk medezeggenschapsorgaan wordt ingesteld voor zowel de rechters als de ondersteuning. Het bestuur zal in de nieuwe organisatie immers hoofd van dienst zijn van beide geledingen. Thans is de directeur beheer gerechten nog hoofd van dienst voor de ondersteuning. Op hen is de Wor van toepassing. Dat kan en zal door de onderhavige algemene maatregel van bestuur niet veranderen. Deze regeling beoogt niet meer en niet minder dan naast de bestaande medezeggenschapsregeling voor de ondersteuning een tijdelijke medezeggenschapsregeling voor de rechters in het leven te roepen. Daarbij is voorts van belang, dat de in formele wetgeving verankerde bevoegdheden van de collegevergadering, onderscheidenlijk kantonrechtersvergadering, evenals de besluitvorming tussen de Minister van Justitie en de Sectorcommissie rechterlijke macht, prevaleren boven de besluitvorming in het kader van de in deze algemene maatregel van bestuur opgenomen medezeggenschapsregeling. De kern van de regeling wordt gevormd door de introductie van de gerechtsvertegenwoordiging, het tijdelijke medezeggenschapsorgaan voor de rechterlijke ambtenaren, dat wil zeggen de met rechtspraak belaste leden van de rechterlijke macht en de gerechtsauditeurs, en de raio's, werkzaam bij de gerechten. Bij elke arrondissementsrechtbank met bijbehorende kantongerechten en bij elk gerechtshof wordt een gerechtsvertegenwoordiging ingesteld. De eerste wordt rechtersvertegenwoordiging genoemd (artikel 3) en de tweede raadsherenvertegenwoordiging (artikel 4). Het overkoepelende begrip is gerechtsvertegenwoordiging (artikel 1, onderdeel b). De in artikel 1, onderdeel a, gedefinieerde bestuurders zijn de overlegpartner van de gerechtsvertegenwoordiging, met dien verstande dat de bestuurders om praktische redenen een van hen aanwijzen om feitelijk het overleg te voeren (artikel 13, tweede lid). Als bestuurders worden aangemerkt de president en de directeur beheer, voor de rechtersvertegenwoordiging nog aangevuld met de coördinerend kantonrechter in het arrondissement. Zij hebben een positie vergelijkbaar met die van de bestuurder in de Wor. Die oefent, al dan niet samen met anderen, de hoogste zeggenschap uit bij de leiding van de arbeid in de onderneming (artikel 1 Wor) en vertegenwoordigt de ondernemer in het overleg met de medezeggenschap (artikel 23, vierde lid, Wor). De ondernemer is in de Wor degene die de onderneming, onder meer met financiële middelen, in stand houdt. In de gerechtelijke organisatie vervult de Staat die rol. Een rechtersvertegenwoordiging wordt samengesteld vanuit de arrondissementsrechtbank en de kantongerechten in het arrondissement. Bij elk van de vijf gerechtshoven is een raadsherenvertegenwoordiging. Ingevolge artikel 24 valt de Tariefcommissie onder de raadsherenvertegenwoordiging bij het gerechtshof Amsterdam. Het College van beroep studiefinanciering, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de Centrale Raad van Beroep hebben een eigen raadsherenvertegenwoordiging. Er zijn, kortom, 19 rechtersvertegenwoordigingen en acht raadsherenvertegenwoordigingen. Het onderhavige besluit berust op artikel 54, tweede lid, onderdeel e, Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra). Deze bepaling maakt het mogelijk dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor rechterlijke ambtenaren en raios voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot medezeggenschap. Als de definitieve, geïntegreerde, medezeggenschapsregeling in werking treedt, kan de Tijdelijke regeling medezeggenschap rechters komen te vervallen. Dat er thans voor gekozen wordt om, vooruitlopend op de definitieve regeling, een tijdelijke regeling te treffen, is het gevolg van de constatering dat het handhaven van het bestaande vacuüm onwenselijk is