Besluit van 4 mei 2001, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies in het kader van niet-fysieke stadseconomie in grote steden (Besluit subsidies niet-fysieke stadseconomie grote steden)
The minister must grant subsidies in 2001 to listed municipalities that carry out the required development programmes, and recipients must use the money for the programme, keep records, submit a determination request, and join the biennial benchmark measurement.
AI-assisted research synopsis — verify against the official legal text below.
- Jurisdiction
- Netherlands
- Instrument
- Act or statute
- Version
- 8 Jul 2014
- Language
- nl
- Official source
- View official record ↗
Publicly available, excluded from search-engine indexing
This page remains available for direct access and API use, but this release emits
noindex,follow for the following reason:
- The record does not meet this release's canonical indexing criteria.
(market-indexing-disabled)
Statute overview
About this statute
This page preserves the statute’s identified version, provision structure, official source link, and stored legal text for reading and research.
Search within this statute
Search all stored provisions in this version.
Legal text
Provisions of Besluit van 4 mei 2001, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies in het kader van niet-fysieke stadseconomie in grote steden (Besluit subsidies niet-fysieke stadseconomie grote steden)
Showing 1 of 1
- document Verify source ↗
Besluit van 4 mei 2001, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies in het kader van niet-fysieke stadseconomie in grote steden (Besluit subsidies niet-fysieke stadseconomie grote steden)
AI-assisted research summary: The minister must grant subsidies in 2001 to listed municipalities that carry out the required development programmes, and recipients must use the money for the programme, keep records, submit a determination request, and join the biennial benchmark measurement.
Staatsblad Besluit van 4 mei 2001, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies in het kader van niet-fysieke stadseconomie in grote steden (Besluit subsidies niet-fysieke stadseconomie grote steden) Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, van 4 december 2000, nr. WJZ 00071786; Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies; De Raad van State gehoord (advies van 26 februari 2001, nr. W10.00.0574/II); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 27 april 2001, nr. WJZ 01016877, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid en de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; Algemene bepalingen In dit besluit wordt verstaan onder: a. niet-fysieke stadseconomie: hetgeen daaronder wordt verstaan in het doorstartconvenant grotestedenbeleid, dat als bijlage is gevoegd bij de brief van 4 december 1998 van de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 1998/99, 21 062, nr. 77); b. ontwikkelingsprogramma: door een gemeente vastgesteld strategisch overzicht van investeringen en maatregelen voor de komende vijf jaren, met een vooruitblik op de vijf daarop volgende jaren, dat gericht is op de beleidsdoelen economie en werkgelegenheid, fysieke ontwikkeling en sociale infrastructuur en dat meetbare doestellingen en prestaties bevat; c. benchmark lokaal ondernemersklimaat: referentiekader voor de toetsing van de economische concurrentiepositie van de stad. Onze Minister verstrekt in 2001 een subsidie ten behoeve van niet-fysieke stadseconomie aan een in bijlage 1 van dit besluit vermelde gemeente die een ontwikkelingsprogramma uitvoert dat als bijlage 1 is gehecht aan het tussen die gemeente en het Rijk op 20 december 1999 in het kader van het grotestedenbeleid gesloten convenant. Onze Minister verstrekt in 2001 een subsidie ten behoeve van niet-fysieke stadseconomie aan een in bijlage 2 van dit besluit vermelde gemeente die een ontwikkelingsprogramma uitvoert dat als bijlage 1 is gehecht aan het tussen die gemeente en het Rijk op 21 december 1999 in het kader van het Investeringsbudget stedelijke vernieuwing gesloten convenant. De subsidie bedraagt in het in artikel 2, eerste lid, bedoelde geval het in bijlage 1 van dit besluit genoemde bedrag. De subsidie bedraagt in het in artikel 2, tweede lid, bedoeld geval het in bijlage 2 van dit besluit genoemde bedrag. De subsidieverlening De beschikking tot subsidieverlening vermeldt het tijdstip en de wijze waarop de aanvraag om subsidievaststelling moet worden ingediend. