Wet van 25 april 2000 tot aanpassing van de Boeken 3 en 6 van het Burgerlijk Wetboek aan de richtlijn betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen
Verify source ↗ AI-assisted research summary: This amendment adds consumer-protection procedure rules: some claims can seek publication of the judgment but not money damages, and certain listed organizations may bring actions or ask the Dutch Minister of Justice to notify the European Commission.
Staatsblad Wet van 25 april 2000 tot aanpassing van de Boeken 3 en 6 van het Burgerlijk Wetboek aan de richtlijn betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat de Boeken 3 en 6 van het Burgerlijk Wetboek dienen te worden aangepast aan richtlijn nr. 98/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 mei 1998 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen (PbEG L 166); Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd: Artikel 305a wordt als volgt gewijzigd: Aan lid 2 wordt een tweede zin toegevoegd, luidende: Een termijn van twee weken na de ontvangst door de gedaagde van een verzoek tot overleg onder vermelding van het gevorderde, is daartoe in elk geval voldoende. Lid 3 komt te luiden: Een rechtsvordering als bedoeld in lid 1 kan strekken tot veroordeling van de gedaagde tot het openbaar maken of laten openbaar maken van de uitspraak, zulks op een door de rechter te bepalen wijze en op kosten van de door de rechter aan te geven partij of partijen. Zij kan niet strekken tot schadevergoeding te voldoen in geld. Na artikel 305b wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende: Een organisatie of openbaar lichaam met zetel buiten Nederland welke geplaatst is op de lijst, bedoeld in artikel 4 lid 3 van richtlijn nr. 98/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 mei 1998 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van consumentenbelangen (PbEG L 166), kan een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van de gelijksoortige belangen van andere personen die hun gewone verblijfplaats hebben in het land waar de organisatie of het openbaar lichaam gezeteld is, voorzover de organisatie deze belangen ingevolge haar doelstelling behartigt of aan het openbaar lichaam de behartiging van deze belangen is toevertrouwd. De leden 2 tot en met 5 van artikel 305a zijn van overeenkomstige toepassing. Een stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid met zetel in Nederland die ingevolge haar statuten de belangen behartigt van eindgebruikers van niet voor een beroep of bedrijf bestemde goederen of diensten, kan, teneinde geplaatst te worden op de lijst, bedoeld in lid 1, Onze Minister van Justitie verzoeken de Commissie van de Europese Gemeenschappen mede te delen dat zij ter bescherming van deze belangen een rechtsvordering kan instellen. Onze Minister deelt in dat geval de Commissie tevens de naam en de doelstelling van de stichting of vereniging mee. Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek wordt als volgt gewijzigd: Artikel 240 wordt als volgt gewijzigd: In lid 4 komt de tweede volzin als volgt te luiden: Een termijn van twee weken na de ontvangst van een verzoek tot overleg onder vermelding van de bezwaren, is daartoe in elk geval voldoende. Na lid 5 wordt een lid ingevoegd, luidende: Met een rechtspersoon als bedoeld in lid 3 wordt gelijk gesteld een organisatie of openbaar lichaam met zetel buiten Nederland welke geplaatst is op de lijst, bedoeld in artikel 4 lid 3 van richtlijn nr. 98/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 mei 1998 betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van consumentenbelangen (PbEG L 166), mits de vordering betrekking heeft op algemene voorwaarden die worden gebruikt of bestemd zijn te worden gebruikt in overeenkomsten met personen die hun gewone verblijfplaats hebben in het land waar de organisatie of het openbaar lichaam gezeteld is, en de organisatie deze belangen ingevolge haar doelstelling behartigt of aan het openbaar lichaam de behartiging van deze belangen is toevertrouwd. In artikel 241 wordt na lid 5 een lid ingevoegd, luidende: Tot kennisneming van vorderingen in kort geding strekkende tot veroordelingen als bedoeld in lid 3, ingesteld door rechtspersonen als bedoeld in artikel 240 lid 3, is de president van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage bij uitsluiting bevoegd. Lid 5, alsmede de tikelen 4 onder 13°, 9 lid 3, 1003, 1005 en 1006 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing. Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 2 december 1999, Stb. 518. Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal: Kamerstukken II 1998/1999, 1999/2000, 26 693. Handelingen II 1999/2000, blz. 4363. Kamerstukken I 1999/2000, 26 693 (207, 207a). Handelingen I 1999/2000, zie vergadering dd. 17 april 2000.