gelet op het vernieuwingsproces bij de gerechten. Juist in een periode waarin bij de gerechten de voorbereidingen zullen worden getroffen voor de invoering per 2002 van de wetgeving inzake het bestuur bij de gerechten en integraal management, alsmede die inzake de bestuurlijke onderbrenging van de kantongerechten bij de rechtbanken, is het noodzakelijk dat de medezeggenschap voor de rechterlijke ambtenaren en raios geregeld is. Deze regeling is totstandgekomen in overleg met betrokkenen uit het veld. Tevens is overeenkomstig hoofdstuk III Wrra overeenstemming bereikt met de Sectorcommissie rechterlijke macht. Van de Directeur beheer gerechten Groningen, de Coördinerend ondervoorzitter van de Tariefcommissie, de Commissie RO namens de Gemeenschappelijke presidentenvergadering en van de Directeuren beheer gerechten zijn met betrekking tot een concept van de regeling adviezen ontvangen. De adviezen luidden instemmend ten aanzien van de hoofdlijnen van de regeling. De daarbij gemaakte kanttekeningen zijn, evenals die van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), in regeling en toelichting overgenomen, met uitzondering van de volgende. De Gemeenschappelijke presidentenvergadering meende dat, behalve voor de hoven en de rechtbanken ook voor de kantongerechten eigen gerechtsvertegenwoordigingen in het leven moeten worden geroepen. Deze suggestie kon niet worden overgenomen, omdat dit te zeer de (voorbereiding van) de bestuurlijke onderbrenging van de kantongerechten zou belemmeren. Bovendien kan desgewenst voor een of meer kantongerechten een onderdeelscommissie worden ingesteld (artikel 5). De suggestie van de Directeuren beheer gerechten om elk gerecht de vrijheid te geven de voorliggende regeling al dan niet in te voeren, kon uiteraard niet worden overgenomen. Dat zou in strijd zijn met de, door onder meer de NVvR gesteunde, gemaakte keuze voor een bij algemene maatregel van bestuur vast te leggen landelijke regeling. De wel overgenomen suggesties hebben in hoofdzaak geleid tot aanpassing van de regeling in die zin, dat naast de Centrale Raad van Beroep ook het College van Beroep voor het bedrijfsleven en het College van beroep studiefinanciering een eigen gerechtsvertegenwoordiging krijgen, terwijl de Tariefcommissie recht krijgt op ten minste één zetel in de raadsherenvertegenwoordiging van het gerechtshof Amsterdam (artikel 24). Deze regeling heeft geen gevolgen voor de rijksbegroting. De kosten zullen worden opgevangen binnen de begroting van de Dienst rechtspleging van het Ministerie van Justitie. Artikel 1 bevat definities. In artikel 1, onder a, ten 1e, wordt, behalve de president en de directeur beheer gerechten, de coördinerend kantonrechter aangemerkt als bestuurder ten opzichte van de rechtersvertegenwoordiging. Momenteel is immers voor de gezamenlijke kantongerechten in elk arrondissement door de Minister van Justitie, op voordracht van de gezamenlijke kantonrechters in dat arrondissement, een coördinerend kantonrechter aangewezen, die in de praktijk onder meer de taken van kantonrechters oudste in rang heeft overgenomen. Het lag daarom niet meer voor de hand in deze regeling de wettelijke figuur van kantonrechter oudste in rang als bestuurder aan te wijzen. Artikel 2 verzekert dat de in dit besluit geregelde inspraak ook toekomt aan de bezoldigde plaatsvervangers. Zij maken immers voor langere tijd deel uit van de vaste bezetting van een gerecht. Dit is niet het geval bij de zogenaamde honoraire plaatsvervangers, bedoeld in het tweede lid van artikel 9 van de Wrra. In artikel 3 zijn de bepalingen neergelegd die specifiek voor de rechtersvertegenwoordiging, dus niet voor de gerechtsvertegenwoordiging in het algemeen, gelden. De president van de arrondissementsrechtbank en de