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger Aan de subsidieverlening zijn de in het tweede tot en met zevende lid opgenomen verplichtingen verbonden. De subsidie-ontvanger gebruikt de subsidie voor de uitvoering van die onderdelen van het ontwikkelingsprogramma, die vallen binnen de reikwijdte van het Beleidskader stadseconomie (Kamerstukken 1998/99, 21 062, nr. 77), onderdeel niet-fysieke economie. De subsidie-ontvanger komt de voor hem uit het convenant met betrekking tot de subsidie voortvloeiende verplichtingen na. De subsidie-ontvanger neemt deel aan de tweejaarlijkse herhalingsmeting van de benchmark lokaal ondernemers klimaat. De subsidie-ontvanger neemt bij het gebruik van de subsidie de ingevolge het Verdrag betreffende de Europese Unie voor de Staat geldende verplichtingen in acht. De subsidie-ontvanger dient bij Onze Minister een aanvraag om subsidievaststelling in overeenkomstig hetgeen daaromtrent in de beschikking tot subsidieverlening is vermeld. De subsidie-ontvanger voert een administratie die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle door hem aangegane verplichtingen en verrichte betalingen kunnen worden afgelezen. Voorschotten Op een subsidie ter zake waarvan een beschikking tot subsidieverlening geldt wordt door Onze Minister ten hoogste eenmaal per kalenderjaar een voorschot verstrekt. Het voorschot is het bedrag dat in bijlage 1 of bijlage 2 van dit besluit als voorschot is vermeld. De subsidievaststelling Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken. Indien de beschikking niet binnen dertien weken kan worden gegeven, stelt Onze Minister de subsidie-ontvanger daarvan in kennis en noemt hij daarbij een redelijke termijn waarop de beschikking tegemoet kan worden gezien. Overgangs- en slotbepalingen Tot 1 januari 2002 gelden voor de toepassing van de artikelen 3 en 6 de bedragen genoemd in de bijlagen 1a en 2a van dit besluit. Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst. Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit subsidies niet-fysieke stadseconomie grote steden. Hetadvies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Economische Zaken. Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 10 juli 2001, nr. 130. NOTA VAN TOELICHTING Het versterken van de economische structuur van de grote steden is één van de hoofddoelstellingen van het grote stedenbeleid (GSB). Het grote stedenbeleid omvat de volgende drie pijlers: economie en werkgelegenheid, fysieke ontwikkeling en sociale infrastructuur. In de brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal over het «Doorstartconvenant GSB» van 4 december 1998 (Kamerstukken II 1998/99, 21 062, nr. 70) wordt ingegaan op de inhoud en de onderlinge relaties van de op deze pijlers aan te pakken thema's. Bij de brief van 7 juni 1999 van de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid aan de Tweede Kamer over de voortgang van het grotestedenbeleid zijn als bijlagen gevoegd het GSB-toetsingskader, het Beleidskader stedelijke vernieuwing en het Beleidskader stadseconomie (Kamerstukken II 1998/99, 21 062, nr. 77). Het Beleidskader stadseconomie bevat de volgende doelstellingen: – stimuleren van functiemenging wonen/werken door het behouden en creëren van geschikte bedrijfsruimte in woongebieden, – ontwikkelen bedrijfsruimten voor starters, – revitaliseren van verouderde en ontwikkelen van nieuwe bedrijventerreinen, – stimuleren van kansrijke economische sectoren, bijvoorbeeld toerisme of technologie en innovatie, en clusters (netwerken van bedrijven en kennisinstellingen), – verbeteren van de bereikbaarheid van economische functies, – bevorderen van een «level playing field» voor starters en – vereenvoudiging van lokale regelgeving en verbetering van dienstverlening. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen harde – fysieke – economie en zachte – niet-fysieke – economie. Niet-fysieke stadseconomie valt onder de GSB-pijler economie en werkgelegenheid. Het niet-fysieke deel van het stadseconomiebudget wordt gericht op ondernemerschap en kansrijke economische sectoren en clusters, bijvoorbeeld «life sciences». Bij ondernemerschap gaat het onder andere over startersbegeleiding, in het bijzonder ook voor etnische ondernemers, en verbetering van het lokale vestigings- en ondernemersklimaat door vereenvoudiging van regelgeving en kwaliteitsverbetering van de gemeentelijke dienstverlening aan het bedrijfsleven. Ook betreft het organisatorische maatregelen als een bedrijvenservicepunt, bijvoorbeeld ten behoeve van de koppeling van nieuwe bedrijvigheid aan inschakeling van langdurig werklozen. De middelen die vanuit de begroting van het Ministerie van Economische Zaken beschikbaar zijn voor harde en zachte economie, zijn bestemd voor de zogenaamde G25, genoemd in bijlage 1, alsmede voor vijf zogenaamde «partiële GSB-gemeenten», genoemd in bijlage 2. Deze laatste zijn, evenals de G25, «rechtstreekse gemeente» in het kader van het Investeringsbudget stedelijke vernieuwing (ISV), maar maken niet over de hele linie van de drie pijlers deel uit van het GSB. Het ISV maakt onderscheid tussen rechtstreekse gemeenten die hun programma rechtstreeks bij het Rijk indienen en niet-rechtstreekse gemeenten die zich tot de provincie moeten richten. Rijk en grote steden hebben in het kader van het grotestedenbeleid op 20 december 1999 convenanten afgesloten. Met de vijf partiële GSB-gemeenten is op 21 december 1999 separaat een convenant gesloten in het kader van het Investeringsbudget stedelijke vernieuwing. Met deze convenanten wordt een meerjarige subsidieverlening in het vooruitzicht gesteld ten behoeve van zowel de fysieke als de niet-fysieke stadseconomie. Het EZ-budget voor fysieke stadseconomie is in het kader van de Wet stedelijke vernieuwing (Kamerstukken II 1999/2000, 26 884, nrs. 1–2) ingebracht in het ISV en gebundeld met de middelen die het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ter beschikking staan. Deze middelen dienen ter financiering van het ISV-prestatieveld economische structuurversterking. Met het afsluiten van eerdergenoemde convenanten is ook de indicatieve verdeling van het ISV-budget over de steden vastgelegd. Over deze verdeling is de Tweede Kamer geïnformeerd bij brief van 28 juni 1999 van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (Kamerstukken II 1998/99, 25 427, nr. 19). De subsidieverlening ten behoeve van niet-fysieke stadseconomie geschiedt rechtstreeks ten laste van de EZ-begroting. Hiervoor schrijft de Kaderwet EZ-subsidies gezien het structurele karakter en de hoogte van de subsidie een algemene maatregel van bestuur voor. De 25 grote steden hebben vóór 1 november 1999 mede aan de hand van het Beleidskader stadseconomie een stadsvisie voor de periode tot 2010 en een integraal, meerjarig ontwikkelingsprogramma 1999–2004 ingediend bij het Rijk. Het ontwikkelingsprogramma beschrijft in onderlinge samenhang de activiteiten die een stad de komende jaren zal ondernemen op het gebied van de drie genoemde pijlers. De plannen voor fysieke en niet-fysieke economie worden daarbij in onderlinge samenhang bekeken. De programma's geven tevens aan hoe de stad kennisoverdracht en innovatie stimuleert en welke organisatorische voorzieningen de stad daartoe – verder – zal ontwikkelen. Binnen de ontwikkelingsprogramma's vullen de fysieke en niet-fysieke componenten elkaar derhalve