coördinerend kantonrechter in het arrondissement zijn ervoor verantwoordelijk dat er in hun arrondissement een rechtersvertegenwoordiging is. Zij zorgen dat de eerste verkiezingen worden gehouden. In het tweede en derde lid van artikel 3 wordt bepaald dat alle rechterlijke ambtenaren, met uitzondering van de honoraire plaatsvervangers (zie artikel 2) en degenen die als bestuurder zijn aangemerkt, en raios actief en passief kiesgerechtigd zijn. De wijze van verkiezing of aanwijzing is vrijgelaten. Het is denkbaar dat de gerechtsvertegenwoordiging daaromtrent een bijzondere regeling treft in het reglement, bedoeld in artikel 6. De gerechtsauditeurs en raio's waren en zijn geen lid van de collegevergadering. In het vijfde en zesde lid is nu geregeld dat ook hun stem in de gerechtelijke organisatie gehoord wordt. In artikel 4 zijn bepalingen als in artikel 3, maar dan gespecificeerd voor de raadsherenvertegenwoordiging, neergelegd. Om recht te doen aan lokale verschillen in bij voorbeeld schaalgrootte van gerechten heeft de gerechtsvertegenwoordiging de vrijheid haar ledental te bepalen op een aantal tussen drie en negen. De gerechtsvertegenwoordiging kan vaste commissies, onderdeelscommissies en voorbereidingscommissies instellen. Artikel 15, tweede tot en met vierde lid, van de Wet op de ondernemingsraden is van overeenkomstige toepassing. Om verschillende redenen kan een commissie worden ingesteld. Zo kan bij voorbeeld gedacht worden aan het instellen van één gezamenlijk medezeggenschapsorgaan door de medezeggenschapsorganen van rechters en ondersteuning, waaraan voorbereidende of verdergaande bevoegdheden worden opgedragen ten aanzien van aangelegenheden die beide geledingen aangaan. Wat de ondersteuning betreft kan dit worden gezien als een voorbereidende of vaste commissie als bedoeld in artikel 15 Wor. Deze bepaling is ontleend aan artikel 4 van de Tijdelijke regeling medezeggenschap openbaar ministerie. De gerechtsvertegenwoordiging dient een reglement vast te stellen. Naast de ingevolge artikel 7 verplichte onderwerpen kunnen in het reglement zaken worden geregeld die aan de gerechtsvertegenwoordiging ter regeling zijn overgelaten, zoals de wijze van verkiezing van de gerechtsvertegenwoordiging. Als direct betrokkenen worden de bestuurders vooraf in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over een ontwerp voor een reglement kenbaar te maken. In het reglement van de gerechtsvertegenwoordiging is ingevolge artikel 7 in ieder geval haar werkwijze geregeld. De achterban, maar ook de overlegpartner dienen zich hiervan immers in het belang van een goede werking van de medezeggenschap op de hoogte te kunnen stellen. Deze bepaling is ontleend aan artikel 9 Tijdelijke regeling medezeggenschap openbaar ministerie en artikel 14 Wor. Deze bepaling is ontleend aan de artikelen 14 Tijdelijke regeling medezeggenschap openbaar ministerie en 17, eerste en tweede lid, Wor. Deze bepaling is ontleend aan artikel 15 van de Tijdelijke regeling medezeggenschap openbaar ministerie en bevat, in vereenvoudigde vorm, die onderdelen van artikel 22 Wor waaraan in de gerechten behoefte bestaat. De in artikel 22, tweede lid, tweede volzin, Wor opgenomen verfijningen zijn niet overgenomen. In het derde lid is niet gekozen voor een stelsel waarin de bestuurders en de ondernemingsraad gezamenlijk het budget vaststellen, maar voor een – beter in de systematiek van de onderhavige regeling passend – stelsel waarin de bestuurders daarover beslissen, ten aanzien van welke beslissing aan de gerechtsvertegenwoordiging een instemmingsrecht toekomt (vgl. art. 15, onderdeel g). In vergelijking met de systematiek van de Wor is deze bepaling overigens naar voren gehaald en geplaatst bij de andere bepalingen over de zogenoemde faciliteiten voor de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies. Deze bepaling is ontleend aan artikel 16 van de Tijdelijke regeling medezeggenschap openbaar ministerie. Zij bevat, in vereenvoudigde vorm, die onderdelen van artikel 18 Wor waaraan in de gerechtelijke organisatie behoefte bestaat. In het bijzonder de in artikel 18, derde en vierde lid, opgenomen verfijningen zijn niet overgenomen. Ook is niet gekozen voor een stelsel waarin de bestuurders en de gerechtsvertegenwoordiging gezamenlijk het aantal uren (onderdeel a) onderscheidenlijk het aantal dagen (onderdeel b) vaststellen, maar voor een – beter in de systematiek van de onderhavige regeling passend – stelsel waarin de bestuurders daarover beslissen, ten aanzien van welke beslissing aan de gerechtsvertegenwoordiging een instemmingsrecht toekomt (vgl. art. 15, onderdeel h). Deze bepaling is ontleend aan artikel 17 van de Tijdelijke regeling medezeggenschap openbaar ministerie, dat grotendeels is gebaseerd op artikel 20, eerste, tweede, vierde en zesde lid, Wor. Zij regelt de geheimhoudingsplicht rondom de vervulling van de taak van de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies. In plaats van de hier minder adequate term «zaken- en bedrijfsgeheimen» (vgl. art. 20, eerste lid, eerste volzin, Wor) wordt in het eerste lid, eerste volzin, de – ruimere – term «gegevens» (vgl. art. 2:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) gebruikt. Artikel 20, vijfde lid, Wor is niet overgenomen, omdat artikel 3:46 Awb reeds voorziet in het daarin bepaalde. Deze bepaling is ontleend aan artikel 18 van de Tijdelijke regeling medezeggenschap openbaar ministerie, dat weer is gebaseerd op artikel 21, eerste lid, eerste volzin, Wor, met dien verstande dat hier niet wordt gesproken van kandidatenlijsten. Aan de overige onderdelen van artikel 21 Wor bestaat in de gerechtelijke organisatie geen behoefte. De regeling van de overlegvergadering is ontleend aan artikel 23, eerste tot en met vierde lid, Wor. De bepaling geeft de gerechtsvertegenwoordiging onder meer een algemeen recht op overleg jegens de bestuurders. Zoals gezegd wijzen de bestuurders om praktische redenen een van hen aan om het overleg te voeren. De bestuurders zijn vrij om omtrent bij voorbeeld de vervanging van en bijstand aan de bestuurder bij het overleg en de verdere werkwijze van de bestuurders bij reglement regels te stellen. In overeenstemming met een van de doelstellingen van deze regeling, te weten het voorzien in inspraak van de rechters met betrekking tot de reorganisatie, wordt in het vierde lid bepaald, dat de door de lokale veranderteams uit te voeren projectplannen PVRO in ieder geval onderwerp van overleg kunnen zijn. In het vijfde lid wordt, evenals in de artikelen 23, derde lid, en 46d, onderdeel b, Wor, het zogenaamde «primaat van de politiek» veiliggesteld. Daarnaast worden hier, in verband met de onafhankelijkheid van de rechtspraak, de procesrechtelijke behandeling van, de inhoudelijke beoordeling van, alsmede de beslissing in een concrete zaak of in categorieën van zaken, uitgesloten van de aangelegenheden waarover overleg kan worden gevoerd. Personele gevolgen van de uitvoering van politieke besluiten of van de rechtspraak dienen wel te worden aangemerkt als aangelegenheden die voorwerp van overleg kunnen zijn. Dit is geregeld in de tweede volzin. Uit de samenhang van deze bepaling met de artikelen 15, tweede lid, en 16, derde lid, volgt overigens, dat de beide van overleg uitgesloten onderwerpen ook geen voorwerp van instemmings- of adviesrecht kunnen zijn. Deze bepaling is ontleend aan artikel 24, eerste lid, Wor en legt, in aanvulling op artikel 13, uitdrukkelijk vast dat ten minste twee keer per jaar overleg wordt gevoerd over de