aan. Over de programma's heeft afstemming plaatsgehad met alle overige betrokken partijen, zoals omliggende gemeenten, bedrijfsleven en bewoners. In het Regeerakkoord is neergelegd dat onder nader te stellen condities op deelterreinen of voor specifieke probleemwijken ook andere steden dan de G25 met een soortgelijke (deel)problematiek gebruik zullen kunnen maken van instrumenten van het grote stedenbeleid. Dit krijgt vanuit de EZ-begroting invulling door een aanvullende bijdrage voor niet-fysieke stadseconomie voor de in bijlage 2 genoemde vijf partiële GSB-gemeenten. De voor niet-fysieke stadseconomie beschikbare middelen zijn indicatief verdeeld aan de hand van een vooraf bekendgemaakte verdeelsleutel voor de EZ-middelen in het kader van het ISV. In de desbetreffende brief van 28 juni 1999 van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is tevens vermeld dat de EZ-middelen zijn verdeeld over de rechtstreekse gemeenten op basis van de volgende indicatoren: het aantal bedrijfsvestigingen in sectoren die een relatie hebben met herstructurering of die kansrijk worden geacht (gerelateerd aan de sleutels voor stadsvernieuwing en herstructurering), de geregistreerde werkloosheid en het aantal startende bedrijven in de periode 1994–1998 (Kamerstukken II 1998/99, 25 427, nr. 19). De indicatieve verdeelsleutel voor de ISV-middelen is in een algemene maatregel van bestuur op grond van de Wet stedelijke vernieuwing vastgelegd. Omdat de bekendmaking van het besluit eerst in 2001 kon plaatsvinden, zijn eind 2000, in onderlinge samenhang met de verstrekking door de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van de middelen voor de fysieke economie en vooruitlopend op de inwerkingtreding van het besluit, door de Staatssecretaris van Economische Zaken aan de steden voorschotten verstrekt over het jaar 2000. Na inwerkingtreding van het besluit worden de beschikkingen tot subsidieverlening afgegeven. Over het ontwerp van dit besluit is overleg gevoerd met de betrokken steden. De zakelijke inhoud van het voorgenomen besluit is bij brieven van 23 november 2000 meegedeeld aan beide Kamers der Staten-Generaal. Voor de inhoud van het begrip niet-fysieke stadseconomie wordt aangesloten bij het doorstartconvenant grotestedenbeleid van december 1998. Dit is aangewezen, omdat het doorstartconvenant de eisen vermeldt waaraan een ontwikkelingsprogramma moet voldoen en het ontwikkelingsprogramma op zijn beurt weer de beschrijving bevat van de onderling samenhangende activiteiten die de stad zal ondernemen op het gebied van de drie genoemde pijlers, zowel op fysiek als op niet-fysiek terrein. Met ontwikkelingsprogramma worden zowel de ontwikkelingsprogramma's bedoeld die de G25 hebben geformuleerd op basis van het doorstartconvenant, als de ISV-ontwikkelingsprogramma's die in een latere fase door de 5 partiële GSB-gemeenten zijn aangevuld met de module niet-fysieke stadseconomie teneinde te kunnen voldoen aan het GSB-model. De benchmark lokaal ondernemersklimaat wordt eenmaal in de twee jaren gehouden in elk van de dertig steden. De benchmark beoogt te komen tot een voortdurende verbetering van het ondernemersklimaat en biedt tevens vergelijkingsmogelijkheden voor de steden onderling. De tussen Rijk en grote steden afgesloten convenanten zijn gebaseerd op een stedelijke visie en een integraal, meerjarig ontwikkelingsprogramma. In de stedelijke visie, die een doorkijk geeft tot en met 2010, wordt een kwalitatieve en kwantitatieve analyse van de lokale situatie en omstandigheden gegeven, zowel in termen van kansen als van bedreigingen. De stedelijke visie vormt de basis voor het ontwikkelingsprogramma. Een ontwikkelingsprogramma bevat een aantal meetbare doelstellingen en prestaties. Het ontwikkelingsprogramma is als bijlage gevoegd bij de afgesloten convenanten. In het doorstartconvenant, dat als bijlage bij de brief aan de Tweede Kamer van de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid van 4 december 1998 over het «Doorstartconvenant GSB» is gevoegd, zijn de eisen vermeld waaraan een ontwikkelingsprogramma moet voldoen. De brief aan de Tweede Kamer van de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid van 7 juni 1999 vermeldt de vier hoofdpunten waarop de ontwikkelingsprogramma's worden getoetst: a. voldoen ze aan de algemene GSB-criteria, b. voldoen ze aan overige relevante wet- en regelgeving, c. zijn ze voldoende integraal en d. is er voldoende draagvlak bij lokale en regionale partners. Het als bijlage bij deze brief gevoegde GSB-toetsingskader formuleert, ter invulling van punt a, voorts een negental meetbare doelstellingen: 1. terugdringen (structurele) werkloosheid en bevorderen arbeidsplaatsen, 2. versterking economische concurrentiepositie van de stad, 3. verbeteren aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt, 4. versterken positie stedelijke woonmilieu's op de regionale woningmarkt, 5. verbeteren leefomgeving/leefbaarheid, 6. vergroten bereikbaarheid economische activiteiten, 7. versterken sociale infrastructuur, 8. verbeteren veiligheid, tevens aandacht voor veiligheid op scholen, 9. duurzaam herstel kwetsbare wijken. De bij het ondertekenen van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde convenanten benoemde aanvullingen en uitwerkingen die de stad alsnog aan het Rijk heeft voorgelegd en die inmiddels door het Rijk zijn goedgekeurd, maken integraal onderdeel uit van het ontwikkelingsprogramma. Het betreft onder meer een nadere kwantificering en gedifferentieerde invulling van de GSB-doelstelling voor verbetering van de economische concurrentiepositie van de stad, op basis van de nul-meting van de indicator benchmark lokaal ondernemers klimaat. De financiële middelen die beschikbaar zijn voor de uitvoering van de ontwikkelingsprogramma's zijn voor elke voor subsidie in aanmerking komende gemeente vermeld in de bijlagen 1 en 2 bij dit besluit. Daarbij zijn tevens per gemeente de bedragen en het ritme van de bevoorschotting aangegeven. Door middel van een subsidieverleningsbeschikking wordt in de loop van het jaar 2001 de subsidie aan de gemeenten voor de gehele convenantsperiode verleend. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van het besluit en de formele beschikkingen tot subsidieverlening, zijn eind 2000, conform de bijlage, over het jaar 2000 voorschotten verstrekt. Niet alleen uit het in dit artikel genoemde kunnen verplichtingen voor de subsidie-ontvanger voortvloeien. Bij de subsidieverlening kunnen ook verplichtingen worden opgelegd met betrekking tot de acht in artikel 4:37, eerste lid, Awb genoemde onderwerpen. Het tweede lid van dit artikel vormt, tezamen met artikel 2, de kern van het onderhavige besluit. Het gaat er bij de onderhavige subsidiëring om de gemeenten in staat te stellen met name de niet-fysieke maatregelen gericht op economische structuurversterking van de ontwikkelingsprogramma's tot uitvoering te brengen. Hierbij wordt volledig aangesloten bij de programmatische aanpak die geldt voor zowel het gehele GSB als het ISV. Kernelementen hierin zijn meerjarige afspraken, indicatoren voor meetbare prestaties op programmaniveau met inhoudelijke en financiële verantwoording aan het eind van de planperiode, gemeentelijke vrijheid en verantwoordelijkheid voor realisering op projectenniveau en afspraken over monitoring, beleidseffektrapportages, midterm-review en visitaties. In dit verband wordt gewezen op nog nader in samenwerking met de gemeenten op te stellen voorschriften inzake de verantwoording met betrekking tot de verleende subsidie. De volgens de convenanten verplichte tussentijdse monitoring wordt voor het onderdeel niet-fysieke stadseconomie ingevuld door deelname aan de tweejaarlijkse herhalingsmeting van de benchmark lokaal ondernemers klimaat (vierde lid). Ook hier wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de verantwoordingsvoorschriften zoals die gelden voor het ISV, inclusief