algemene gang van zaken van de rechtbank en de kantongerechten respectievelijk het gerechtshof. In het eerste lid wordt aangegeven ten aanzien van welke punten de gerechtsvertegenwoordiging een instemmingsrecht heeft. Het gaat om regelingen die betrekking hebben op het personeelsbeleid. Daarbij is gekeken naar de in artikel 27, eerste lid, Wor opgesomde onderwerpen. Voor zover relevant zijn deze in het onderhavige artikel – al dan niet in aangepaste vorm – overgenomen. Voor veel van de niet overgenomen onderwerpen geldt dat zij in de rechterlijke organisatie niet op het niveau van de afzonderlijke gerechten worden geregeld maar dat, nadat daarover overeenstemming is bereikt met de Sectorcommissie rechterlijke macht, daaromtrent algemeen verbindende voorschriften zijn en worden vastgesteld. In verband daarmee is in het derde lid artikel 27, derde lid, Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing verklaard. Daarnaast geldt voor enkele onderwerpen (met name artikel 27, onderdelen a en 1, Wor) dat zij in de gerechtelijke organisatie niet van toepassing zijn. Geschillen kunnen ingevolge het vierde lid worden voorgelegd aan de Geschillencommissie Tijdelijk besluit medezeggenschap rechters, bedoeld in artikel 23. Deze bepaling is ontleend aan artikel 25 Wor. Bij de opsomming van de adviesplichtige voorgenomen besluiten is overwogen dat het ongewenst zou zijn als de gerechtsvertegenwoordiging ten aanzien van een bepaald onderwerp niet mocht adviseren terwijl dat recht ingevolge de Wor aan de ondernemingsraad van de ondersteuning wel toekomt. Daarom is de opsomming van onderwerpen uit de Wor hier geheel overgenomen. Met betrekking tot de onderdelen f, g en h van artikel 16 van dit besluit is het van belang, dat het afhangt van hetgeen bij of krachtens de Comptabiliteitswet en lagere comptabele regelgeving omtrent de wijze van bekostiging en besturing van de rechtspraak is bepaald, in hoeverre door (bestuurders van) gerechten besluiten kunnen worden genomen ten aanzien van kredieten en investeringen. Voorts zij opgemerkt dat in de praktijk van de gerechtelijke organisatie een aantal van de onderwerpen, zoals die genoemd in artikel 16, onder n, van dit besluit doorgaans onder de uitzondering van het «primaat van de politiek» (artikel 13, zesde lid) vallen. Daarmee zijn de desbetreffende voorgenomen besluiten van overleg en dus ook van het adviesrecht uitgesloten, behoudens voor zover het de personele gevolgen van de uitvoering betreft. Geschillen over adviesplichtige besluiten kunnen ingevolge het vierde lid in bepaalde gevallen worden voorgelegd aan de Geschillencommissie Tijdelijk besluit medezeggenschap rechters, bedoeld in artikel 23. Op de behandeling van deze geschillen is artikel 26, tweede tot en met achtste lid, Wor van overeenkomstige toepassing. De geschillencommissie heeft dus de bevoegdheden die de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam heeft in de overeenkomstige beroepszaken onder de Wor. Indien de gerechtsvertegenwoordiging van mening is dat haar ten onrechte niet om advies is gevraagd, kan zij de geschillencommissie op grond van artikel 22 (algemene geschillenregeling) vragen te bepalen dat de bestuurders dit alsnog doen. In dat geval gelden ingevolge artikel 22 overigens andere procedureregels, namelijk de regels zoals die krachtens artikel 36, vijfde, zesde en zevende lid, van de Wet op de ondernemingsraden gelden voor de procedure voor de kantonrechter. Deze bepaling is ontleend aan de artikelen 26 van de Tijdelijke regeling medezeggenschap openbaar ministerie en 30 van de Wet op de ondernemingsraden. Zij voorziet in de mogelijkheid van inspraak door de gerechtsvertegenwoordiging bij de benoeming van een bestuurder, dat wil zeggen van de president, coördinerend