de module niet-fysieke economie. De in het zesde en zevende lid opgenomen verplichtingen zijn noodzakelijk om tot een tijdige en deugdelijke vaststelling van het bedrag van de subsidie te kunnen komen. De gemeente dient bij de aanvraag om subsidievaststelling aan te geven of het ontwikkelingsprogramma conform het desbetreffende convenant is gerealiseerd. De in het zevende lid opgenomen verplichtingen zijn nodig om bij de subsidievaststelling te kunnen beschikken over alle van belang zijnde gegevens en door de subsidie-ontvanger verstrekte gegevens zo nodig te verifiëren. Dit artikel voorziet in de behoefte aan voorschotten op de subsidie. Ten einde de administratieve lasten beperkt te houden, wordt ten hoogste éénmaal per kalenderjaar een voorschot verstrekt. De bedragen en de tijdstippen van de bevoorschotting zijn per gemeente vermeld in de bijlagen 1 en 2 bij dit besluit. De subsidievaststelling is geregeld in de artikelen 4:42 tot en met 4:47 van de Awb. Artikel 7 regelt slechts de termijn waarbinnen het besluit terzake genomen wordt. Ingevolge artikel 4:44, derde lid, Awb kan, indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet is ingediend binnen de in artikel 4 bedoelde termijn, de minister de subsidie-ontvanger een termijn stellen waarbinnen de aanvraag alsnog moet worden ingediend. In verband daarmee wordt in artikel 7 niet verwezen naar de in artikel 4 bedoelde termijn, maar wordt gesproken over «de voor het indienen ervan geldende termijn». De hoofdregel van de Awb is, dat vaststelling plaats vindt overeenkomstig de verlening. Ingevolge artikel 4:46, tweede lid, Awb kan het subsidiebedrag in de volgende vier gevallen lager worden vastgesteld: – indien de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden; – indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen; – indien de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en dat geleid heeft tot een onjuiste verleningsbeschikking; – indien de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten. Bijlage 1 Euro's (bedragen * € 1000,–) Subsidiebedrag Voorschot 2000 Voorschot 2001 Voorschot 2002 Voorschot 2003 Voorschot 2004 Voorschot 2005 Amsterdam 11610,638363 989,618643 1057,276215 2220,977125 3222,580557 2959,099216 1161,086153 Den Haag 6785,438647 578,348558 617,888697 1297,973644 1883,326300 1729,343698 678,556843 Rotterdam 8795,937810 749,711093 800,966829 1682,558428 2441,348907 2241,741830 879,610722 Utrecht 3719,425131 317,020691 338,694545 711,481850 1032,341824 947,936545 371,949677 Almelo 402,100014 34,272507 36,615626 76,916957 111,604521 102,479627 40,210776 Arnhem 1156,037541 98,533458 105,269926 221,136251 320,862999 294,628926 115,605981 Breda 1256,562544 107,101585 114,423833 240,365490 348,764130 320,248833 125,658675 Deventer 502,625018 42,840634 45,769533 96,146196 139,505652 128,099533 50,263470 Dordrecht 753,937527 64,260951 68,654300 144,219294 209,258478 192,149300 75,395205 Eindhoven 1457,612552 124,237838 132,731646 278,823968 404,566390 371,488646 145,764062 Enschede 954,987534 81,397204 86,962113 182,677772 265,060738 243,389113 95,500593 Groningen 1859,712566 158,510345 169,347273 355,740925 516,170912 473,968273 185,974838 Haarlem 1407,350050 119,953775 128,154693 269,209348 390,615825 358,678693 140,737715 Heerlen 653,412523 55,692824 59,500393 124,990054 181,357347 166,529393 65,342511 Helmond 402,100014 34,272507 36,615626 76,916957 111,604521 102,479627 40,210776 Hengelo 502,625018 42,840634 45,769533 96,146196 139,505652 128,099533 50,263470 Hertogenbosch 1156,037541 98,533458 105,269926 221,136251 320,862999 294,628926 115,605981 Leeuwarden 703,675025 59,976888 64,077346 134,604674 195,307913 179,339346 70,368858 Leiden 904,725032 77,113141 82,385160 173,063153 251,110173 230,579160 90,474246 Maastricht 1055,512537 89,965331 96,116019 201,907011 292,961869 269,009020 105,553287 Nijmegen 1256,562544 107,101585 114,423833 240,365490 348,764130 320,248833 125,658675 