kantonrechter of directeur beheer gerechten. Overigens moet in dit verband een aanwijzing als coördinerend kantonrechter als benoeming worden aangemerkt. In het eerste lid wordt het recht toegekend om een profielschets op te stellen voor een te benoemen bestuurder. Ingevolge het tweede lid kan de gerechtsvertegenwoordiging adviseren omtrent de kandidaten die meedingen naar de vacante functie. Daartoe kan bijvoorbeeld een lid van de gerechtsvertegenwoordiging plaatsnemen in een eventuele benoemingsadviescommissie. De profielschets en het advies worden aangeboden aan Onze Minister van Justitie. Deze bepaling is ontleend aan artikel 27 van de Tijdelijke regeling medezeggenschap openbaar ministerie en artikel 28, eerst lid, Wor. De bepaling brengt mede tot uitdrukking dat de gerechtsvertegenwoordiging een eigen verantwoordelijkheid heeft voor de goede gang van zaken bij de gerechten. De jaarverslagen van de gerechtsvertegenwoordigingen vormen een bron van informatie over de wijze van uitvoering van dit besluit. Om zijn verantwoordelijkheid voor het functioneren van de medezeggenschap te kunnen waarmaken dient de Minister van Justitie over deze jaarverslagen te beschikken. Dit artikel regelt de informatieplicht. De bestuurders zijn verplicht om aan de gerechtsvertegenwoordiging en haar commissies tijdig bepaalde gegevens te verstrekken. Het gaat om gegevens die de gerechtsvertegenwoordiging nodig heeft om haar werk goed te kunnen doen. Een en ander is geregeld door de artikelen 31 tot en met 31c van de Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing te verklaren. Uit deze artikelen volgt onder meer welke gegevens de bestuurders uit eigen beweging en welke zij op verzoek moeten verschaffen. Het is bevorderlijk voor de reorganisatie en de invoering van het zogenaamde integraal management bij de gerechten als rechters en de ondernemingsraad van de ondersteuning samenwerken. Bij sommige gerechten gebeurt dit thans reeds. Deze bepaling beoogt in ieder geval het gezamenlijk vergaderen zowel als het gezamenlijk overleg voeren met de bestuurder uitdrukkelijk mogelijk te maken. Aangelegenheden die rechtstreeks verband houden met de reorganisatie van de rechtspraak lenen zich bijvoorbeeld goed voor gezamenlijke bespreking. Deze bepaling sluit overigens verdergaande of andere (bijvoorbeeld landelijke) vormen van samenwerking niet uit. De algemene geschillenregeling is ontleend aan artikel 36 Wor, met dien verstande dat niet de bedrijfscommissie en de kantonrechter bevoegd zijn, maar de Geschillencommissie Tijdelijk besluit medezeggenschap rechters ex artikel 23 van dit besluit. De wijze van behandeling geschiedt overeenkomstig de regels zoals die krachtens artikel 36, vijfde, zesde en zevende lid, van de Wet op de ondernemingsraden gelden voor de procedure voor de kantonrechter. De beslissing van geschillen als bedoeld in artikel 15, vierde lid, 16, vierde lid, en 22 is opgedragen aan de Geschillencommissie Tijdelijk besluit medezeggenschap rechters. Overwogen is om in navolging van de Wor de kantonrechter en de Ondernemingskamer bevoegd te verklaren. Alleen al in verband met artikel 112 Grondwet was het echter niet mogelijk om dat in deze algemene maatregel van bestuur te doen. Daarom is voor deze tijdelijke regeling gekozen voor een geschillencommissie. Over de samenstelling, inrichting en werkwijze zal de Minister van Justitie, uiteraard in overleg met de rechterlijke macht, regels stellen. Deze regeling is van overeenkomstige toepassing op de rechterlijke ambtenaren bij de Centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven, het College van beroep studiefinanciering en de Tariefcommissie. Dit volgt uit de artikelen 4 van de Beroepswet, 5 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, 112 Wet op de studiefinanciering en artikel 4 van de Tariefcommissiewet. In artikel 24 wordt uitgewerkt wat de overeenkomstige toepassing concreet betekent. De drie eerstgenoemde colleges krijgen een eigen gerechtsvertegenwoordiging. Voor de Tariefcommissie is het echter vanwege haar geringe omvang niet zinvol en haalbaar om een eigen gerechtsvertegenwoordiging te hebben. De voorzitter, de coördinerend ondervoorzitter, de ondervoorzitters en de leden van de Tariefcommissie zijn kiesgerechtigd en verkiesbaar voor de raadsherenvertegenwoordiging Amsterdam. Zij hebben daarin recht op een zogenaamde kwaliteitszetel, zoals de kantonrechters die ingevolge artikel 3, vierde lid, in de rechtersvertegenwoordiging hebben. Verwezen zij ook naar het algemeen gedeelte van deze nota van toelichting, par. 1.2. Voor de periode direct na inwerkingtreding van dit besluit, waarin er nog geen gerechtsvertegenwoordiging is, dienden enkele minimale voorzieningen te worden getroffen. Dit is gebeurd in artikel 25. Om te beginnen is in het eerste lid van artikel 25 de invoeringsperiode van deze regeling bepaald op drie maanden. - document.segment-2 Verify source ↗
Besluit van 28 januari 2000, houdende tijdelijke voorzieningen voor de medezeggenschap van de bij de gerechten werkzame rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding (Tijdelijk besluit medezeggenschap rechters) — segment 2
AI-assisted research summary: De aangewezen gerechtsbestuurders moeten zorgen dat er binnen drie maanden na inwerkingtreding een gerechtsvertegenwoordiging is; de kiesgerechtigde leden krijgen een maand om het aantal leden tussen drie en negen vast te stellen.
De president van de arrondissementsrechtbank en de coördinerend kantonrechter in het arrondissement onderscheidenlijk de president van het gerechtshof zijn ervoor verantwoordelijk dat er drie maanden na inwerkingtreding een gerechtsvertegenwoordiging is (en ingevolge het eerste lid van de artikelen 3 en 4 blijft). Dit betekent overigens niet noodzakelijkerwijze dat deze bestuurders kunnen bepalen hoe de eerste gerechtsvertegenwoordiging eruit ziet. In het tweede lid is bepaald dat de kiesgerechtigde leden, grotendeels samenvallend met de leden van de bestaande college- of rechtersvergadering, een maand de gelegenheid krijgen om het aantal leden van de eerste gerechtsvertegenwoordiging te bepalen op een getal tussen drie en negen. Zodra de eerste gerechtsvertegenwoordiging is gekozen, kan zij dit aantal uiteraard desgewenst wijzigen. In de invoeringsperiode kan voorts eventueel een voorlopig reglement worden vastgesteld en dienen de eerste verkiezingen te worden gehouden. Het ligt voor de hand dat de kiesgerechtigde leden een voorlopig reglement ten aanzien van met name de wijze van verkiezen vaststellen. Daarbij zou goed aansluiting gezocht kunnen worden bij het door de zogenaamde WOR-kamer van de Raad voor het Overheidspersoneelsbeleid ontwikkelde Voorbeeldreglement voor de ondernemingsraad bij de overheid. Voorgeschreven is dit alles echter niet, zodat elk gerecht een en ander op bij de lokale omstandigheden passende wijze kan regelen. Een voorlopig reglement vervalt uit zijn aard op het moment dat de gerechtsvertegenwoordiging zelf een reglement vaststelt conform artikel 6. Zodra eerdergenoemde, thans nog in voorbereiding zijnde, definitieve geïntegreerde medezeggenschapsregeling in werking treedt, zal het onderhavige besluit worden ingetrokken.
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Besluit van 28 januari 2000, houdende tijdelijke voorzieningen voor de medezeggenschap van de bij de gerechten werkzame rechterlijke ambtenaren en rechterlijke ambtenaren in opleiding (Tijdelijk besluit medezeggenschap rechters)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in