Schiedam 603,150021 51,408761 54,923440 115,375435 167,406782 153,719440 60,316164 Tilburg 1306,825046 111,385648 119,000786 249,980109 362,714695 333,058786 130,685022 Venlo 452,362516 38,556571 41,192580 86,531576 125,555087 115,289580 45,237123 Zwolle 603,150021 51,408761 54,923440 115,375435 167,406782 153,719440 60,316164 Bijlage 2 Euro's (bedragen * € 1000,–) Subsidiebedrag Voorschot 2000 Voorschot 2001 Voorschot 2002 Voorschot 2003 Alkmaar 272,268130 136,134065 0,000000 136,134065 0,000000 Amersfoort 317,646151 158,823076 0,000000 158,823076 0,000000 Emmen 90,756043 45,378022 0,000000 45,378022 0,000000 Lelystad 45,378022 45,378022 0,000000 0,000000 0,000000 Zaanstad 408,402194 204,201097 0,000000 204,201097 0,000000 Bijlage 1a (bedragen * f 1000,–) Subsidiebedrag Voorschot 2000 Voorschot 2001 Voorschot 2002 Voorschot 2003 Voorschot 2004 Voorschot 2005 Amsterdam 25586,479867 2180,832500 2329,930167 4894,389500 7101,633000 6520,996533 2558,697167 Den Haag 14953,139000 1274,512500 1361,647500 2860,357500 4150,305000 3810,972000 1495,342500 Rotterdam 19383,696111 1652,145833 1765,098611 3707,870833 5380,025000 4940,148889 1938,406944 Utrecht 8196,534356 698,621667 746,384556 1567,899667 2274,982000 2088,977244 819,669222 Almelo 886,111822 75,526667 80,690222 169,502667 245,944000 225,835378 88,612889 Arnhem 2547,571489 217,139167 231,984389 487,320167 707,089000 649,276711 254,762056 Breda 2769,099444 236,020833 252,156944 529,695833 768,575000 705,735556 276,915278 Deventer 1107,639778 94,408333 100,862778 211,878333 307,430000 282,294222 110,766111 Dordrecht 1661,459667 141,612500 151,294167 317,817500 461,145000 423,441333 166,149167 Eindhoven 3212,155356 273,784167 292,502056 614,447167 891,547000 818,653244 321,221722 Enschede 2104,515578 179,375833 191,639278 402,568833 584,117000 536,359022 210,455611 Groningen 4098,267178 349,310833 373,192278 783,949833 1137,491000 1044,488622 409,834611 Haarlem 3101,391378 264,343333 282,415778 593,259333 860,804000 790,423822 310,145111 Heerlen 1439,931711 122,730833 131,121611 275,441833 399,659000 366,982489 143,995944 Helmond 886,111822 75,526667 80,690222 169,502667 245,944000 225,835378 88,612889 Hengelo 1107,639778 94,408333 100,862778 211,878333 307,430000 282,294222 110,766111 Hertogenbosch 2547,571489 217,139167 231,984389 487,320167 707,089000 649,276711 254,762056 Leeuwarden 1550,695689 132,171667 141,207889 296,629667 430,4 02000 395,211911 155,072556 Leiden 1993,751600 169,935000 181,553000 381,381000 553,374000 508,129600 199,379000 Maastricht 2326,043533 198,257500 211,811833 444,944500 645,603000 592,817867 232,608833 Nijmegen 2769,099444 236,020833 252,156944 529,695833 768,575000 705,735556 276,915278 Schiedam 1329,167733 113,290000 121,035333 254,254000 368,916000 338,753067 132,919333 Tilburg 2879,863422 245,461667 262,243222 550,883667 799,318000 733,964978 287,991889 Venlo 996,875800 84,967500 90,776500 190,690500 276,687000 254,064800 99,689500 Zwolle 1329,167733 113,290000 121,035333 254,254000 368,916000 338,753067 132,919333 Bijlage 2a (bedragen *f 1000,–) Subsidiebedrag Voorschot 2000 Voorschot 2001 Voorschot 2002 Voorschot 2003 Alkmaar 600,000000 300,000000 0,000000 300,000000 0,000000 Amersfoort 700,000000 350,000000 0,000000 350,000000 0,000000 Emmen 200,000000 100,000000 0,000000 100,000000 0,000000 Lelystad 100,000000 100,000000 0,000000 0,000000 0,000000 Zaanstad 900,000000 450,000000 0,000000 450,000000 0,000000
Provision text is displayed from LexChat’s stored statute record. Use the official source links to verify amendments, commencement, and current legal force.
Ask AI about this statute
Besluit van 4 mei 2001, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies in het kader van niet-fysieke stadseconomie in grote steden (Besluit subsidies niet-fysieke stadseconomie grote steden)
Sign in to ask AI about this statute
Sign in to start authenticated, citation-grounded statute research.
Sign in